Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ8231

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-06-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
08/4439
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgverzekeringswet. De vraag of eiser inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekering over alimentatieaanspraken verschuldigd is, valt buiten de omvang van het geschil, nu eiser niet in een betere positie kan geraken door een uitspraak van de rechtbank. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/61.21 met annotatie van Redactie
FutD 2009-2050
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/4439

Uitspraakdatum: 29 juni 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 22 maart 2008 voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: bijdrage Zvw) opgelegd ten bedrage van € 1.320 (hierna: de aanslag). Na verrekening met de voorlopige aanslag voor het jaar 2006 resteert een te betalen bedrag van nihil.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 mei 2008 de aanslag verminderd tot nihil. Dit leidde tot een terug te betalen bedrag van € 1.491, inclusief € 91 heffingsrente.

Eiser heeft daartegen bij brief van 9 juni 2008, ontvangen bij de rechtbank op 10 juni 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 juli 2008.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen A.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is in 2005 gescheiden. Eiser en zijn ex-echtgenote hebben eind december 2005 een echtscheidingsconvenant gesloten. In dit convenant is - voor zover hier van belang - overeengekomen dat de ex-echtgenote met ingang van 22 november 2005 € 3.000 alimentatie aan eiser betaalt en dat de ex-echtgenote voorts een afkoopsom van € 125.000 aan eiser verschuldigd is, welke afkoopsom wordt aangewend voor twee door eiser af te sluiten direct ingaande alimentatie-lijfrentepolissen, waarvan eiser begunstigde is.

2.2. De hiervoor genoemde afkoopsom is aangewend voor twee direct ingaande lijfrentepolissen (bij B en C). In 2006 is op de lijfrente-uitkeringen door B € 454 bijdrage Zvw ingehouden en door C € 428.

2.3. Voorts ontving eiser in 2006 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), waarop € 547 bijdrage Zvw is ingehouden.

2.4.1. Eiser heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een verzamelinkomen van € 55.990. In deze aangifte is onder meer een bedrag aan ontvangen alimentatie opgenomen van € 36.000.

2.4.2. Naar aanleiding hiervan is met dagtekening 30 juni 2007 voor het jaar 2006 een voorlopige aanslag bijdrage Zwv (aanslagnummer [nummer]) opgelegd ten bedrage van € 1.320. Vervolgens is met dagtekening 22 maart 2008 de aanslag opgelegd.

2.5.1. Eiser heeft bij brief van 28 maart 2008 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag, (onder meer) stellende dat over de in 2006 ontvangen alimentatiebedragen ten onrechte bijdrage Zvw in rekening wordt gebracht, nu op alimentatie die al liep voor de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) het nultarief van toepassing is.

2.5.2. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot nihil omdat op grond van overgangsrecht voor de onderhavige ontvangen alimentatie het percentage van de bijdrage Zwv nihil is.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of op de door eiser in 2006 ontvangen lijfrente-uitkeringen het in artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling zorgverzekering genoemde nihil-percentage van toepassing is.

3.2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de wetgever op alimentatie-afspraken die werden gemaakt vóór invoering van de Zvw het nul-tarief van toepassing heeft verklaard om te vermijden dat alle bestaande alimentatieregelingen opengebroken zouden gaan worden. Dit geldt naar de mening van eiser niet alleen voor betalingen die door ex-echtgenoten rechtstreeks worden gedaan, maar ook voor afkoopsommen in de vorm van lijfrentes.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en veroordeling van verweerder tot terugbetaling van de over de in 2006 ontvangen lijfrente-uitkeringen ingehouden bijdragen Zwv ten bedrage van € 882.

3.3. Verweerder deelt de mening van eiser niet en stelt zich op het standpunt dat het door eiser bedoelde overgangsrecht niet van toepassing is op uitkeringen uit een lijfrenteverzekering. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Ingevolge artikel 45, eerste lid, Zwv bedraagt de inkomensafhankelijke bijdrage een percentage van het bijdrage-inkomen.

4.1.2. Artikel 5.2 Regeling zorgverzekeringswet luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

1. Het percentage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet wordt vastgesteld op 6,50.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het bijdragepercentage:

(…)

c. over belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (…), indien deze periodieke uitkering of verstrekking ook in 2005 is genoten, nihil.

4.2. Vast staat dat verweerder de in de aanslag vermelde bijdrage Zvw (uitsluitend) heeft berekend over de door eiser in 2006 van zijn ex-echtgenote ontvangen alimentatiebedragen. Bij de uitspraak op bezwaar is deze aanslag verminderd tot nihil. Dat brengt mee dat eiser door een uitspraak van deze rechtbank niet in een betere positie kan geraken, zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard (HR 15 december 2006, nr, 40333, BNB 2007/133).

4.3. Beantwoording van de vraag of op de door eiser ontvangen lijfrente-uitkeringen terecht bijdrage Zvw is ingehouden, valt - anders dan partijen menen - buiten de omvang van deze procedure. De rechtbank kan aan de beantwoording van die vraag dan ook niet toekomen.

4.4. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat in de Zwv geen regeling is opgenomen die voorziet in (de mogelijkheid om een verzoek te doen tot) teruggave van door een inhoudingsplichtige ten onrechte of tot een te hoog bedrag ingehouden Zwv, wanneer - zoals in het onderhavige geval - de (in dit geval over meerdere bronnen) ingehouden bijdrage het maximum-bijdragebedrag niet overschrijdt. Dat brengt mee dat tegen de beslissing op een door een belanghebbende aan de inspecteur gericht verzoek tot teruggave van ingehouden bijdrage Zwv in vorengenoemde situatie geen bezwaar of beroep openstaat. Het ligt echter op de weg van de wetgever om voor die situatie, wanneer de wetgever die als ongewenst beschouwt, een oplossing te zoeken.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Jochem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. O.C.H.C. Pilet, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.