Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ7685

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/6318
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen in verband met (verzwegen) gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 6318 AOW

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2009

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. E. Kort-Schenk, Stichting Unive Rechtshulp,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2008 heeft verweerder het recht op pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) van eiser vanaf de maand februari 2003 herzien.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 april 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 september 2008, aangevuld bij brief van 26 februari 2009, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 maart 2009, alwaar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A. Bos.

2. Overwegingen

2.1 Naar aanleiding van een anonieme tip heeft verweerder een onderzoek laten instellen naar de woonsituatie van eiser en mevrouw [naam]. Verweerder heeft uit dat onderzoek geconcludeerd dat beiden sedert augustus 1999 grotendeels een gezamenlijke huishouding voeren op de adressen [adres] (woning op naam van eiser) en [adres] (woning op naam van [naam]) en dat eiser opzettelijk de mededelingsverplichting in de AOW heeft overtreden.

2.2 De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het Proces-verbaal Sociale Zekerheidsfraude 21 december 2007. Uit dit proces-verbaal blijkt dat er in oktober en november 2007 een aantal waarnemingen zijn gedaan op het adres [adres]. Op 23 november 2007 is een (aangekondigd) huisbezoek afgelegd op het adres [adres]. Blijkens het daaromtrent opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (bijlage 3 bij het proces-verbaal Sociale Zekerheidsfraude) heeft eiser aanvankelijk verklaard dat hij [naam] één keer per week ziet. Nadat hij door de sociaal-rechercheurs werd geconfronteerd met het vermoeden dat zij elkaar vaker zagen, heeft eiser meegedeeld dat hij en [naam] het grootste gedeelte van de week wel bij elkaar verblijven. Vervolgens heeft op 3 december 2007 een waarneming plaatsgevonden op het adres [adres]. Op 6 december 2007 is een (onaangekondigd) huisbezoek afgelegd op het adres [adres]. Bij dat bezoek werden [naam] en eiser beiden in de woning aangetroffen. Er werd vervolgens een afspraak gemaakt voor een verhoor op 13 december 2007.

2.3 Eiser is op 13 december 2007 verhoord door twee sociaal rechercheurs in dienst van verweerder. Blijkens het proces-verbaal van dit verhoor, dat door eiser is ondertekend, heeft eiser verklaard dat [naam] en hij sinds 1999, toen hij 65 jaar werd, volgens een vast patroon, gemiddeld drie of vier dagen en nachten per week bij elkaar verblijven. Volgens eiser gaat hij op zaterdag naar [plaats] en vertrekt daar in de loop van zondag. [naam] komt in de loop van de zondag naar [plaats] en blijft daar tot in de loop van woensdag. Op vrijdag en zaterdag past [naam] in haar woning op haar kleinkind. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat eiser heeft verklaard dat hij alle kosten betaalt wanneer [naam] bij hem is en omgekeerd. Zij doen samen de boodschappen en [naam] doet voor hem de was en strijkt. Zij gaan gezamenlijk op vakantie.

2.4 [naam] is op 13 december 2007 verhoord door twee sociaal rechercheurs in dienst van verweerder. Blijkens het proces-verbaal van dit verhoor, dat door [naam] is ondertekend, heeft zij verklaard dat zij op vrijdag en zaterdag op haar kleinkind past en dat eiser op zaterdagmiddag bij haar komt, blijft slapen en zondag weer naar [plaats] vertrekt. Zij volgt dan later op de dag en blijft tot en met woensdag bij eiser. Zij geeft aan dat dit patroon is ontstaan op het moment dat eiser 65 jaar is geworden. Verder heeft zij verklaard dat zij bij eiser de was doet, ramen lapt en het huis schoon houdt. Stofzuigen doen ze samen. Wanneer ze in [plaats] zijn betaalt zij de boodschappen en in [plaats] betaalt eiser de boodschappen. Zij geeft aan altijd te koken. Zij gaan vanaf de pensionering van eiser gezamenlijk met vakantie. Verder heeft [naam] nog verklaard dat zij ieder hun eigen rekening hebben en niet voor elkaars rekening zijn gemachtigd. Ze hebben geen testament.

2.5 Dochter [dochter] is als getuige gehoord evenals de bewoonster van [adres]. Van verder buurtonderzoek is afgezien vanwege de volledige medewerking van eiser en [naam] tijdens het verhoor op 13 december 2007.

2.6 Verweerder concludeert dat eiser en [naam] vanaf juli 1999 een gezamenlijke huishouding voeren, echter dat er dringende redenen zijn om de uitkering van eiser eest met ingang van februari 2003 te herzien. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het voorlichtingsmateriaal tot januari 2003 aan duidelijkheid te wensen overliet ten aanzien van samenwonenden die beiden en eigen woning aanhielden. Volgens verweerder kon op grond van dat voorlichtingsmateriaal schending van de inlichtingenplicht niet aan eiser worden tegengeworpen.

In januari 2003 heeft verweerder extra informatie verstrekt in het blad “Uw AOW/Anw”, waarin is aangegeven dat ook in geval van 2 woningen er sprake kan zijn van een gezamenlijke huishouding, zodat per februari 2003 niet langer dringende redenen zijn die zich verzetten tegen herziening, temeer nu het op de weg van eiser had gelegen om nadere informatie bij verweerder in te winnen als er naar aanleiding van genoemde publicatie nog vragen bestonden. Nu sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van eiser acht verweerder herziening niet kennelijk onredelijk is.

2.7 Eiser betoogt in beroep allereerst dat verweerder ten onrechte een dergelijk diep in de persoonlijke levenssfeer van eiser ingrijpend onderzoek heeft verricht, nu de grondslag daaraan was komen te ontvallen toen duidelijk werd dat – anders dan in de anonieme tip gesteld – geen sprake was van onderhuur.

Voorts stelt eiser dat uit de feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Eiser voert hiertoe allereerst aan dat het bestreden besluit vrijwel uitsluitend is gebaseerd op de eigen verklaringen van eiser en [naam], terwijl die niet eenduidig zijn en zijn afgelegd in een voor betrokkenen zeer moeilijke en emotionele periode, waarin zij steun en troost bij elkaar zochten. Het besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat geen sprake is van een gezamenlijk huishouding voert eiser aan dat aan het huisvestingscriterium niet is voldaan, nu eiser en [naam] geen gezamenlijk hoofdverblijf hebben. Evenmin is voldaan aan het zorgcriterium nu eiser en [naam] beiden de kosten van de eigen huishouding dragen. Het enkele feit dat zwaardere huishoudelijke klussen gezamenlijk worden gedaan komt slechts voort uit vriendschap. De gezamenlijke vakanties zien op gezelligheid en daaruit kan en mag geen gezamenlijke huishouding worden afgeleid. Ook betoogt eiser dat hij op 13 januari 2009 is vrijgesproken door de politierechter en dat de strafrechtelijke vrijspraak moet doorwerken in de bestuursrechtelijke uitspraak, omdat beide rechters over hetzelfde feitencomplex oordelen.

Eiser kan verweerder in ieder geval niet volgen in de stelling dat hij zich op grond van de publicatie van Inzicht van januari 2003 had moeten realiseren dat zijn woonsituatie tot een wijziging van de uitkering had moeten leiden.

Onder verwijzing naar de nieuwe beslissing van 11 december 2008, tot toekenning per december 2007 van een AOW uitkering naar de grondslag van een alleenstaande, die op basis van de verhoren in december 2007 is gesteld, acht eiser de besluitvorming van verweerder wankel en willekeurig. Ten slotte wijst eiser erop dat uit de beslissing van 11 december 2008 blijkt dat hem per datum toekenning een toeslag wegens een jongere partner is toegekend. Mede gelet hierop stelt eiser dat verweerder in ieder geval bij de herziening ten onrechte niet heeft beoordeeld of er aanspraak heeft bestaan op een toeslag.

2.8 Verweerder handhaaft het standpunt dat eiser en [naam] in de betreffende periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep stelt verweerder dat eiser en [naam] door hun wijze van gebruik van de beide woningen gedurende de van belang zijnde periode feitelijk samenwoonden. Verweerder bestrijdt niet dat die conclusie voornamelijk is gebaseerd op de eigen verklaringen van eiser en [naam], maar stelt dat deze verklaringen de conclusie rechtvaardigen nu deze verklaringen voor wat de gezamenlijk doorgebrachte tijd en het gebruik van de woningen vrijwel eensluidend zijn. Op basis van de inhoud van deze verklaringen stelt verweerder zich op het standpunt dat ook aan het zorgcriterium is voldaan. Derhalve acht verweerder sprake van een gezamenlijke huishouding vanaf 1999, het jaar waarin eiser 65 jaar werd. Verweerder is wettelijk verplicht de uitkering van eiser te herzien, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat van dringende redenen slechts sprake was tot februari 2003, omdat het voorlichtingsmateriaal daarna is aangepast. Verweerder stelt voorts dat de anonieme tip terecht aanleiding heeft gevormd voor nader onderzoek naar de toegekende uitkeringen, nu uit dat onderzoek is gebleken dat van een gezamenlijke huishouding sprake was.

Ten slotte erkent verweerder dat in het geval van eiser is verzuimd te berekenen of eiser aanspraak kon maken op een inkomensafhankelijke toeslag. Verweerder kondigt aan alsnog een onderzoek te zullen instellen naar het inkomen van [naam] vanaf februari 2003 en op basis daarvan een nader besluit te zullen nemen.

De rechtbank overweegt als volgt

2.9 Ingevolge artikel 1, derde lid van de AOW, voor zover van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het vierde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.10 De rechtbank verwerpt allereerst de stelling van eiser dat er geen grondslag (meer) bestond voor het doen van onderzoek naar de rechtmatigheid van de toegekende uitkeringen. De rechtbank stelt daartoe vast dat in de anonieme tip enerzijds werd gesproken over een onderhuur situatie en anderzijds werd gesteld dat eiser en [naam] zouden samenwonen.

2.11 De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

2.12 Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat de betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft moet naar vaste rechtspraak worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Betrokkenen stonden ten tijde hier van belang ingeschreven op verschillende adressen. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen behoeft evenwel niet in de weg te staan aan het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

2.13 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van eiser en [naam] wat betreft de gezamenlijk doorgebrachte tijd en het gebruik van de woningen vrijwel eensluidend zijn, zodat op basis van deze verklaringen voldoende vast is komen te staan dat eiser en [naam] vanaf het moment dat eiser 65 jaar werd een vast patroon hadden ontwikkeld, waarbij zij het grootste deel van de week samen doorbrachten in afwisselend de woning van eiser en de woning van [naam]. Daarbij werd ook het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd gezamenlijk doorgebracht. Aldus is, gelet op vaste jurisprudentie, voldaan aan het zogeheten huisvestingscriterium.

2.14 Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding is dat betrokkenen blijk geven van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. De rechtbank is van oordeel dat ook aan dit zorgcriterium is voldaan, nu door [naam] is verklaard dat zij voor eiser kookt, zijn was doet en voor hem strijkt. Voorts hebben eiser en [naam] verklaard dat zij over en weer alle kosten van de huishouding betalen afhankelijk van de woning waarin men verblijft. Ook gaan zij gezamenlijk op vakantie.

2.15 De omstandigheid dat de politierechter eiser heeft vrijgesproken doet naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep aan het voorgaande niet af. De bestuursrechter is immers bij de beoordeling over een hem voorgelegd geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen de strafrechter heeft geoordeeld. In een strafrechtelijke procedure ligt een andere rechtsvraag voor en is een ander procesrecht van toepassing dan in het bestuursrecht.

2.16 Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiser met [naam] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 1, vierde lid van de AOW. Vaststaat dat eiser nimmer aan verweerder heeft gemeld dat hij een gezamenlijk huishouding met [naam] voerde. Verweerder was daarom op grond van artikel 17a van de WAO in beginsel gehouden de AOW-uitkering van eiser met ingang van 1 augustus 1999 te herzien in een AOW-pensioen voor gehuwden.

2.17 Verweerder heeft evenwel in de gebrekkige informatievoorziening tot februari 2003 aanleiding gezien tot aan die periode van intrekking af te zien op grond van een dringende reden als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW, zijnde dat onduidelijk was wanneer sprake was van een samenwoning indien partners ieder een eigen woning aanhielden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser na februari 2003 wel had moeten begrijpen dat hij mogelijk een gezamenlijke huishouding voerde met [naam]. Het in het informatieblad “Uw AOW/Anw” genoemde voorbeeld van de ene partner die de eigen woning aanhoudt, maar feitelijk bij de ander woont, vertoont onvoldoende parallellen met de situatie van eiser en [naam] en ook het verzoek om wijzigingen in de “woonsituatie” - en niet de “leefsituatie” zoals in het verweerschrift wordt gesteld - te melden aan verweerder is niet van dien aard dat eiser daaruit had moeten afleiden dat zijn relatie met [naam] mogelijk zou worden beoordeeld als het voeren van een gezamenlijke huishouding.

2.18 De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met in achtneming van deze uitspraak.

2.19 Tevens ziet de rechtbank aanleiding tot het uitspreken van een proceskostenveroorde-ling. Als proceshandelingen die worden vergoed worden aangemerkt: het indienen van het beroepschrift (1 punt) en het vertegenwoordigen van eiser ter zitting (1 punt). Het gewicht van de zaak wordt gemiddeld geacht. Per punt wordt een vergoeding van € 322,- toegekend.

2.20 Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de reiskosten van eiser in beroep: [plaats] – Haarlem v.v., op basis van reiskosten openbaar vervoer, tweede klasse. De rechtbank stelt deze kosten vast op een bedrag van € 8,70.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 21 augustus 2008;

3.3 bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt het bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van tot op heden begroot op

€ 644,00, te betalen door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser;

3.5 veroordeelt het bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door eiser gemaakt reiskosten in beroep tot een bedrag van € 8,70 te betalen door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser;

3.6 gelast dat het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht van € 39,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Mateman, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. C.E. Heyning-Huydecoper en G.D. de Jong, rechters, en op 23 april 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.