Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ7682

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-07-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
AWB 08/7058
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongeschiktheidsontslag. Artikel 98, eerste lid, onder g, ARAR. Verweerder was bevoegd tot ontslagverlening. Het ontslagbesluit kan de rechterlijke toets doorstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 7058 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juli 2009

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. G.M.S. Koot, advocaat te Den haag,

tegen:

Het Gerechtsbestuur van de Rechtbank ’s-Gravenhage,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2008 heeft verweerder eiser ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 april 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 oktober 2008, verzonden 3 oktober 2008, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 10 november 2008, aangevuld bij brief van 11 december 2008, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 juni 2009, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. G.M.S. Koot. Verweerder is verschenen bij mr. D.J. de Jong en mr. M.W. Koek.

2. Overwegingen

2.1 Eiser is met ingang van 15 april 2001 aangesteld in de functie van administratief medewerker bij de sector civiel recht van de rechtbank ‘s Gravenhage. Op 28 juni 2007 is over eiser een negatieve beoordeling vastgesteld over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. Tegen deze beoordeling is geen bezwaar gemaakt. In de aan deze beoordeling voorafgaande gesprekken (op 5 april 2007 en 30 mei 2007) zijn met eiser verschillende werkafspraken gemaakt en is afgesproken eind september 2007 te bezien of de gemaakte afspraken zijn nagekomen en of eiser naar behoren functioneert. Vervolgens heeft op 8 oktober 2007 een gesprek met eiser plaatsgevonden en is een “Formulier functioneringsgesprek ondersteuning” opgemaakt. Met eiser is vervolgens afgesproken dat hij met ingang van 10 oktober 2007 zal gaan werken bij de cluster AZ. Daartoe zijn er met hem een aantal werkafspraken gemaakt over zijn functievervulling. Ook zijn afspraken gemaakt over de (inhoudelijke) werkresultaten, over (gedrags-)vaardigheden, (bege-)leiding, ondersteuning, loopbaanontwikkeling en persoonlijke ontwikkeling. Eiser is op 11 oktober 2007 daadwerkelijk geplaatst bij genoemde cluster. Op 18 december 2007 is met eiser een voortgangsgesprek gevoerd door de coördinerende administratief medewerker (CAM) onder wie eiser was geplaatst.

2.2 Na een daarop gericht voornemen is eiser bij besluit van 18 maart 2007 met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder g, ARAR, ontslag verleend met ingang van 1 juli 2008 wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt anders dan door ziels- of lichaamsgebreken. In afwijking van het advies van de bezwaarcommissie is het bezwaar tegen dit besluit bij het thans bestreden besluit op bezwaar van 1 oktober 2008 ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit primair op het standpunt dat eiser ongeschikt is voor het door hem beklede ambt anders dan door ziels- of lichaamsgebreken en heeft het besluit tot het verlenen van eervol ontslag op grond van artikel 98, eerste lid, onder g, ARAR derhalve gehandhaafd. Subsidiair stelt verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie, dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en dat onder deze omstandigheden de voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuur van de rechtbank kan worden gevergd. Hierbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de voorziening bedoeld in artikel 99, tweede lid, ARAR gelijk dient te zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen op basis van de WW en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, als was als gevolg van ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 WW. Verweerder gaat uit van de minimumvoorziening omdat blijkt dat de verstoring van de arbeidsrelatie in overwegende mate is te wijten aan het gedrag van eiser.

2.3 Verweerder heeft naast de op 28 juni 2007 vastgestelde beoordeling het functioneren van eiser in de periode 5 april 2007 tot 9 oktober 2007 (neergelegd in het formulier functioneringsgesprek ondersteuning van 9 oktober 2007) alsmede het functioneren in de periode vanaf 11 oktober 2007 (neergelegd in het verslag evaluatiegesprek 18 december 2007, proces-verbaal gesprek 15 februari 2008 en verslag van 20 februari 2008) aan het ontslag ten grondslag gelegd.

2.4 Verweerder neemt het standpunt in dat eiser al lange tijd onvoldoende functioneert en ongepast gedrag vertoont. Verweerder stelt eiser hierop meermalen te hebben aangesproken en hem bovendien begeleiding te hebben aangeboden, welk eiser heeft afgeslagen, zonder dat de prestaties van eiser zijn verbeterd. Verweerder stelt dat ook de plaatsing per 11 oktober 2007 op een andere afdeling niet tot een verbetering in het functioneren van eiser heeft geleid.

2.5 Eiser betoogt in beroep dat sprake is van een feitelijk ontoereikende grondslag voor een functie ongeschiktheidontslag. Eiser wijst erop dat hij van 2001 tot 2006 naar tevredenheid heeft gefunctioneerd en dat er in 2006 een kentering is opgetreden. Volgens eiser is in die tijd een sfeer ontstaan waarin hij niets meer goed kon doen en waarin communicatieproblemen zijn ontstaan tussen hem en de leidinggevende(n), hetgeen heeft geresulteerd in een slechte beoordeling in 2007. Volgens eiser is hij tegen die beoordeling niet opgekomen omdat bij hem het vertrouwen was gewekt dat de communicatie zou gaan verbeteren. Eiser betoogt dat hem steeds wordt verweten dat hij zijn gedrag niet heeft aangepast, terwijl van de zijde van verweerder niets is gedaan aan de onderlinge communicatie. Eiser voelde zich steeds meer in een hoek gedrongen, moest in zijn ogen onterechte kritiek aanhoren, terwijl hij zich daartegen niet kon verweren. Eiser voelde zich niet gehoord en acht het niet terecht om de oorzaak van de communicatie verstoring geheel bij hem te leggen. Voorts pareert eiser de kritiek op de kwaliteit van zijn werk. Eiser stelt dat uit de beoordeling in 2007 blijkt dat de inhoudelijke kwaliteiten goed werden beoordeeld en houdt vast aan de stelling dat in ieder geval in de periode vanaf 11 oktober 2007 geen sprake was van disfunctioneren dat een ontslag rechtvaardigt.

2.6 Wat betreft de overplaatsing naar een andere afdeling in oktober 2007 werpt eiser allereerst de vraag op of hem wel een eerlijke kans is gegeven. Gezien de verstoorde verhoudingen en het oordeel dat bij de leidinggevenden over hem bestond, had het meer voor de hand gelegen de nieuwe kans bij een andere sector te laten plaatsvinden. Daarnaast stelt eiser dat uit het verslag van 18 december 2007 blijkt dat hij voldoende functioneerde. Eiser stelt dat er geen grond was voor het zeer kort nadien op 8 februari 2008 volgende ontslagvoornemen. Het verslag van 20 februari 2008 is zo stelt eiser voor een groot deel van horen zeggen en bovendien is geen wederhoor toegepast. Eiser betoogt ook nog dat niet is gebleken dat hij vanaf oktober 2007 adequate begeleiding heeft ontvangen en meent dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij een coach niet noodzakelijk vond. Zonodig had verweerder coaching als voorwaarde moeten meenemen. In ieder geval had dit punt in oktober 2007 opnieuw met hem moeten worden besproken. Uit de stukken blijkt ook niet dat zijn functioneren met hem is besproken c.q. dat is besproken op welke concrete punten hij tekortschoot. Eiser acht het verbetertraject daarom niet zorgvuldig. Eiser meent ook dat verweerder ten onrechte stelt dat de commissie teveel belang hecht aan de positieve toonzetting in het verslag van 18 december 2007. Eiser acht dit in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur en meent dat verweerder ten onrechte afwijkt van het advies van de commissie. Met betrekking tot de subsidiaire ontslaggrond betwist eiser dat sprake is van een verstoorde relatie. Voorzover daar wel sprake van is dan stelt eiser dat deze in belangrijke mate aan verweerder is te wijten. Mede gelet op de voor hem op het spel staande belangen, mocht van verweerder worden verwacht dat wordt gekozen voor mediation en/of de overplaatsing van hem naar een ander onderdeel van de organisatie. In ieder geval acht eiser de stelling dat de verstoring in overwegende mate aan hem te wijten is, niet onderbouwd. Voor zover er al sprake is van een verstoorde relatie en deze al niet tot een voortzetting van het dienstverband zou kunnen leiden, dan meent eiser dat aan hem een vergoeding dient te worden toegekend.

2.7 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.8 De primaire vraag die voorligt, is of verweerder bevoegd was op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, ARAR, eiser ontslag te verlenen. Ter beantwoording van die vraag dient te worden beoordeeld of bij eiser sprake was van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Die ongeschiktheid kan onder meer blijken uit een vastgestelde beoordeling dan wel uit andere omstandigheden dan (alleen) een beoordeling. In het algemeen zal van de bevoegdheid om tot een ontslag op de hiervoor genoemde grond gebruik te maken niet eerder gebruik mogen worden gemaakt, dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld zich te verbeteren.

2.9 De rechtbank stelt vast dat, blijkens de zich bij de stukken bevindende beoordelingen en gespreksverslagen, het functioneren en de houding van eiser van meet af aan ter discussie heeft gestaan. Ook in het verslag van het functioneringsgesprek van 1 oktober 2003 staan al de competenties organisatiesensitiviteit, discipline en samenwerken als aandachtspunt vermeld. In de verslagen van 4 juni 2004 en 8 september 2005 wordt ten aanzien van deze competenties een positieve ontwikkeling beschreven, maar die kennelijk ontstane verbeteringen worden in 2006 weer tenietgedaan. Uit het dossier blijkt dat eiser vanaf 2006 nadrukkelijk is gewezen op de kritiek op zijn functioneren en zijn houding. Het verslag van 21 december 2006 geeft aan dat het functioneren van eiser op de gebieden registratie, organisatiesensitiviteit, discipline en samenwerken zorgen baart. Opgemerkt wordt dat eiser verschillende keren is aangesproken maar weinig inzicht in zijn eigen functioneren toont en niet echt open staat voor kritiek. Ook wordt opgemerkt dat eiser een aanbod voor een ontwikkel-assessment heeft geweigerd. Omdat eiser het functioneringsverslag niet heeft willen ondertekenen (eiser heeft een schriftelijke reactie gegeven op het verslag), is besloten tot het opmaken van een beoordeling. Op 5 april 2007 is de opgemaakte beoordeling door de leidinggevende met eiser besproken in aanwezigheid van een senior HRM adviseur. Uit die stukken blijkt verder dat op 11 mei 2007 met eiser is gesproken over een incident en dat eiser er in dat gesprek andermaal op is gewezen dat hij zijn houding en gedrag moest veranderen. Op 30 mei 2007 zijn in vervolg op het beoordelingsgesprek van 5 april 2007 met eiser nadere (concrete) (werk)afspraken gemaakt. De beoordeling is daarop op 28 juni 2007 definitief vastgesteld en ondertekend door de beoordelaar en de beoordelingsautoriteit.

2.10 Die beoordeling, die is gebaseerd op functioneringsgesprekken, vervolggesprekken, waarnemingen door de beoordelaar zelf en van een informant, laat over een breed scala van onderdelen een score onvoldoende (op kwantiteit bij de resultaatsgebieden registratie en correspondentie) of een score zorgelijk (op de competenties organisatiesensitiviteit, discipline en samenwerken) zien. Zo wordt geconstateerd dat eiser meer initiatief moet tonen en dat het niveau van zijn productie te laag is. Ook wordt geconcludeerd dat de omgang met eiser als onprettig wordt ervaren. Hij wordt als arrogant, imponerend en intimiderend ervaren, spreekt snel met stemverheffing en lever veel kritiek op de taakvervulling door leidinggevenden. Hij toont onvoldoende zelfbeheersing, reageert heftig op ideeën van leidinggevenden en toont weinig initiatief tot samenwerking en is weinig flexibel.

2.11 Blijkens het verslag van het op 8 oktober 2007 gehouden functioneringsgesprek, betreffende de te evalueren periode van 5 april 2007 tot 9 oktober 2007, wordt het functioneren van eiser, bezien tegen de achtergrond van het eerdere beoordelingsgesprek op 5 april 2007 en de in het gesprek op 30 mei 2007 gemaakte afspraken, op alle fronten als onvoldoende bestempeld. Eiser heeft onvoldoende verbetering laten zien op de verschillende onderdelen. Zo wordt geconstateerd dat zijn productie laag blijft en van enige pro-activiteit of eigen initiatief nog steeds geen sprake is. Verder wordt vermeld dat eiser nog steeds zijn eigen koers blijft varen, daarop niet aanspreekbaar is, probeert onder taken uit te komen, een oncoöperatieve instelling laat zien, vaak niet op tijd komt en zonder overleg verlof opneemt. Ook wordt opgemerkt dat degenen die het functioneringsgesprek hebben gehouden hem als intimiderend en brutaal hebben ervaren, dat hij herhaaldelijk met stemverheffing sprak, anderen niet liet uitspreken en hen dan betichtte van discriminatie. Gemeld wordt tevens dat eiser zich in de observaties niet kon vinden en als verweer aanvoert dat de informanten liegen. Ook wordt nog melding gemaakt van een incident op 24 september 2007 op de kamer van de sectorvoorzitter.

2.12 De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat reeds op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden op het moment van het functioneringsgesprek op 8 oktober 2007 al in voldoende mate was komen vast te staan dat eiser niet beschikt over de voor zijn functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling. Verweerder was op die grond reeds bevoegd om tot ontslagverlening over te gaan.

2.13 Uit een oogpunt van een zorgvuldige afweging en om eiser tegemoet te komen - eiser had zich immers beklaagd over het handelen van de CAM ten opzichte van hem (buiten zijn medeweten sturen van negatief geladen emailberichten over zijn functioneren en handelen en het niet toepassen van hoor- en wederhoor) - is hem uiteindelijk in oktober 2007 nog een laatste kans geboden bij een andere afdeling zijn functioneren aan te tonen c.q. te verbeteren. De rechtbank stelt hierbij vast dat eiser ervan op de hoogte was dat het hier om een laatste kans ging. Dat eiser zich hiervan bewust was wordt bevestigd in het functioneringsgesprekverslag van 8 oktober 2007. Ter zitting van de rechtbank heeft eiser zulks ook bevestigd.

2.14 Deze laatste kans periode in beschouwing nemend ziet de rechtbank het verslag van 20 februari 2008 als bepalend voor het functioneren van eiser, mede in aanmerking genomen de eerder gemaakte (concrete) werkafspraken met hem. Naar het oordeel van de rechtbank doet de toelichting van de CAM [naam] over dat de stand van zaken op 18 december 2007 niet af aan de latere rapportage als verwoord in het verslag van 20 februari 2008. Dit stuk van 18 december 2007 betreft immers een momentopname en de kennelijk aanvankelijk geconstateerde positieve verbeteringen worden weer teniet gedaan door de terugval als gerapporteerd in de latere rapportage. Hieraan doet niet af dat het eerdere verslag van 18 december 2007 pas is ondertekend op 21 februari 2008.

2.15 Volgens de betreffende leidinggevende [naam], zoals blijkt uit het verslag van 20 februari 2008, heeft eiser niet waargemaakt dat hij voldoende productie kan leveren en heeft hij voorts onvoldoende verbetering laten zien op het onderdeel houding, gedrag en professionaliteit. Ter onderbouwing is verwezen naar onder meer een aantal opgesomde concrete voorvallen.

2.16 Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de stukken het beeld naar voren dat eiser, ondanks het feit dat hem voldoende kansen zijn geboden om zich te verbeteren, telkens terugvalt in onprofessioneel handelen en gedrag, alsook bleef tekortschieten in het leveren van productie, ook weer in dit laatste beoordelingstijdvak.

2.17 Hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen van een andere visie op eisers functioneren. .Voor de stelling van eiser dat hij niet een eerlijke kans zou hebben gehad, ziet de rechtbank geen steun in de stukken.

2.18 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voor verweerder voldoende aanwijzingen bestonden om het standpunt in te nemen dat eiser ongeschikt was voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Verweerder kon naar het oordeel van de rechtbank van die bevoegdheid gebruik maken op de wijze als is geschied, zulks op grond van artikel 98, eerste lid, onder g, ARAR. De rechtbank ziet geen omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent eisers functioneren na zijn laatste kans niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

2.19 Aan een beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond wordt aldus niet toegekomen.

2.20 Het bestreden besluit kan daarom stand houden. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. G. Guinau en J.F. Miedema, rechters, en op 20 juli 2009 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

De voorzitter en de leden van de meervoudige kamer zijn verhinderd te tekenen

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.