Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ7453

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
11-09-2009
Zaaknummer
142841 / HA ZA 08-135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Onrechtmatige hinder. Vordering in conventie tot snoeien dennebomen en coniferen buren afgewezen. Nu niet is gesteld of gebleken dat de buren eerst zijn aangemaand overhangende beplanting te verwijderen, is onrechtmatig jegens hen gehandeld. De buren is de mogelijkheid onthouden de overhangende beplanting zelf met kennis en zorg te verwijderen. Volgt veroordeling in reconventie tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2009, 122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 142841 / HA ZA 08-135

Vonnis van 17 juni 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te Haarlem,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. B.F. Eblé,

tegen

[gedaagde],

wonende te Haarlem,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M. Middeldorp.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 maart 2008 en de daarin genoemde stukken,

- het proces-verbaal van comparitie van 8 augustus 2008 en de daarin genoemde en daaraan gehechte stukken,

- de bij brief van 11 augustus 2008 door [gedaagde] overgelegde producties,

- de bij brief van 26 augustus 2008 door [eiser] overgelegde producties,

- de conclusie na descente en comparitie, tevens voorwaardelijke overlegging van de producties 14 en 15 van [eiser],

- de conclusie van antwoord na comparitie van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Alle gebruikers van de tuinen op het tuinrecreatiepark De Zonnehoek te Vijfhuizen zijn lid van de Tuinrecreatievereniging Zonnehoek. Blijkens de statuten heeft de vereniging (onder andere) ten doel het bevorderen van het aanleggen, bewerken en houden van recreatietuinen in de ruimste zin van het woord.

2.2. [eiser] en [gedaagde] bezitten elk een perceel grond op De Zonnehoek. Beide percelen zijn naast elkaar gelegen.

2.3. [gedaagde] heeft achterin zijn perceel op een afstand van respectievelijk 30, 70 en 200 centimeter van het perceel van [eiser] een drietal grote dennenbomen, zogenaamde Oostenrijkers, staan. Deze dennenbomen zijn 10 à 12 meter hoog. Tevens staat op het perceel, op korte afstand van de erfgrensafscheiding met het perceel van [eiser], een vijftal coniferen. Deze coniferen steken ettelijke meters boven de twee meter hoge erfgrensafscheiding uit.

2.4. [eiser] heeft op zijn perceel ter hoogte van de coniferen een terras en ter hoogte van de dennenbomen een siertuin.

2.5. In juni 2002 heeft [eiser] bij brief het bestuur van Tuinrecreatievereniging Zonnehoek verzocht te bemiddelen in verband met de hinder die hij van de dennenbomen ondervindt. In deze brief schrijft [eiser] onder meer:

“Het betreft de hoogte en de breedte van een groep bomen (zogenaamde Oostenrijkers). Eén van deze groep staat zeker te dicht op de heg geplant. (…) Enige tijd daarna heb ik [gedaagde] 3 keer gevraagd of hij wat aan deze situatie wilde doen. In ieder geval het verwijderen van zeker de boom die te dicht op de heg geplant is”.

2.6. Het bestuur heeft bij brief van 4 juli 2002 als volgt aan [eiser] geantwoord:

“[gedaagde] is zeker niet van plan de boom die u op het oog heeft te verwijderen. Het bestuur kan en wil [gedaagde] hier ook niet toe verplichten.”

2.7. Bij brief van 14 november 2006 heeft [A] (hierna: [A]) van Gebr. [A] als volgt aan [eiser] bericht:

“Betreft: 3-tal dennen op perceel 74 (…)

U heeft ons gevraagd om advies over bovengenoemde bomen.

De hoogte van de bomen bedraagt op dit moment tussen de 10 en 12 meter. Indien er niets aan de bomen wordt gedaan (…) zou er direct omvalgevaar ontstaan en dus ook veel schade veroorzaken voor de omheen liggende percelen. Ons advies is dan ook om de bomen drastisch te snoeien of zelfs geheel te verwijderen.”

2.8. Bij brieven van 22 maart 2007 en 27 augustus 2007 heeft [A] aanvullend aan [eiser] bericht dat de dennenbomen door hun hoogte topzwaar zijn, dat bij het omvalgevaar het ter plaatse hoge grondwaterniveau een rol speelt en dat wordt geadviseerd om de dennenbomen te snoeien.

2.9. In het in opdracht van de verzekeringsmaatschappij van [gedaagde] door een bomendeskundige van NEDEB B.V. (hierna: NEDEB) met betrekking tot de dennenbomen opgestelde rapport van 29 mei 2007 wordt als volgt vermeld:

“Schadeoorzaak:

Ongewenste snoei van enkele dennenbomen.

Toedracht van de schade:

De heer [eiser] heeft bij afwezigheid van de heer [gedaagde] de dennenbomen gesnoeid. Hierbij zijn de dennenbomen eenzijdig gesnoeid. (…) De ongeveer 9 à 10 meter hoge bomen zijn aan één zijde tot een hoogte van ongeveer 6 à 7 meter opgesnoeid. Wij hebben ingeschat dat hierdoor ca. 30% van het volume van de kroon van de dennenbomen is weggesnoeid.

Omvang van de schade:

Ter vaststelling van het financieel belang hebben wij de bomen getaxeerd volgens de “Rekenmethode NVTB”. (…) Hierdoor komt de dagwaarde van de dennenbomen per heden uit op € 6.070,13. Volgens de NVTB-tabellen geeft een verlies van 25% van het kroonvolume een waardedaling van 15% van de waarde. Hierdoor stellen wij de waardevermindering vast op € 910,52, hetgeen overeenkomt met de omvang van de schade omdat herstel niet dan wel nauwelijks mogelijk zal zijn.

(…)

Standpunt partijen:

Wij hebben geen contact gehad met de heer [eiser].

(…)

Bij de opdrachtverstrekking hebben wij een tweetal brieven van dhr. [A] van het gelijknamig groenvoorzieningbedrijf (…) ontvangen. Dhr. [A] suggereert dat direct omvalgevaar bestaat wegens de hoogte van de bomen. Wij zijn nadrukkelijk van oordeel dat (…) beslist geen direct omvalgevaar aanwezig is. Ook voor de langere termijn is dit gevaar niet aanwezig. (…).”

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] vordert samengevat weergegeven – dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt:

1. de drie op het perceel van [gedaagde] staande dennenbomen binnen dertig dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in te korten en ingekort te houden tot een hoogte van maximaal zeven meter, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dennenboom,

2. de vijf op het perceel van [gedaagde] staande coniferen binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te snoeien en gesnoeid te houden tot een hoogte van maximaal twee meter, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per conifeer,

3. tot betaling aan [eiser] van EUR 904, - wegens buitengerechtelijke kosten en

4. tot betaling aan [eiser] van de kosten van het geding.

3.2. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem handelt, doordat de betreffende dennenbomen en coniferen op het perceel van [gedaagde] overlast veroorzaken.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van [eiser] tot betaling van EUR 910,52, vermeerderd met kosten.

3.5. Aan zijn vordering heeft [gedaagde] ten grondslag gelegd dat [eiser] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, door in 2003 takken van de dennenbomen tot aan de stam af te zagen en zich daarbij zonder toestemming op zijn perceel te begeven. Hierdoor is schade aan de dennenbomen ontstaan, welke schade [eiser] gehouden te vergoeden, aldus [gedaagde].

3.6. [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Bij aan het proces-verbaal van comparitie van 8 augustus 2008 gehechte brief van 28 augustus 2008 heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de door [eiser] bij brief van 26 augustus 2008 (en daarna bij akte) in het geding gebrachte producties 14 en 15. Nu [gedaagde] echter in de gelegenheid is geweest alsnog bij akte op deze producties te reageren, kan, anders dan [gedaagde] heeft betoogd, niet worden gezegd dat hij door overlegging daarvan in zijn belangen is geschaad. De rechtbank zal het bezwaar dan ook passeren en bepaalt dat de betreffende producties deel uitmaken van de stukken van het geding.

in conventie

4.2. Voorop moet worden gesteld dat krachtens het bepaalde in artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het een eigenaar van een erf niet is toegestaan op onrechtmatige wijze aan de eigenaar van een buurerf hinder toe te brengen. Of het toebrengen van de hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in samenhang met de overige omstandigheden van het geval.

De dennenbomen

4.3. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij van de dennenbomen hinder ondervindt, heeft [eiser] in de eerste plaats aangevoerd dat van de dennenbomen buitensporig veel dennennaalden, -appels en -takken (hierna gezamenlijk de dennennaalden te noemen) in zijn tuin terechtkomen en dat die niet door [gedaagde] worden verwijderd. [gedaagde] op zijn beurt heeft betwist dat de dennennaalden in de tuin van [eiser] vallen. Nu [eiser] ter adstructie van zijn betoog een aantal foto’s heeft overgelegd waaruit blijkt dat de dennennaalden op het gazon en in en tussen de beplanting op zijn perceel terechtkomen, treft deze enkele betwisting door [gedaagde] geen doel. Hoewel [eiser], zoals hij heeft gesteld, van de dennennaalden hinder ondervindt, kan, gelet op de overgelegde foto’s, niet worden gezegd dat sprake is van een zodanig buitenproportionele hoeveelheid dennennaalden, dat deze hinder onrechtmatig is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat sprake is van een tuin op een tuinrecreatiepark waar de directe aanwezigheid van bomen, en daarmee van (onder meer) dennennaalden, niet valt uit te sluiten en ook overeenkomstig de doelstelling van de Tuinrecreatievereniging De Zonnehoek is, alsmede dat uit de stellingen van [eiser] volgt dat de door hem ervaren hinder (slechts) bestaat uit het moeten verwijderen van de dennennaalden.

4.4. In de tweede plaats heeft [eiser] aangevoerd dat de dennenbomen een aanzienlijk deel van de dag zonlicht ontnemen aan zijn perceel, waaronder het terras. [gedaagde] heeft betwist dat de dennenbomen veel schaduw geven nu het een open boom betreft met een beperkte diameter, alsmede dat de dennenbomen schaduw kunnen geven op het terras. Dienaangaande geldt als volgt. Nu [eiser] de stelling van [gedaagde] dat de bomen geen schaduw kunnen geven op het terras niet heeft betwist en gelet op de locatie van de dennenbomen ten opzichte van het terras, moet het er voor worden gehouden dat de dennenbomen geen zonlicht aan het terras ontnemen. Omdat [eiser] zijn stelling dat de dennenbomen zonlicht aan zijn perceel ontnemen, voor het overige niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd, kan dit betoog niet slagen. Van onrechtmatige hinder wegens het ontnemen van zonlicht, is dan ook niet gebleken.

4.5. Tot slot heeft [eiser] nog gesteld dat van reëel omvalgevaar van de dennenbomen sprake is. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [eiser] naar de door hem overgelegde (hiervoor in 2.7 en 2.8 weergegeven) brieven van [A]. [gedaagde] heeft betwist dat van dergelijk omvalgevaar sprake is en heeft ter onderbouwing van zijn verweer het hiervoor in 2.9 genoemde rapport van NEDEB overgelegd, waarin wordt weersproken dat van direct omvalgevaar sprake is. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door [gedaagde], had het op de weg van [eiser] gelegen zijn stelling nader te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, zal de rechtbank dit betoog als onvoldoende onderbouwd passeren.

De coniferen

4.6. Met betrekking tot de coniferen heeft [eiser] gesteld dat hij daarvan hinder ondervindt, omdat ook deze zonlicht aan zijn perceel ontnemen. Ter adstructie van deze stelling heeft [eiser] zich beroepen op een achttal (door hem als productie 14) overgelegde foto’s waarop de door de coniferen veroorzaakte schaduwvlakken op verschillende tijdstippen gedurende de dag zijn te zien. Dit betoog treft echter evenmin doel. Uit deze overgelegde foto’s blijkt immers dat de dennenbomen weliswaar zonlicht aan het perceel ontnemen, maar ook dat gedurende de gehele dag zonlicht op het (grootste deel van het) terras aanwezig is. Anders dan [eiser] heeft betoogd, kan dan ook niet kan worden gezegd dat van zodanige schaduw sprake is dat daardoor het recreatiegenot van [eiser] buitenproportioneel wordt beperkt. De mate waarin de coniferen zonlicht aan het perceel ontnemen kan derhalve, ondanks dat dit blijkens zijn stellingen door [eiser] als hinderlijk wordt ervaren, niet als onrechtmatig worden aangemerkt.

4.7. Tot slot heeft [eiser] nog aangevoerd dat hij op grond van het bepaalde in artikel 5:42, lid 3 BW het recht heeft zich te verzetten tegen bomen die hoger zijn dan twee meter en dat hij om die reden vordert dat de coniferen, die volgens hem hoger zijn dan wettelijk toegestaan, worden gesnoeid tot een hoogte van twee meter. Dit betoog faalt, nu het geen steun vindt in het recht.

4.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kunnen de stellingen van [eiser] het gevorderde niet dragen. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

4.9. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.381,00

in reconventie

4.10. [gedaagde] heeft aan zijn stelling dat [eiser] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, ten grondslag gelegd dat [eiser] de dennenbomen heeft beschadigd door er takken tot aan de stam van af te zagen en zich daarbij zonder toestemming op zijn perceel te begeven. Tevens heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] hem niet eerst schriftelijk heeft aangemaand, alvorens tot het afzagen van de takken over te gaan. Dienaangaande geldt als volgt. Artikel 5:44, eerste lid BW bepaalt dat indien een nabuur wiens beplantingen over het erf van een ander hangen, ondanks aanmaning van die ander nalaat de overhangende beplanting te verwijderen, die ander eigenmachtig het overhangende kan wegsnijden. Nu [eiser] heeft betwist de overhangende takken tot aan de stam te hebben afgezaagd en [gedaagde] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, zijn stelling staven en nu ook overigens uit de stellingen van partijen en de stukken van het geding niet volgt dat [eiser] meer heeft afgezaagd dan de overhangende delen van de takken, moet het er voor worden gehouden dat het enkel de overhangende beplanting betreft.

4.11. Krachtens voormeld artikel mag het wegsnijden van beplantingen slechts gebeuren na aanmaning van de eigenaar. Anders dan [eiser] heeft betoogd, kan de (hiervoor in 2.4 genoemde) brief aan het bestuur niet als een dergelijke aanmaning worden aangemerkt. Deze brief is immers niet aan [gedaagde] gericht en evenmin wordt daarin tot het wegsnijden aangemaand. Ook uit de verklaring ter comparitie van de echtgenote van [eiser] dat zij en [eiser] [gedaagde] diverse malen hebben gevraagd takken te verwijderen, volgt een dergelijke aanmaning niet. Blijkens haar verklaring hebben zij dit immers in het kader van hun klacht dat de dennenbomen te hoog en te breed waren verzocht, zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat deze verzoeken op de overhangende beplanting betrekking hadden. Nu overigens niet is gesteld of gebleken dat [eiser] [gedaagde] eerst heeft aangemaand, heeft [eiser] in strijd met het bepaalde in artikel 5:44, lid 1 BW, en daarmee onrechtmatig jegens [gedaagde], gehandeld. [eiser] heeft aldus immers aan [gedaagde] de mogelijkheid onthouden de overhangende beplanting zelf met kennis en zorg te verwijderen. Het in dit verband nog door [eiser] aangevoerde betoog dat van rechtswege sprake is van verzuim omdat hij uit de (hiervoor in 2.5 weergegeven) brief mocht afleiden dat [gedaagde] niet van plan was om na te komen, treft geen doel nu het vereiste van verzuim in het onderhavige geval niet aan de orde is.

4.12. Omdat op grond van het vorenoverwogene reeds sprake is van onrechtmatig handelen door [eiser], behoeft de stelling van [gedaagde] dat [eiser] de dennenbomen heeft beschadigd en zich daarbij zonder toestemming op zijn perceel heeft begeven, geen bespreking meer.

4.13. Ter adstructie van zijn stelling dat hij ten gevolge van het onrechtmatige handelen van [eiser] schade heeft geleden, heeft [gedaagde] het (hiervoor in 2.8 weergegeven) rapport van NEDEB overgelegd. In dit rapport wordt opgemerkt dat de schade is ontstaan doordat de dennenbomen aan één zijde tot een hoogte van ongeveer 6 à 7 meter zijn opgesnoeid. Dat door het afzagen van de takken schade is ontstaan, heeft [eiser] op zichzelf niet betwist. [eiser] heeft echter aangevoerd van slechts één stam (van de drie dennenbomen) de overhangende takken te hebben afgezaagd en, naar de rechtbank begrijpt, derhalve niet alle schade te hebben veroorzaakt. Dienaangaande geldt als volgt. Blijkens het rapport heeft geen contact met [eiser] plaatsgevonden. Het rapport is derhalve slechts op basis van door [gedaagde] verstrekte informatie opgesteld. Gelet op deze omstandigheid en nu [gedaagde] overigens geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot dat oordeel moeten leiden, kan de door [eiser] bestreden stelling van [gedaagde] dat [eiser] alle in het rapport gestelde schade heeft veroorzaakt, niet slagen.

4.14. Nu noch uit het rapport, noch uit de overige stukken van het geding en de stellingen van [gedaagde] volgt welke schade aan het afzagen van de takken van één stam is toe te rekenen, zal de rechtbank, om proceseconomische redenen en overeenkomstig de stelling van [eiser] dienaangaande, de schade schatten op EUR 300,- (ongeveer één derde deel van de in het rapport vastgestelde schade). [eiser] zal worden veroordeeld deze schade aan [gedaagde] te betalen.

4.15. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- salaris advocaat 635,00 (2,5 punten × tarief EUR 254,00)

Totaal EUR 886,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde], tot op heden begroot op EUR 1.381,-,

in reconventie

5.3. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van EUR 300,- (driehonderd euro),

5.4. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde], tot op heden begroot op

EUR 886,00.

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2009.?