Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ7447

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-09-2009
Datum publicatie
11-09-2009
Zaaknummer
15/700819-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van genitale verminking; De rechtbank stelt in het vonnis vast dat er sprake is van een genitale verminking, die niet door het meisje zelf is toegebracht. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de vader van het slachtoffer de verminking heeft toegebracht.

De rechtbank acht wel bewezen dat de vader het slachtoffer tussen 2004 en 2008 in haar wang heeft gebeten, en haar meermalen in het gezicht en op haar rug heeft geslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700819-08

Uitspraakdatum: 11 september 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 03 september 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

Feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 9 januari 2006 tot en met 21 januari 2008, in ieder geval in of omstreeks de periode van 9 juli 2003 tot en met 21 januari 2008 te Haarlem, althans elders in Nederland, en/of in Marokko, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]), zijnde zijn, verdachtes, kind, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een genitale verminking) heeft toegebracht, door opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een schaar, althans een scherp(randig) voorwerp

- een randje/deel van de (kleine) schaamlippen van die [slachtoffer] weg/af te knippen en/of te snijden en/of

- de clitoris van die [slachtoffer] (grotendeels/gedeeltelijk) weg te knippen en/of te snijden;

Feit 2:

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 9 juli 2004 tot en met 31 oktober 2008 te Haarlem en/of (elders) in Nederland (telkens) opzettelijk mishandelend zijn kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], meermalen, althans eenmaal,

- in de wang, althans het gezicht en/of de arm(en) heeft gebeten en/of geknepen en/of

- in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam en/of de arm(en) heeft geslagen,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar.

4.1. Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot feit 1

4.1.1. Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.1.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat op grond van het hierna volgende genoegzaam is vast komen te staan dat de dochter van verdachte, [slachtoffer] geboren op [geboortedatum], hierna te noemen [slachtoffer], een genitale verminking is toegebracht.

Nadat [slachtoffer] in augustus 2008 tegenover haar pleegmoeder ter sprake heeft gebracht dat er in haar plasser is geknipt, is zij aanvankelijk medisch onderzocht op 21 augustus 2008 door de huisarts [naam] te Haarlem. Vervolgens is [slachtoffer] nader medisch onderzocht op 18 september 2008 door [getuige-deskundige 1], als forensisch arts verbonden aan Forum Educatief Utrecht en op 11 december 2008 door [getuige-deskundige 2], als gynaecologe verbonden aan het UMC te Utrecht, met als superspecialisatie kindergynaecologie. Kort samengevat hebben deze medische onderzoeken uitgewezen dat bij [slachtoffer] het grootste gedeelte van de linker kleine schaamlip en een gedeelte van de capuchon van de clitoris ontbreken. Tevens is geconstateerd dat er littekenweefsel aanwezig is. De verwonding moet door een scherp voorwerp zijn toegebracht. De medisch deskundigen hebben geconcludeerd dat er geen sprake kan zijn van een aangeboren afwijking. Evenmin is het mogelijk dat [slachtoffer] deze verminking zelf heeft aangebracht.

De rechtbank kan zich vinden in deze conclusies en maakt deze tot de hare. Gezien de bevindingen van de medische deskundigen in onderlinge samenhang bezien is er bij [slachtoffer] sprake van een genitale verminking, welke niet door haar zelf is toegebracht. Aan dit oordeel doet niet af hetgeen de raadsman, mede namens verdachte, heeft aangevoerd, nu het betoog van de raadsman op dit onderdeel niet nader en onvoldoende concreet is onderbouwd, en derhalve feitelijke grondslag mist.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte degene is die [slachtoffer] genitaal heeft verminkt. Bij de beantwoording van deze vraag dient het navolgende te worden betrokken.

Nadat [slachtoffer] in juni 2007 onder toezicht was gesteld van de William Schrikkerstichting, is zij op 22 januari 2008 uithuisgeplaatst en bij pleegouders ondergebracht.

Blijkens de verklaring van de pleegmoeder, bij de politie op 3 september 2008 afgelegd, heeft [slachtoffer] na ongeveer een half jaar, op 5 juli 2008, voor het eerst aan haar pleegmoeder verteld over een voorval dat volgens pleegmoeder als seksueel misbruik aangemerkt moet worden. [slachtoffer] noemt daarbij in eerste instantie haar pleegvader als dader.

Over genitale verminking wordt uitgaande de verklaring van de pleegmoeder op dat moment nog niet door [slachtoffer] gesproken. Nadat de pleegmoeder [slachtoffer] laat weten niet te geloven dat haar man, de pleegvader, [slachtoffer] seksueel heeft misbruikt, vraagt zij aan [slachtoffer] wie dat dan wel heeft gedaan. Daarop antwoordt [slachtoffer] “niemand”. Omdat de pleegmoeder dit evenmin gelooft, vraagt zij wederom wie het gedaan heeft. Eerst dan antwoordt [slachtoffer] “papa en mama” . Blijkens de verklaring van de pleegmoeder zegt [slachtoffer] vervolgens enkele weken later, of enkele weken voor de door de pleegmoeder bij de politie afgelegde verklaring (nu in het proces-verbaal van verhoor van de pleegmoeder achter de woorden “enkele weken” een woord is weggevallen, is voor de rechtbank niet duidelijk of bedoeld wordt “enkele weken geleden” of “enkele weken later”) tegen haar: "uitknippen bij mijn plasser, dat was zwart, dat werd weggegooid naar buiten met een hele grote schaar, mama was erbij". [slachtoffer] heeft daarbij - aldus de verklaring van de pleegmoeder - verteld dat ze hard moest huilen, dat het heel zeer deed, dat ze boos werd op papa, dat papa haar een klap gaf en dat mama erbij was. [slachtoffer] heeft niet verteld waar en wanneer het is gebeurd. Naar uit de aangifte van 27 augustus 2008 van de William Schrikkerstichting blijkt, heeft de pleegmoeder in het telefonisch contact tussen haar en de gezinsvoogd in vrijwel exact dezelfde bewoordingen haar relaas gedaan.

Vervolgens is [slachtoffer] op 11 september 2008 in een speciaal voor kinderen bestemde studio gehoord door een brigadier van politie regio Kennemerland, werkzaam bij de districtsrecherche jeugd en zeden. Tijdens dit verhoor heeft [slachtoffer] verklaard dat papa in haar plasser heeft geknipt, dat dit is gebeurd met een mensenschaar in de slaapkamer en dat mama erbij is geweest. Verdere details heeft [slachtoffer] hieromtrent niet gegeven en nadere vragen hierover heeft ze niet willen beantwoorden.

Ook verder onderzoek door de politie heeft geen nadere details omtrent de genitale verminking opgeleverd. Zowel verdachte als de moeder van [slachtoffer] ontkent [slachtoffer] genitaal te hebben verminkt. Beiden zijn diverse keren als verdachten door de politie verhoord. Verdachte is bij de rechter-commissaris ook als verdachte gehoord, de moeder van [slachtoffer] als getuige. Telkens hebben beiden verklaard nooit iets van letsel dan wel pijn dat op dergelijk letsel wijst, bij [slachtoffer] te hebben opgemerkt. Ook de pleegvader van [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij zelf niets van [slachtoffer] hieromtrent heeft vernomen. [slachtoffer] zou alleen een keer aan zijn schoonmoeder hebben verteld dat papa met een schaar in haar plasser heeft geknipt.

Weliswaar heeft een aantal personen, bij de rechter-commissaris als getuige gehoord, enige informatie omtrent de genitale verminking gegeven. Met name de pleegmoeder en de pleegvader hebben toen aangegeven dat [slachtoffer] hen heeft verteld dat er heel veel bloed was.

Niet duidelijk is echter geworden waarom zij hierover pas ter gelegenheid van het verhoor bij de rechter-commissaris op 7 april 2009 - geruime tijd later derhalve - hebben verklaard. [slachtoffer] zelf heeft over dit aspect in het studioverhoor niets verteld, ook niet nadat het onderwerp expliciet ter sprake was gebracht.

[getuige-deskundige 1] en [getuige-deskundige 2] zijn als getuige-deskundige door de rechter-commissaris gehoord en onder meer bevraagd over de tijdsaanduiding voor het toebrengen van de genitale verminking. Beiden hebben aangegeven dat daarover geen uitsluitsel kan worden gegeven. [getuige-deskundige 2] heeft desgevraagd nog verklaard dat niet aannemelijk is dat het letsel is toegebracht toen [slachtoffer] nog heel klein was, aangezien er bij een baby, bij wie de genitaliën erg klein zijn, al snel meer weggehaald wordt dan hier het geval is. Ook de naderhand opgevraagde informatie bij het consultatiebureau in Haarlem, waar [slachtoffer] voor de gebruikelijke zorg aan zuigelingen en jonge kinderen onder controle stond, heeft niets opgeleverd omtrent het tijdstip waarop en/of de plaats waar de verminking heeft plaatsgevonden. Nu ook [slachtoffer] hieromtrent niets heeft verteld, - behalve dat één en ander zou zijn gebeurd in de slaapkamer - , kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de genitale verminking heeft plaatsgevonden in Nederland of in Marokko in de periode van 9 juli 2003 tot en met 21 januari 2008, zoals ten laste is gelegd. Ook bevinden zich in het dossier geen aanwijzingen, die zouden kunnen duiden op letsel dan wel enig ander lichamelijk ongemak bij [slachtoffer], daarmee verband houdend, in deze periode.

Het gegeven dat niet vastgesteld kan worden op welke datum de genitale verminking heeft plaatsgevonden, ook niet bij benadering, is ook van invloed op de mate waarin het verhaal van [slachtoffer] ten overstaan van haar pleegmoeder en de “studioverhoorder” dat er door papa in haar plasser is geknipt, betrouwbaar kan worden geacht. Immers, naarmate er meer tijd is verstreken tussen het moment waarop de verminking is toegebracht en het moment waarop [slachtoffer] voor het eerst “papa” als dader noemt, kan dit tijdsverloop het betrouwbaarheidsgehalte van haar verklaring op dit onderdeel ook meer aantasten. Daarbij komt dat niet valt uit te sluiten dat de pleegmoeder door in eerste instantie expliciet aan te geven dat zij [slachtoffer] niet gelooft, een sturende invloed op de inhoud van [slachtoffer]’s antwoorden heeft uitgeoefend.

De rechtbank vindt steun voor deze overweging in de bevindingen en conclusies van de getuige-deskundige [getuige-deskundige 3], zoals door hem in zijn rapport en in zijn bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, zijn verwoord. Naar aanleiding van de hem naderhand toegezonden (aanvullende) stukken uit het dossier heeft hij geconstateerd dat door de pleegmoeder van [slachtoffer] druk op [slachtoffer] is uitgeoefend, hetgeen bij de beoordeling van haar ([slachtoffer]) verklaringen verdisconteerd dient te worden, en dat het verhoor, mede door de wijze waarop [slachtoffer] is ondervraagd, geen belangrijke, nieuwe informatie heeft opgeleverd.

[getuige-deskundige 3] concludeert weliswaar dat het niet goed voorstelbaar is dat [slachtoffer] een ander dan degene die dit heeft gedaan, vals beschuldigt, mede gelet op het feit dat een genitale verminking een volkomen onbekend iets is, en anders dan seksueel misbruik, meer beladen is met ontreddering, angst en onvermogen om hierover te vertellen.

De rechtbank acht het echter onvoldoende om op basis van deze veronderstelling tot een bewezenverklaring ten laste van verdachte te komen. [getuige-deskundige 3] heeft ook niet onderbouwd waarom een genitale verminking bij een kind van amper vijf jaar een dergelijke angst en onvermogen zou opleveren om daarover eerder dan zij nu heeft gedaan te praten. Bovendien heeft [getuige-deskundige 3], als gezegd, gememoreerd dat er sprake is geweest van druk op [slachtoffer] door de pleegmoeder bij het uiten van haar beschuldigingen. Niet uit te sluiten is dat dit ook een rol heeft gespeeld bij het later door [slachtoffer] tegenover haar pleegmoeder vertelde verhaal over het knippen in haar plasser door haar papa.

De rechtbank stelt overigens vast dat de bevindingen en conclusies van de getuige-deskundige [getuige-deskundige 4] daarbij aansluiten.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat er teveel twijfel is om verdachte aan te merken als degene die de genitale verminking bij [slachtoffer] heeft toegebracht. Derhalve is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte hetgeen hem onder feit 1 ten laste is gelegd, heeft begaan. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

4.2 Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot feit 2

4.2.1. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op tijdstippen in de periode van 9 juli 2004 tot en met 31 oktober 2008 te Haarlem en/of (elders) in Nederland telkens opzettelijk mishandelend zijn kind, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum], meermalen

- in de wang heeft gebeten en

- in het gezicht en tegen het lichaam heeft geslagen,

waardoor deze telkens pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.2.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

De gezinsvoogd van [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte tijdens een begeleid bezoek in de periode na de uithuisplaatsing [slachtoffer] in de wang beet. Zij heeft gezien dat [slachtoffer] hiervan heel erg schrok en dat er een afdruk in de wang van [slachtoffer] stond. Deze verklaring heeft de gezinsvoogd bij de rechter-commissaris, toen zij als getuige werd gehoord, bevestigd.

Voorts heeft de moeder van [slachtoffer], te weten [getuige 1], verklaard dat verdachte [slachtoffer] zeker wekelijks heeft geslagen, dat hij haar af en toe in de wang heeft gebeten alsmede dat [slachtoffer] daarbij aangaf dat het zeer deed. Verder heeft de moeder van [slachtoffer] verklaard dat verdachte [slachtoffer] een keer een klap in haar gezicht heeft gegeven tijdens het tandenpoetsen. Ook zij heeft deze verklaringen, als getuige gehoord bij de rechter-commissaris, bevestigd en daaraan toegevoegd dat [slachtoffer] verschrikkelijk moest huilen.

Tot slot heeft nog een vriendin van de moeder van [slachtoffer], telefonisch door de politie gehoord, op 7 november 2008 verklaard dat zij eind 2004 in Haarlem logeerde bij [getuige 1] en verdachte, en toen heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] met zijn handpalm een harde klap op haar rug gaf.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

Mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

6. Strafbaarheid van verdachte

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat het in enkele gevallen zou gaan om zogenaamde “corrigerende tikken”, waarbij de intentie om te mishandelen ontbrak. Het zou ter uitoefening van het ouderlijk gezag gerechtvaardigd zijn een corrigerende tik uit te delen. De rechtbank verstaat het betoog van de raadsman op dit punt aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet gebleken van corrigerende tikken. Integendeel, er wordt door getuigen gesproken over bijten in de wang met afdruk daarvan in de wang, slaan in het gezicht en op de rug. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank geenszins als corrigerende tikken op te vatten. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de reclassering Nederland, Regio Alkmaar-Haarlem, Unit Haarlem uitgebrachte rapport van 4 februari 2009 is gebleken.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte gedurende een lange periode bij herhaling zijn jonge dochter heeft mishandeld. Verdachte heeft dit gedaan in een situatie waarin [slachtoffer] aan zijn zorg was toevertrouwd, en zich juist veilig en geborgen zou hebben moeten kunnen voelen, zeker gezien haar zeer jonge leeftijd. De rechtbank merkt hierbij op dat op een ouder een bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van zijn kind. Gezien het voorgaande verkeerde [slachtoffer] daarentegen in een onveilige situatie, waarvoor verdachte verantwoordelijk wordt gehouden. De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij met deze handelwijze ernstig inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn dochter.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat verdachte, blijkens zijn documentatie, in het verleden eerder is veroordeeld ter zake van geweldsmisdrijven.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 1. tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2. tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2.1. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van

DRIE MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. Hofstee, voorzitter,

mrs. Ph. Burgers en M.E. Fortuin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 september 2009.