Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ7291

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
09-09-2009
Zaaknummer
AWB 09/2974 en AWB 09/2975
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling en bouwvergunning voor 27 woningen te Oostzaan (De Korenaar). Niet kan worden gezegd dat in de procedure, de motivering, de ruimtelijke onderbouwing en/of de belangenafweging dusdanige tekortkomingen bestaan dat de besluiten niet stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 2974 en AWB 09 - 2975

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2009

in de zaak van:

[eisers],

allen wonende te [woonplaats],

verzameld onder de naam Rondom Korenaar,

eisers,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan,

verweerder,

derde partij:

SKA Projectmanagement B.V.

gevestigd te Landsmeer,

vergunninghoudster.

1. Procesverloop

Op de aanvraag van vergunninghoudster, ontvangen op 7 november 2007, heeft verweerder bij besluiten van 7 oktober 2008 en 14 oktober 2008 vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en reguliere bouwvergunning verleend voor het realiseren van 27 woningen onder de naam “Het Rijk der Eilanden” op de locatie plaatselijk bekend als De Korenaar te Oostzaan.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij brief van 21 oktober 2008, aangevuld bij brief van 25 november, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om kostenvergoeding ex artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 19 juni 2009 beroep ingesteld en tevens tegen het, met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen, besluit van 2 juni 2009 tot verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 17 WRO ten behoeve van een tijdelijke bouwweg.

Bij brief van 19 juni 2009 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 25 juni 2009 hebben eisers het beroep aangevuld.

Bij brief van 14 juli 2009 heeft verweerder op het geding betrekking hebbende stukken toegezonden.

Bij brieven van 20 juli 2009 en 25 juli 2009 hebben eisers het beroepschrift aangevuld en bij brief van 12 augustus 2009 nadere stukken toegezonden.

Bij brief van 20 augustus 2009 heeft verweerder de juiste versie van het advies van de commissie bezwaarschriften toegestuurd.

Bij brief van 23 augustus 2009 hebben eisers nadere stukken toegezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 25 augustus 2009, alwaar voor eisers zijn verschenen [eisers]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door F.B. Dull en D. Kempenaar, beiden werkzaam bij de gemeente Oostzaan. Voor de derde partij zijn verschenen [namen]

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Op grond van de Invoeringswet Wet op de ruimtelijke ordening blijft op aanvragen die zijn ingediend voor 1 juli 2008 de WRO van toepassing. Aangezien de aanvraag om vrijstelling dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval de bepalingen van de WRO van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

2.3 Het geding betreft het vrijstellingsbesluit, de bouwvergunning en de ten behoeve van het bouwplan aan te leggen tijdelijke bouwweg,. De grieven van eisers ten aanzien van de kap van bomen en de verwijdering van ander groen hebben, naar zij ter zitting hebben verduidelijkt, betrekking op het vrijstellingsbesluit, voor zover dit onderwerp onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing van dit besluit.

2.4 Eisers hebben grieven aangevoerd zowel ten aanzien van de procedure als tegen de inhoud van de besluiten. Zij menen - hier samengevat - dat de burgers onvoldoende betrokken zijn bij de besluitvorming, dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest, dat de motivering te kort schiet, dat de welstandsadviezen geen recht doen aan de omgeving, dat er teveel groen verdwijnt en dat de verkeersveiligheid geweld wordt aangedaan.

2.5 Het bouwplan betreft 27 woningen, waarvan 16 appartementen in een gebouw met drie bouwlagen en met ondergrondse stallinggarage, 6 twee-onder-een-kapwoningen en 5 vrijstaande villa’s, die solitair op een schiereiland zijn gesitueerd, ontsloten door een niet doorgaande toegangsweg. Het bouwplan maakt onderdeel uit van de ontwikkeling van het gebied, waarin de verplaatsing en vernieuwbouw van een (basis)school reeds is gerealiseerd. Door de inpassing van de woningen tussen de woonwijken Bloemenbuurt en de Doktersbuurt wordt tevens de ‘deuk’ in de aan beide zijden doorgaande lijn met (woon)bebouwing ‘opgevuld’.

Ter plaatse vigeert het bestemmingsplannen “Herziening Veenbraak” uit 1983/1984. Op de betreffende gronden rusten de bestemmingen Water, Verkeersdoeleinden, Bijzondere doeleinden en Groenvoorzieningen. Het bouwplan is niet in overeenstemming met deze bestemmingen. Voor de vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, WRO is geen verklaring van gedeputeerde staten van Noord-Holland vereist, aangezien het bouwplan niet valt onder één van de speerpunten van het desbetreffende provinciale beleid.

Het bouwplan valt binnen de zogenaamde “Rode Contour” van het Streekplan Noord-Holland-Zuid.

Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft op 19 mei 2008 ingestemd met de ligging van de waterlopen en de (waterbergings)compensatie in het plangebied.

2.6 Verweerder heeft aan zijn besluiten onder meer ten grondslag gelegd het Bodem- en waterbodemonderzoek van 15 mei 2007, het rapport bomeninventarisatie van 24 mei 2007 en het rapport Luchtkwaliteit van augustus 2007, met een aanvulling d.d. 29 januari 2008, alles van de hand van bureau Oranjewoud, alsmede de Quickscan bouwlocatie van 12 juli 2007 van bureau NatuurBeleven, de Keurontheffing van 6 november 2008 van HHNK, het rapport verkeersstromen van 4 februari 2008 van bureau Grontmij en de welstandsadviezen van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland (WZNH, hierna: welstandscommissie) van 30 januari 2007, 29 januari 2008, 26 februari 2008 en 12 augustus 2008.

Mede op deze rapportages heeft verweerder zijn ingevolge artikel 19 WRO vereiste goede ruimtelijke onderbouwing d.d. 29 april 2008 gebaseerd.

2.7 De voorzieningenrechter overweegt dat er, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, geen aanleiding is voor het oordeel dat procedures niet correct verlopen zijn of dat er overigens procedurele tekortkomingen in de besluitvorming zijn aan te wijzen. Eisers hebben weliswaar aangevoerd dat de direct omwonenden onvoldoende bij de plannen zijn betrokken en dat er meer overleg met hen had dienen plaats te vinden, maar gewezen kan worden op de diverse voorlichtingsavonden, de vergaderingen van gemeentelijke commissies en van de welstandscommissie, die desgewenst kunnen worden bijgewoond, op de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen op het besluitvoornemen, van welke mogelijkheid eisers ook gebruik hebben gemaakt, en de op juiste wijze doorlopen bezwarenprocedure. Dat eisers niettemin de indruk hebben dat niet naar hun bezwaren, opmerkingen en suggesties wordt geluisterd betekent niet dat, naar eisers hebben aangevoerd, het besluit reeds op procedurele gronden vernietigd zou moeten worden. In de besluiten en de beslissing op bezwaar is steeds op de bezwaren van eisers ingegaan.

2.8 Voorts kan niet worden staande gehouden dat de motivering van de besluiten onvoldoende en/of ondeugdelijk is. De ruimtelijke onderbouwing omvat alle onderdelen waaraan dient te worden getoetst. Verweerder is daar waar nodig afgegaan op rapportages en adviezen van deskundigen. Ten aanzien daarvan kan niet gezegd worden dat deze inhoudelijk gezien niet op juiste gronden of redeneringen zijn gebaseerd of dat ze in de wijze van totstandkoming gebreken vertonen.

Waar eisers hebben aangevoerd dat bepalingen van de Flora- en faunawet (Ffw) de bouw zouden verhinderen, heeft verweerder dit voldoende weerlegd, onder meer met verwijzing naar de hiervoor genoemde Quickscan, uit welk rapport blijkt dat voor het bouwplan niet een ontheffing ingevolge de Ffw is vereist.

Ook eisers grieven ten aanzien van de adviezen van de welstandscommissie heeft verweerder voldoende weerlegd. De welstandscommissie heeft het plan terecht getoetst aan de gebiedsgerichte criteria en heeft – hier in hoofdlijnen weergegeven – geoordeeld dat de organische structuur van het bouwplan goed past in de omgeving van water en natuur, het plan stedenbouwkundig goed is gesitueerd en dat massa en vorm voldoen aan het welstandsbeleid. Dat eisers zelf van mening zijn dat van samenhang en inpassing van het bouwplan in de omgeving geen sprake is, betekent niet dat van de visie en de motivering daarvan van de welstandscommissie gezegd moet worden dat deze onjuist is of op niet relevante welstandelijke argumenten is gebaseerd. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de – positieve – advisering van de welstandscommissie niet had mogen volgen.

2.9 De grief van eisers dat een besluit tot vrijstelling nog niet had mogen worden genomen of dat het nog niet in werking had mogen treden, omdat de procedure omtrent het nieuwe bestemmingsplan KOM nog niet is afgerond, treft evenmin doel. Deze procedure is in het stadium van een verzoek om goedkeuring van gedeputeerde staten van Noord-Holland, waarbij tevens de door de eisers ingebrachte bedenkingen ter beschouwing voorliggen. Er is geen bestuursrechtelijke bepaling die onder deze omstandigheden in de weg staat aan het nemen van een vrijstellingsbesluit ingevolge de WRO.

2.10 Dat verweerder, naar eisers stellen, onvoldoende heeft gekeken naar de voorwaarden van het Streekplan Noord-Holland-Zuid en onvoldoende heeft getoetst aan de gemeentelijke beleidsnota’s ‘Woonvisie Oostzaan’ en Waterplan Oostzaan, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Voor zover daarbij gedetailleerd is gewezen op afwijkingen van de woonvisie wijst de voorzieningenrechter er op dat bij projecten met een duur van enkele jaren - in casu is reeds in 2000 een aanvang met de gebiedsontwikkeling gemaakt - in het algemeen sprake zal zijn van voortschrijdend inzicht.

2.11 Evenmin wordt de stelling dat verweerder cultuurhistorische en archeologische waarden zou hebben onderschat gevolgd. De locatie is niet opgenomen op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart en er bevinden zich op de bouwlocatie geen monumentale of behoudenswaardige objecten. Daar doet niet af dat er naar eisers stellen zich in de ringvaart (grenzend aan het schiereiland) vermoedelijk restanten van een molen bevinden.

2.12 Dat er veel van het nu bestaande groen, dat deels en met name op het “eiland” bestaat uit wilde natuur, zal verdwijnen is niet in geschil. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat daar waar mogelijk zal worden overgegaan tot (her)plant van bomen en groen, bijvoorbeeld door middel van zogenaamde laanbeplanting. Waar eisers hebben aangevoerd dat sprake zal zijn van ‘horizonvervuiling’, vooral aan de zijde van recreatiegebied Het Twiske, heeft verweerder er ter zitting op gewezen dat Het Twiske een groot gebied omvat, dat grenst aan de ringvaart, en dat alleen vanaf het pad langs de ringvaart zicht is op de bouwlocatie, die als zodanig overigens geheel ligt binnen de bebouwde kom van Oostzaan. Van een ernstige schending van de algemene belangen van de recreanten in het Twiske kan dan ook niet gesproken worden.

2.13 Met betrekking tot hetgeen eisers hebben aangevoerd omtrent de verkeers(on)veiligheid, met name in de directe omgeving van de school, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat een nieuw bruggetje voor langzaam verkeer wordt toegevoegd, dat een extra fietspad aan de achterkant van de school wordt gerealiseerd en dat de toegangsweg naar de nieuwe woningen uitsluitend voor verkeer met de bestemming voor deze woningen is bedoeld en ook dienovereenkomstig zal worden ingericht. Niet ontkend wordt dat het verkeer er drukker zal zijn, maar er bestaan geen aanwijzingen voor een dermate verkeersonveilige situatie dat om die reden het bouwplan geen doorgang zou mogen vinden. Er zal zoveel mogelijk sprake zijn van een scheiding van het auto-verkeer en het langzame verkeer van fietsers en voetgangers. Voorts bestaat er de mogelijkheid tot het treffen van nadere verkeersmaatregelen.

Eisers hebben er op gewezen dat het (extra) fietspad direct naast een watergang zal lopen en dat dit zeer onveilig is voor de vele fietsende schoolkinderen, welk bezwaar zij ook bij het HHNK hebben ingebracht. De voorzieningenrechter overweegt dat het HHNK bij de beslissing op bezwaar van 10 juni 2009 de bij besluit van 6 november 2008 verleende ontheffing voor een damwandbeschoeiing naast het water, zij het onder aanvulling met nadere voorwaarden, heeft gehandhaafd, mede op advies van de bezwarencommissie die op het bezwaar ten aanzien van de verkeersveiligheid erop heeft gewezen dat het aan de gemeente Oostzaan is om bijvoorbeeld tevens nog een hek te plaatsen.

Gelet op al deze gegevens ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de vrees van eisers voor een verkeersonveilige situatie voor gegrond te houden, in die zin dat op grond daarvan gezegd zou moeten worden dat verweerder in redelijkheid niet tot het vrijstellingsbesluit heeft kunnen komen.

2.14 Met betrekking tot hetgeen eisers in hun beroepschrift hebben aangevoerd omtrent de tijdelijke bouwweg overweegt de voorzieningenrechter dat deze pas gerealiseerd mag worden als de benodigde vergunningen zijn verleend en niet door een voorlopige voorziening zijn getroffen dan wel onherroepelijk zijn. In hetgeen eisers hebben aangevoerd, is geen aanleiding gezien voor de vrees van eisers dat onverhoopte schade niet zal worden hersteld, of dat niet vooraf, voor zover nodig een zogenaamde nulmeeting zal worden gedaan, of dat geen adequate maatregelen zullen worden genomen ter bescherming van de verkeersveiligheid.

2.15 Verweerder heeft voorts het voor de realisering van het bouwplan benodigde aantal parkeerplaatsen aan de hand van de daarvoor geldende normen en op juiste wijze berekend. Dat eisers in plaats van de norm van 1.5 parkeerplaats per woning liever hadden gezien dat was uitgegaan van 2 auto’s per woning doet daaraan niet af.

2.16 De afwijzing van de vergoeding ex artikel 7:15 Awb hebben eisers niet bestreden.

2.17 Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter geen gronden om te oordelen dat verweerder met afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het verlenen van vrijstelling, zowel voor het bouwplan als voor de bouwweg.

2.18 Gelet hierop is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

2.19 Er bestaan geen termen voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, en op 8 september 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.