Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ6930

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
146342 - HA ZA 08-698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Testamentair bewind, fideï-commis, rekening en verantwoording

Ingevolge artikel 134 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow NBW) is op het onderhavige bewind afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing, behoudens voor zover bepalingen in de uiterste wil daarvan afwijken. Weliswaar bepaalt artikel 4:161 BW dat de bewindvoerder rekening en verantwoording verschuldigd is aan de rechthebbende en aan degenen in wier belang het bewind is ingesteld, maar die bepaling moet wijken voor de testamentaire bepaling dat de bewindvoerder slechts rekening en verantwoording verschuldigd is aan de rechthebbende en, bij het einde van het bewind aan zijn opvolger. De stelling van eisers in reconventie dat ook de verwachters van het fideï-commissair vermogen rechthebbenden zijn, vindt geen steun in het recht en ook niet in de testamentaire bepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

146342 / HA ZA 08-6981 april 2009

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 146342 / HA ZA 08-698

Vonnis van 1 april 2009

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S.I. van der Staal,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] BEHEER BV,

gevestigd te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. P. Wieringa.

Partijen zullen hierna [eiseres] , [B] Beheer BV en [gedaagde 2] worden genoemd. De twee laatstgenoemden zullen tezamen [B] Beheer BV c.s. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 juli 2008

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 november 2008, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is weduwe van de op 13 september 1999 overleden [erflater] (verder: erflater). Erflater was oprichter en enig aandeelhouder van [B] Beheer BV. [eiseres] is samen met twee zoons van erflater uit een eerder huwelijk erfgename van erflater. Beide zoons zijn thans certificaathouders van de aandelen en bestuurders van [B] beheer BV. Enig aandeelhouder van deze vennootschap is de Stichting Administratiekantoor [B] Beheer (verder: de stichting). De bestuurders van de stichting zijn de beide zoons van erflater.

2.2.

Erflater heeft bij testament, op 29 mei 1996 verleden voor notaris Haafkens te Purmerend, over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament staat onder meer het volgende.

“II. LEGATEN

Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, af te geven binnen twaalf maanden na mijn overlijden aan mijn beide zonen, geboren uit mijn huwelijk met mevrouw [A], tezamen en voor gelijke delen, mijn certificaten van aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] Beheer B.V., gevestigd te Purmerend, zulks onder de verplichting om de waarde daarvan in te brengen in mijn nalatenschap of met hun erfdeel te verrekenen.

(…)

III. ERFSTELLING

Onder de last van gemelde legaten benoem ik tot enige erfgenamen van mijn nalatenschap, tezamen en voor gelijke delen, mijn aanstaande echtgenote, mevrouw [eiseres] , hierna ook te noemen “echtgenote”, en mijn beide zonen, (…)

IV. ERFSTELLING FIDEI-COMMIS DE RESIDUO

1. Ik bepaal dat hetgeen mijn genoemde echtgenote van de waarde van de certificaten van aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [B] Beheer B.V., gevestigd te Purmerend, uit mijn nalatenschap mocht ontvangen, zal worden verkregen bijwege van een erfstelling fidei-commis de residuo, zodat hetgeen zij onvervreemd of onverteerd daarvan achterlaat zal toekomen aan na te noemen verwachters.

2. Ik benoem tot verwachters, diegenen die mijn erfgenamen volgens de wet zouden zijn, indien ik ongehuwd zou zijn overleden, zulks voor gelijke delen en bij aanwas, behoudens plaatsvervulling als bij de Nederlands wet geregeld.
Deze plaatsvervulling zal evenzeer geschieden, ingeval een verwachter voor of gelijk met de sub 1 genoemde erfgename mocht overlijden.
De plaatsvervulling heeft in het laatste geval ook betrekking op de kinderen van de vooroverleden verwachter, die bij mijn overlijden nog niet geboren waren.

V. BEPALINGEN FIDEI-COMMIS DE RESIDUO

1. (…)

8. Bij het einde van het bezwaar rust op de bezwaarde erfgename casu quo haar erfgenamen de verplichting om aan te tonen wat van het fidei-commissair vermogen vervreemd of verteerd is.

VI. BEWINDVOERING

Ik stel al hetgeen mijn echtgenote uit mijn nalatenschap zal verkrijgen, onder bewind, ten aanzien van welk bewind ik het navolgende bepaal:

1. Het bewind vangt aan op de dag van mijn overlijden en eindigt bij het overlijden van mijn echtgenote.

2. Ik benoem mijn neef, de heer [gedaagde 2] (…) tot bewindvoerder.

(…)

5. De bewindvoerder en de rechthebbende zijn tezamen bevoegd tot het beheer van en de beschikking over de aan het bewind onderworpen goederen.
De bewindvoerder zal bij de uitoefening van zijn taak de belangen van zowel de rechthebbende als van de voormelde verwachters inachtnemen.

(…)

8. (…)
De bewindvoerder legt jaarlijks, binnen drie maanden na afloop van het boekjaar en aan het einde van het bewind rekening en verantwoording aan de rechthebbende af, alsmede aan het einde van het bewind aan zijn opvolger.

(…)”

2.3.

Op 6 september 2001 is voor genoemde notaris Haafkens de akte Afgifte legaat/verdeling gepasseerd. Als bijlage bij deze akte zit een berekening (productie G.1) waarin het volgende staat vermeld.

“Te voldoen door mevrouw [eiseres] als gevolg van  f 253.960,66

overbedeling

Reeds voldaan door middel van:

1. Bijdrage aankoop pensioen 213.032,00

2. Storting naar beleggingsrekening B.V. 16.500,00

3. Storting naar beleggingsrekening B.V. 4.893,00

234.425,00

4. Privé opname van beleggingsrekening B.V. 50.000,00

184.425,00

69.535,66

Afronding zoals met partijen overeengekomen 464,34

70.000,00

In de akte wordt aan [eiseres] kwijting verleend voor de betaling van het bedrag van NLG 70.000,00.

2.4.

In een brief van 14 oktober 2004 van [gedaagde 2] aan Maatschap WEA Noord Holland, het door [eiseres] ingeschakelde accountantskantoor (verder: WEA), (productie E.4) staat onder meer het volgende.

“De effecten waar u in uw brief naar verwijst stonden geadministreerd op Rabobank effectenrekening 21624739. Het door u geschetste verloop van de effectenrekening is correct. De resterende effecten zijn in maart 2000 overgeboekt naar het effectendepot van [B] Beheer B.V. en vervolgens verkocht. De opbrengst van de effecten is in de bestaande rekening courant verhouding met mevrouw [eiseres] geboekt. Na deze verkopen bedroeg het rekening courant saldo van mevrouw [eiseres]  126.804. Over deze schuld wordt jaarlijks 5% rente vergoed.”

2.5.

In een brief van 25 januari 2005 van [gedaagde 2] aan WEA (productie E.5) staat onder meer het volgende.

“In vervolg op uw brief van 28 oktober 2004 hebben wij deze week een gesprek gehad met de heer G.J. [gedaagde 2] , 50% aandeelhouder in [B] Beheer B.V.

Hij heeft toegezegd dat de BV op zo kort mogelijke termijn de liquide middelen vrij zal maken welke nodig zijn om de rekening-courantverhouding tussen haar en mevrouw [eiseres] aan te zuiveren. Het bedrag zal vervolgens overgeboekt worden naar de door u in uw brief van 28 oktober 2004 aangegeven bankrekening.

Ter completering van de administratie van mevrouw [eiseres] ontvangt u bijgaand een overzicht van het verloop van de rekening-courant tot en met 31 december 2004.”

2.6.

In een brief van 14 april 2005 van [gedaagde 2] aan WEA (productie G.3) staat onder meer het volgende.

“In genoemde brief van 4 maart jl. verzoekt u aan de aandeelhouders van [B] Beheer B.V. de rekening-courantvordering aan mevrouw [eiseres] uit te betalen. Uit contacten met hen heb ik begrepen dat zij dit niet voornemens zijn alvorens zij inzicht hebben in de ontwikkeling van het fidei vermogen. Zij zijn namelijk de belanghebbenden in het kader van de ontwikkeling van het vermogen.”

2.7.

Bij brief van 17 december 2007 heeft [eiseres] het testamentair bewind per 1 januari 2008 opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [B] Beheer BV c.s. tot betaling van EUR 116.447,16, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[B] Beheer BV c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3.

[B] Beheer BV c.s. vordert samengevat – inzage in c.q. openlegging door [eiseres] aan [gedaagde 2] van alle door haar gehouden administratieve bescheiden die inzicht geven in de ontwikkeling van het fideï-commissair vermogen, het verlenen van beschikking aan [gedaagde 2] over het gehele fideï-commissair vermogen en een verklaring voor recht dat het testamentair bewind niet door opzegging is geëindigd, maar dat daaraan eerst een einde komt als door [eiseres] en [gedaagde 2] binnen een door de rechtbank te bepalen termijn verantwoording is gedaan.

3.4.

[eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[eiseres] vordert betaling van de rekening-courant schuld van [B] Beheer BV aan haar, vermeerderd met rente en kosten. Ter onderbouwing van haar vordering verwijst zij naar het door [gedaagde 2] verstrekte overzicht bij de brief van 25 januari 2005 (zie [2.5]), waaruit blijkt dat het saldo van de rekening-courant schuld per ultimo 2004 EUR 68.855,53 bedroeg. Ten onrechte is volgens [eiseres] in dit overzicht gerekend met een rente van 4% per jaar en niet met de overeengekomen rente van 5% per jaar. Voorts stelt [eiseres] dat op het rekening-courant saldo ten onrechte NLG 50.000,-- in mindering is gebracht in verband met het door haar ontvangen voorschot op haar aandeel in de nalatenschap van erflater, aangezien dit voorschot blijkens het overzicht bij de akte Afgifte legaat/verdeling (zie [2.3]) al is voldaan. Het voorgaande betekent dat de rekening-courantschuld van [B] Beheer BV per ultimo 2004 EUR 99.342,86 bedroeg en per 1 april 2008, als gevolg van rentevermeerdering, EUR 116.447,16, aldus [eiseres] .

4.2.

[B] Beheer BV c.s. heeft ter comparitie erkend dat [B] Beheer BV over de rekening-courantschuld aan [eiseres] een rente verschuldigd is van 5% per jaar. Voorts heeft zij erkend dat het voorschot van NLG 50.000,-- ofwel via de rekening-courant van de vennootschap, ofwel via de verrekening van Kassenaars overbedeling moet lopen. Nu uit de afrekening behorend bij de akte Afgifte legaat/verdeling blijkt dat het voorschot is verrekend bij de notariële afwikkeling van de nalatenschap op 3 september 2001 (zie [2.3]), volgt hieruit dat het voorschot niet op de rekening-courantschuld in mindering gebracht behoort te worden. Aangezien zij de rekening-courantvordering van [eiseres] op [B] Beheer BV overigens niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken zal deze jegens [B] Beheer BV worden toegewezen, met dien verstande dat in plaats van de wettelijke rente de (lagere) overeengekomen rente van 5% wordt toegewezen.

4.3.

Weliswaar heeft [B] Beheer BV c.s. ter comparitie aangevoerd dat zij de juistheid van het overzicht bij de brief van 25 januari 2005 niet kan controleren, omdat zij niet over alle informatie beschikt, maar dat is onvoldoende om de vordering te weerspreken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het overzicht van de rekening-courantverhouding ziet over een periode van vier jaar (2000 tot en met 2004), terwijl niet gebleken is dat in die periode een voorbehoud is gemaakt voor de juistheid van de rekening-courant of dat in verband met die vordering nadere informatie bij [eiseres] is opgevraagd. Ook niet in de brief van 25 januari 2005 (zie [2.5]) en zelfs niet in de conclusie van antwoord wordt namens [B] Beheer BV c.s. een dergelijk voorbehoud gemaakt.

4.4.

Anders dan [B] Beheer BV c.s. heeft aangevoerd kan uit de brief van 14 oktober 2004 (zie [2.4]) niet worden afgeleid dat [gedaagde 2] impliciet is teruggekomen op de brief van 25 januari 2005 omdat hij inzage vraagt in de ontwikkeling van het fideï commissair vermogen. Uit de brief kan immers slechts worden afgeleid dat de vennootschap de rekening-courant schuld niet zal betalen, voordat zij inzicht heeft verkregen in de ontwikkeling van het fideï commissair vermogen. Daarmee wordt alleen teruggekomen op de eerder toezegging dat de rekening-courantschuld op zo kort mogelijke termijn zal worden betaald.

4.5.

Aangezien de vordering jegens [B] Beheer zal worden toegewezen is er geen aanleiding om [B] Beheer BV c.s. te bevelen de jaarstukken van de vennootschap vanaf 1999 tot en met 2007 over te leggen, zoals [eiseres] heeft verzocht.

4.6.

De vordering tot hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 2] voor de rekening-courant schuld van [B] Beheer BV aan [eiseres] zal worden afgewezen. [eiseres] heeft ter comparitie verklaard dat de schade die zij op [gedaagde 2] wil verhalen zich voordoet als [gedaagde 2] Beheer BV de rekening-courant vordering niet zal kunnen betalen. Nu zij evenwel niet heeft gesteld dat [gedaagde 2] Beheer BV niet zal kunnen betalen, heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. Om die reden behoeft de stelling van [eiseres] dat [gedaagde 2] is te kort geschoten in zijn taak als executeur-testamentair en bewindvoerder geen bespreking.

4.7.

Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal [B] Beheer BV worden veroordeeld in de proceskosten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [B] Beheer BV en [gedaagde 2] zijn verschenen bij één advocaat met hetzelfde processtuk. De kosten worden aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op:

- exploot EUR 85,44

- verschotten 2.560,00

- salaris procureur 2.842,00 (2 punten x 1.421,--)

Totaal EUR 5.487,44

in reconventie

4.8.

Aangezien de vorderingen van [B] Beheer BV c.s. alle zien op het fideï-commissair vermogen van [eiseres] en/of op het testamentair bewind dat over het aandeel van [eiseres] in de nalatenschap van erflater is ingesteld en [B] Beheer BV geen verwachtster ten aanzien van het fideï-commissair vermogen is, noch belanghebbende bij het bewind, zal [B] Beheer BV niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen.

4.9.

[gedaagde 2] vordert in de eerste plaats inzage in, casu quo openlegging van alle door [eiseres] gehouden administratieve bescheiden die inzicht geven in de ontwikkeling van het fideï-commissair vermogen. Ter onderbouwing heeft [gedaagde 2] gesteld dat dit nodig is om rekening en verantwoording af te leggen aan belanghebbenden (de rechtbank begrijpt: de verwachters) over het beheer dat over dat vermogen tot op heden werd gevoerd.
Deze vordering wordt bij gebrek aan een deugdelijke grondslag afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.10.

Ingevolge de testamentaire bepalingen ten aanzien van het fideï-commissair vermogen (zie [2.2]) bestaat slechts bij het einde van het bezwaar de verplichting om aan te tonen wat van het fideï-commissair vermogen vervreemd of verteerd is. De verplichting tot rekening en verantwoording aan belanghebbenden volgt, anders dan [gedaagde 2] kennelijk meent, evenmin uit het testamentair bewind dat over het erfdeel van [eiseres] en dus over het fideï-commissair vermogen - is ingesteld. Ingevolge artikel 134 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow NBW) is op het onderhavige bewind afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing, behoudens voor zover bepalingen in de uiterste wil daarvan afwijken. Weliswaar bepaalt artikel 4:161 BW dat de bewindvoerder rekening en verantwoording verschuldigd is aan de rechthebbende en aan degenen in wier belang het bewind is ingesteld, maar die bepaling moet wijken voor de testamentaire bepaling dat de bewindvoerder slechts rekening en verantwoording verschuldigd is aan de rechthebbende en, bij het einde van het bewind aan zijn opvolger. De stelling van [gedaagde 2] dat ook de verwachters van het fideï-commissair vermogen rechthebbenden zijn, vindt geen steun in het recht en ook niet in de testamentaire bepalingen.

4.11.

[gedaagde 2] vordert voorts veroordeling van [eiseres] tot het ter beschikking stellen van het gehele (resterende) fideï-commissair vermogen en ongedaanmaking van het feitelijk beheer door [eiseres] , onder bepaling dat [eiseres] gehouden is daarvan aan de verwachters verantwoording te doen. Gelet op de stellingen van [gedaagde 2] begrijpt de rechtbank deze vordering aldus dat [gedaagde 2] het feitelijk beheer in zijn hoedanigheid van bewindvoerder naar zich toe wil trekken. Ook deze vordering zal bij gebrek aan een deugdelijke grondslag worden afgewezen. Op basis van het testament is [gedaagde 2] immers slechts tezamen met [eiseres] bevoegd tot beheer van en beschikking over de aan het bewind onderworpen goederen.

4.12.

Ten slotte heeft [eiseres] tegen de door [gedaagde 2] gevorderde verklaring voor recht aangevoerd dat zij het bewind bij brief van 17 december 2007 op de voet van artikel 4:180 BW heeft opgezegd. [gedaagde 2] heeft betwist dat aan [eiseres] de bevoegdheid tot opzegging toekwam en daartoe onder meer gesteld dat wat in het testament staat als uitgangspunt dient.

4.13.

Voor de beantwoording van de vraag of [eiseres] bevoegd was het bewind op te zeggen is, gelet op het bepaalde in artikel 134 Ow NBW (zie r.o. [4.10]) van belang of in het testament van erflater is bepaald wanneer het bewind eindigt. In het testament is bepaald dat het bewind eindigt bij het overlijden van [eiseres] . Hieruit volgt dat artikel 4:180 BW, waar [eiseres] haar opzegging op heeft gegrond, niet van toepassing is en dat [eiseres] niet bevoegd was tot opzegging van het bewind. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom in die zin worden toegewezen dat aan het bewindvoerderschap van [gedaagde 2] niet door opzegging door [eiseres] een einde is gekomen. Voor het overige zal de vordering op dit punt worden afgewezen. De bepalingen van het testament noch de wet geven immers grond voor beëindiging van het bewind als gevolg van verantwoording door de rechthebbende en de bewindvoerder binnen een door de rechtbank te bepalen termijn.

4.14.

Aangezien partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten tussen hen zo worden gecompenseerd dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [B] Beheer BV om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen EUR 116.447,16 (zegge: éénhonderdzestienduizend vierhonderd zevenenveertig euro zestien eurocent), te vermeerderden met de overeengekomen rente van 5% vanaf 1 april 2008 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [B] beheer BV in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op EUR 5.487,44,

5.3.

veroordeelt [B] Beheer BV tevens in de nakosten, aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 131,-- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,-- voor nasalaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,

5.4.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

5.6.

verklaart [B] beheer B.V. niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

5.7.

verklaart voor recht dat aan het bewindvoerderschap van [gedaagde 2] niet door de opzegging door [eiseres] per 17 december 2007 een einde is gekomen,

5.8.

compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat ieder van hen de eigen kosten draagt,

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2009.735