Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ6923

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
149131 - HA ZA 08-1060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht bank

Op een bankinstelling rust een bijzondere zorgplicht die voortvloeit uit haar maatschappelijke functie en het vertrouwen dat deelnemers aan het betalingsverkeer daardoor in de bank stellen. Uit hoofde van deze zorgplicht wordt de bank onder meer geacht de informatie geadministreerd te hebben omtrent de aanvraag van een (nieuwe) bankpas waarmee beschikt kan worden over de bankrekening van een cliënt. Gelet hierop kan de bank ter weerlegging van de stelling van eiser dat de bank zonder zijn toestemming een bankpas voor zijn (zakelijke) bankrekening heeft verstrekt aan zijn partner niet volstaan met een enkele betwisting bij gebrek aan wetenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149131 / HA ZA 08-1060

Vonnis van 22 juli 2009

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Beverwijk,

eiser,

advocaat mr. H.C. van den Akker,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK IJMOND NOORD U.A.,

gevestigd te Beverwijk,

gedaagde,

advocaat mr. G.P. Poiesz.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Rabobank genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 maart 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 8 mei 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] exploiteert sinds 1 mei 1980 zelfstandig een schildersbedrijf. Ten behoeve van deze onderneming heeft [eiser] bij de de Rabobank een zakelijke bankrekening, type rekening-courant, met rekeningnummer 1073.81.400 (nader: de bankrekening), geopend.

2.2. Op de overeenkomst tussen partijen zijn de Algemene Bankvoorwaarden van de Rabobank (nader: de AB) van toepassing, hierin is - voor zover relevant - het volgende bepaald:

“(…)

2 Zorgplicht van de bank

De bank dient bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen. Zij zal daarbij naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening houden (…)

(…)

8 Wijzigingen in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de cliënt

Wanneer de cliënt aan iemand vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft toegekend, is hij verplicht, ongeacht inschrijving in de openbare registers, een wijziging of intrekking van die bevoegdheid schriftelijk aan de bank mee te delen, bij gebreke waarvan die wijziging of intrekking van die bevoegdheid niet aan de bank kan worden tegengeworpen.

(…)

10 Uitvoering betalingsopdrachten

De bank staat in voor de juiste uitvoering binnen een redelijke termijn van correct gegeven opdrachten tot overboeking van eurobedragen (…)

Tekortkomingen in de uitvoering van dergelijke betaalopdrachten verplichten de bank om aan de cliënt de daardoor geleden schade te vergoeden zulks tot een maximum van tweehonderdvijfentwintig euro per opdracht, onverminderd het bepaalde in de tweede alinea van artikel 31 en onverminderd de verplichting van de bank om - behoudens andersluidende afspraken - er zorg voor te dragen dat die betaalopdrachten alsnog juist en zonder verdere kosten worden uitgevoerd. De bank zal op vorenbedoeld maximum van tweehonderdvijfentwintig euro geen beroep doen, indien de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval meebrengen dat dit beroep buiten toepassing dient te blijven (…)

(…)

14 Verlies etc. van formulieren

De cliënt dient de door de bank aan hem ter beschikking gestelde formulieren, informatiedragers en communicatiemiddelen zorgvuldig te bewaren en te behandelen.

Indien de cliënt enige onregelmatigheden zoals verlies, diefstal of misbruik met betrekking tot die formulieren, informatiedragers of communicatiemiddelen constateert, dient hij daarvan terstond mededeling te doen aan de bank. Tot het moment waarop de bank deze mededeling ontvangt, zijn de gevolgen van het gebruik van die formulieren, informatiedragers of communicatiemiddelen voor rekening en risico van de cliënt, tenzij de cliënt aantoont dat de bank schuld te verwijten is. Daarna zijn die gevolgen voor rekening en risico van de bank, tezij de bank aantoont dat de cliënt opzet of grove schuld te verwijten is.

Een mededeling inzake enige onregelmatigheid dient schriftelijk door de cliënt aan de bank te worden bevestigd (…)

(…)

31 Aansprakelijkheid van de bank

De bank is aansprakelijk indien een tekortkoming in de nakoming van een verplichting jegens de cliënt te wijten is aan haar schuld of krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt, onverminderd het elders in de deze Algemene Voorwaarden bepaalde (…)

(…)”.

2.3. In de Algemene Voorwaarden voor rekening-couranthouders van de Rabobank 2004 (nader: de AV), is - voor zover relevant - het volgende bepaald:

“(…)

7 Beschikken over de rekening

(…)

c Een rekeninghouder is verantwoordelijk voor (het gebruik van) de hem door de bank ter beschikking gestelde formulieren, passen, codes, hulpmiddelen, programmatuur en andere bescheiden;

(…)”.

2.4. In de Algemene voorwaarden bankpas van de Rabobank 2002 (nader: de AVB) is - voor zover relevant - het volgende bepaald:

“(…)

11 Aansprakelijkheid van de rekeninghouder

Iedere rekeninghouder is in de onderstaande gevallen - hoofdelijk - aansprakelijk voor (de gevolgen van) ieder gebruik van een bankpas, ook na het ontstaan van een verplichting tot inlevering of vernietiging van de betreffende bankpas.

a. Een rekeninghouder is volledig aansprakelijk in geval van opzet, grove schuld of grove nalatigheid aan de zijde van een van de rekeninghouders of de gevolmachtigde, een en ander onverminderd de verplichting van de bank om (het ontstaan van) schade te beperken.

b. Een rekeninghouder is daarnaast tot een totaalbedrag van honderdvijftig euro (EUR 150) per bankpas aansprakelijk voor de gevolgen van ieder onbevoegd gebruik vóór het moment van melding door de betreffende kaarthouder van (een vermoeden van) verlies, diefstal, misbruik of vervalsing van zijn bankpas of van de wetenschap of het vermoeden dat de bij zijn bankpas behorende pincode aan derden bekend is.

c. De in lid b. bedoelde aansprakelijkheid wordt verhoogd:

• Indien de bank kan aantonen dat de betreffende kaarthouder een dergelijk incident niet onverwijld na het constateren daarvan heeft gemeld bij het door de bank aangegeven meldpunt, en wel met het bedrag van de onbevoegde transactie(s) die plaatsvindt/plaatsvinden vanaf dat tijdstip tot het moment van melding;

• (…)

• Met het bedrag van de onbevoegde transactie(s) die plaatsvindt/plaatsvinden vanaf het tijdstip gelegen drie werkdagen na de productiedatum bij de bank van het rekeningafschrift of ander overzicht waarop voor het eerst een onbevoegde transactie wordt vermeld, tot het moment van melding.

(…)”.

2.5. Sinds 17 juni 2004 woonde [eiser] samen met [A] en voerden zij een gemeenschappelijke huishouding. Inmiddels is de relatie tussen [eiser] en [A] verbroken en is aan de gemeenschappelijke huishouding een eind gekomen.

2.6. Over de periode van 3 mei 2006 tot en met 23 juli 2006 is een totaalbedrag van

€ 34.572,73 opgenomen van de bankrekening met gebruikmaking van een bankpas met nummer 005.

2.7. [A] heeft de de Rabobank een brief, d.d. 6 augustus 2006, verzonden waarin - voor zover relevant - het volgende staat:

“(…)Door verschillende omstandigheden ben ik enige tijd geleden in een psychische crisis beland waardoor ik niet bij mijn volle verstand bepaalde zaken ben gaan ondernemen. Ik zelf ben persoonlijk geen klant bij de Rabobank, mijn vriend met wie ik inmiddels twee jaar samenwoon is klant bij het zakencentrum te Beverwijk. In mei van dit jaar heb ik een overschrijvingsformulier van mijn vriend binnen in het zakencentrum afgegeven, ik heb toen gevraagd of ik ook gemachtigd kon worden van de zakelijke rekening van mijn partner, degene die ik heb gesproken zei dat dit geen bezwaar was, er zouden formulieren worden opgestuurd die mijn partner moest tekenen en tevens vroeg ze alvast een kopie van mijn legitimatiebewijs. Maar wat schetste mijn verbazing anderhalve week later werd er een bankpas bezorgd met mijn naam en die van mijn partner erop, zonder dat er ook maar ergens voor getekend was. In mijn labiele toestand ben ik deze pas gaan gebruiken en heb hiermee veel geld opgenomen, ik vraag mij toch af hoe het mogelijk is dat er zo gauw een bankpas wordt afgegeven dit kan toch normaal gesproken niet zo makkelijk gebeuren. Ik wil de Rabobank echt niet de schuld geven aangezien ik zelf fout ben geweest maar ik wil jullie er toch voor waarschuwen dat dit soort zaken toch niet zo makkelijk mogen plaatsvinden.

Door deze kwestie is mijn partner in de rode cijfers beland, hij heeft zijn best gedaan om alles te beveiligen maar hier kan hij ook niet tegen op. Kan de bank misschien iets voor hem betekenen als de liquide middelen niet meer toelaatbaar zijn om de rekeningen te betalen. Mijn vriend [eiser] (schildersbedrijf) heeft niet eerder kunnen ingrijpen aangezien ik zijn bankafschriften achterhield (…)”.

2.8. De afdeling juridische zaken van Ondernemersorganisatie schilders-, onderhouds-, metaalconserverings-, en glasbranche (OSAG) heeft de Rabobank een brief, d.d. 21 december 2006, verzonden waarin - voor zover relevant - het volgende staat:

“(…) Tot ons wendde zich ons lid [eiser] Schildersbedrijf met het verzoek zijn belangen te behartigen inzake de aansprakelijkstelling voor door hem geleden financiële schade (…)

Graag verneem ik per omgaande dat u de aansprakelijkheid aanvaardt. Voorts verzoek ik u mij mede te delen wat de procedure is ten aanzien van het verstrekken van een pinpas en hoe uw bank in het geval van mevrouw [A] heeft gehandeld.(…)

Deze brief dient tevens nadrukkelijk te worden beschouwd ter stuiting van eventuele verjaringstermijnen, zoals onder andere voortkomend uit de door u gehanteerde Algemene Bankvoorwaarden (…)”.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- de Rabobank veroordeelt tot betaling van € 45.477,00 vermeerderd met de wettelijke rente over € 35.365,77 vanaf 27 augustus 2008, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

- alsmede de Rabobank veroordeelt in de proceskosten.

3.2. [eiser] heeft primair aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Rabobank in strijd met de artikelen 2, 8, 10, 14 en 31 van de AB heeft gehandeld door aan [A] de bankpas met nummer 005 (nader: de bankpas) te verstrekken zonder te verifiëren of zij daartoe gevolmacht of beschikkingsbevoegd was. Subsidiair legt [eiser] aan zijn vordering ten grondslag dat de Rabobank hierdoor onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld omdat van een bank ook in het algemeen mag worden verlangd, dat zij alles doet en nalaat zoals het haar in het maatschappelijk verkeer betaamt. [A] heeft met de bankpas voor een totaalbedrag van € 34.572,73 opgenomen aan gelden van de bankrekening van [eiser]. De Rabobank is op grond hiervan aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade.

3.3. De Rabobank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [A] ten aanzien van de aanvraag van een bankpas voor de bankrekening van [eiser] niet bevoegd was en dat de Rabobank haar dus niet zonder medewerking van [eiser] een bankpas voor die bankrekening mocht verstrekken. Evenmin is in geschil dat met de bankpas een bedrag van € 34.572,73 is opgenomen van de bankrekening. Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of de Rabobank de bankpas aan [A] verstrekt heeft. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] onder meer de onder 2.7 aangehaalde brief van [A] overgelegd, waarin deze verklaart dat zij van de Rabobank een bankpas op haar naam en die van [eiser] heeft ontvangen, zonder dat [eiser] daarvoor heeft getekend. De Rabobank voert aan dat op grond van artikel 7c van de AV [eiser] verantwoordelijk is voor de hem ter beschikking gestelde passen en betwist bij gebrek aan wetenschap dat zij een bankpas aan [A] heeft verstrekt. Ter comparitie heeft de Rabobank desgevraagd verklaard dat zij niet over bankadministratie beschikt die betrekking heeft op het verstrekken van de bankpas. Ook is een aanvraagformulier voor een extra bankpas voor de bankrekening van [eiser] niet voorhanden.

4.2. Voorop wordt gesteld dat nu [eiser] zich beroept op het rechtsgevolg (schadevergoeding) van de aan zijn vordering ten grondslag liggende stelling dat de Rabobank de bankpas aan [A] heeft verstrekt, bij voldoende betwisting ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv in beginsel op hem de last rust dit te bewijzen.

De rechtbank is echter in dit geval van oordeel dat de Rabobank de stelling van [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Rabobank een bijzondere zorgplicht heeft die voortvloeit uit haar maatschappelijke functie en het vertrouwen dat deelnemers aan het betalingsverkeer daardoor in de bank stellen. Uit hoofde van deze zorgplicht wordt de Rabobank onder meer geacht de informatie geadministreerd te hebben omtrent de aanvraag van een (nieuwe) bankpas waarmee beschikt kan worden over de bankrekening van een cliënt. Gelet hierop kan de Rabobank ter weerlegging van de stelling van [eiser] niet volstaan met een enkele betwisting bij gebrek aan wetenschap.

4.3. Vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat als onvoldoende gemotiveerd betwist als vaststaand dient te worden aangenomen dat de Rabobank de bankpas aan [A] heeft verstrekt en dat zij daarmee tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens [eiser] die voortvloeit uit artikel 2 van de AB. Ingevolge artikel 31 van de AB is de Rabobank daarom in beginsel aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. Aangezien de bankpas niet aan [eiser] is verstrekt kan het beroep op artikel 7c van de AV de Rabobank niet baten.

4.4. De Rabobank betwist evenwel aansprakelijk te zijn voor het totale bedrag dat uit de schending van de zorgplicht voortvloeit nu [eiser] niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Wanneer [eiser] de hem toegezonden bankrekeningafschriften had geverifieerd of via internet zijn bankrekening had gecontroleerd, dan zou hij op de hoogte zijn geweest van het feit dat de bedragen van zijn rekening waren opgenomen. Nu hij dit heeft nagelaten is hem grove nalatigheid te verwijten en komt hem op grond van artikel 11 van de ABV geen recht op vergoeding toe.

4.5. Het beroep van de Rabobank op artikel 11 van de ABV treft geen doel. Daarvoor is het volgende redengevend. Nu artikel 11 sub b en artikel 11 sub c van de ABV betrekking hebben op een bankpas die toebehoort aan de rekeninghouder en in dit geval is komen vast te staan dat de Rabobank de onderhavige bankpas - mede op naam van [A] gesteld - heeft verstrekt aan [A], behoort de bankpas niet aan [eiser] toe. Voornoemde artikelen zijn derhalve niet van toepassing op de onderhavige bankpas. Het feit dat [A] met de bankpas toegang had tot de bankrekening van [eiser] doet hier niet aan af. Tevens faalt het beroep op artikel 11 sub a van de ABV. Hiertoe wordt overwogen dat [eiser] weliswaar de schade had kunnen beperken door de rekeningafschriften gedurende de periode van 8 mei 2006 tot 25 juli 2006 te controleren. Echter, de rechtbank acht deze periode waarin [eiser] heeft nagelaten de bankafschriften te controleren niet zodanig lang dat hem grove nalatigheid kan worden aangerekend. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat als onweersproken vaststaat dat [A] de bankafschriften heeft achtergehouden.

4.6. Voorts dient de vraag te worden beantwoord hoe hoog het schadebedrag is dat door de Rabobank vergoed dient te worden. Allereerst overweegt de rechtbank ten aanzien van de vier overschrijvingen ad € 3.000,00, € 2.500,00, € 4.000,00 en € 4.000,00 als volgt. [eiser] vordert blijkens zijn stellingen terugbetaling van de bedragen die [A] met de bankpas heeft opgenomen in de vorm van kasgeldopnamen en pinbetalingen aan derden. Nu voornoemde overschrijvingen hier niet onder vallen en deze bovendien niet door een bankpas maar door middel van overschrijvingsformulieren worden bewerkstelligd, zal de vordering voor zover deze ziet op de overschrijvingen als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.7. De Rabobank heeft aangevoerd dat uit de aard van de betalingen die aan o.a. de Vomar, Scheer en Foppen, Dekamarkt, Woonformule, Leen Bakker, Praxis, De Block, Action, C&A zijn gedaan volgt dat het gaat om bestedingen die verband houden met het levensonderhoud. In totaal vordert [eiser] een bedrag van € 24.849,20 op dit onderdeel. [eiser] heeft voordeel gehad van deze met de bankpas betaalde goederen waardoor die bedragen niet als schade kunnen worden aangemerkt, aldus nog steeds de Rabobank. [eiser] betwist dat de bedragen ten behoeve van de huishouding zijn uitgegeven. Hij stelt dat [A] deze heeft aangewend ten behoeve van het onderhoud van eigen familieleden. Bovendien zou het gaan om bedrag van maximaal € 5.380,99. [eiser] heeft daarnaast ter comparitie verklaard dat hij waarschijnlijk wel voordeel heeft gehad van de bedragen van de supermarkten, maar dat hij vermoed dat [A] daarbij ook extra geld opnam. De rechtbank overweegt allereerst dat blijkens het door [eiser] overgelegde overzicht (productie 14 dagvaarding) blijkt dat een bedrag van € 5.380,99 ziet op pinbetalingen ten behoeve van het levensonderhoud. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is onduidelijk waar de Rabobank het bedrag van € 24.849,20 op gebaseerd heeft, zodat wordt uitgegaan van een bedrag van € 5.380,99. Nu [eiser] voorts onvoldoende gemotiveerd gesteld heeft dat deze bedragen zijn uitgegeven ten behoeve van de familie van [A] en dat [A] in de supermarkt extra geld opnam, zal de vordering, voorzover deze ziet op kosten voor levensonderhoud ad

€ 5.380,99, worden afgewezen.

4.8. Nu vaststaat dat [A] een bedrag van € 34.572,73 heeft opgenomen van de bankrekening, leidt vorenoverwogene tot de conclusie dat zal worden toegewezen een bedrag van € 34.572,73 - € 5.380,99 - € 3.000,00 - € 2.500,00 - € 4.000,00 - € 4.000,00 =

€ 15.691,74.

4.9. Tenslotte heeft [eiser] gesteld dat hij schade heeft geleden omdat hij als gevolg van het door [A] opgenomen geld in ernstige financiële problemen is komen te verkeren. In verband hiermee heeft hij twee levensverzekeringen vervroegd moeten afkopen, waardoor hij € 793,04 schade heeft geleden. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij drie brieven overgelegd (productie 10 dagvaarding). De Rabobank heeft ter comparitie betwist dat de afkoop van de levensverzekeringen noodzakelijk was. Overwogen wordt dat de enkele uitlating van de Rabobank dat [eiser] bij de Rabobank nog een kredietfaciliteit had onvoldoende is om de gestelde schade te weerspreken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat aan het benutten van een kredietfaciliteit in de regel ook kosten verbonden zijn, terwijl [eiser] voor de afkoop van de levensverzekeringen geen nieuwe schuld behoefde aan te gaan. Het verweer van de Rabobank wordt derhalve als onvoldoende onderbouwd verworpen. Het bedrag van € 793,04 zal daarom worden toegewezen.

4.10. Nu niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat ten behoeve van [eiser] werkzaamheden zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen dan is aanbevolen in het rapport Voor-werk II, zal de gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassowerkzaamheden ambtshalve worden gematigd tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, zijnde € 1.788,00.

4.11. De gevorderde wettelijke rente wordt als onvoldoende weersproken over het toe te wijzen deel van de gevorderde schade toegewezen vanaf 5 november 2006.

4.12. De Rabobank zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 71,80

- vast recht 345,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.204,80

4.13. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van 8 mei 2009 is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen als gevolg van herverdeling van werkzaamheden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt de Rabobank om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 18.272,78 (achttienduizend tweehonderdtweeënzeventig euro en achtenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel over € 16.484,78 vanaf 5 november 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt de Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.204,80,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2009.?