Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ6794

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
03-09-2009
Zaaknummer
16216 - HA ZA 95-507
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing Maclou-norm op het handelen van bewindvoerders in surseance. Eiseres heeft impliciet ingestemd met de handelwijze van de bewindvoerders om de ingekomen gelden volledig te voldoen aan de kwekers zonder de daarin begrepen vakheffingen uit te betalen aan of te reserveren voor eiseres. Mede gelet op het feit dat bewindvoerders een zekere mate van beleidsvrijheid hebben om hun taak naar behoren te kunnen uitoefenen en beslissingen te kunnen nemen, kan niet worden geoordeeld dat de bewindvoerders in dit geval niet hebben gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende bewindvoerder die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2009/339
JIN 2009/714
RI 2010, 8

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 16216 / HA ZA 95-507

Vonnis van 1 juli 2009

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PRODUKTSCHAP VOOR SIERGEWASSEN,

zetelend te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. L. Koning,

tegen

1. MR. ROCCO MULDER,

in zijn hoedanigheid van (opvolgend) curator in het faillissement van A.B.M. In- en Verkoopbureau B.V., in welke hoedanigheid gedaagden sub 2 en 3 voorheen zijn opgetreden en gedagvaard,

kantoorhoudende te Haarlem,

2. MR. PAULUS HEIDINGA,

wonende te Heemskerk,

2. MR. DRS. JELLE VAN DER HAVEN,

wonende te Haarlem,

gedaagden,

advocaat mr. M. Middeldorp.

Partijen zullen hierna afzonderlijk PVS, mrs. Mulder, Heidinga en Van der Haven worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk Heidinga c.s. worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 februari 1995

- de conclusie van eis, met bewijsstukken,

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- de conclusie van repliek, met bewijsstukken,

- de conclusie van dupliek, met bewijsstukken

- de nadere conclusie aan de zijde van PVS,

- de nadere conclusie aan de zijde van Heidinga c.s.,

- het pleidooi dat op 15 mei 2009 is gehouden en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken,

- het proces-verbaal van het pleidooi.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. PVS is een publiekrechtelijke rechtspersoon, ingesteld bij de Instellingswet Productschap voor Siergewassen. Ingevolge die wet en de Wet op de bedrijfsorganisatie heeft PVS op 17 juni 1980 twee verordeningen vastgesteld, te weten de Verordening PVS Vakheffing Bloembollen Leverbaar (hierna: Verordening Leverbaar) en de Verordening PVS Vakheffing Bloembollen Plantgoed (hierna: Verordening Plantgoed). Op 9 oktober 1990 heeft PVS de Verordening PVS Surplusheffing Bloembollen Oogst 1990 (hierna: Verordening Surplusheffing) vastgesteld.

2.2. Artikel 4 leden 1 en 2 van de Verordening Leverbaar luiden als volgt:

1. Een ieder, die bloembollen leverbaar verkoopt of heeft verkocht door tussenkomst van een veiling, is aan het PVS een heffing verschuldigd over iedere levering van deze produkten ter grootte van 2,1% van het verkoopfactuurbedrag.

2. De in het eerste lid bedoelde heffing dient per de in het “Handelsreglement voor de Bloembollenhandel” vastgestelde betaaldata door de verkoper te worden betaald aan de desbetreffende veiling, die daartoe namens het PVS het betrokken heffingsbedrag inhoudt op de aan de verkoper toekomende koopsom en de aldus geincasseerde heffing rechtstreeks aan het PVS overmaakt; door deze betaling voldoet de verkoper aan de heffingsplicht, als bedoeld in het eerste lid.

3. Het bepaalde in het tweede lid laat onverlet de bevoegdheid van het PVS om in voorkomende gevallen zelf tot oplegging en invordering van de ingevolge het eerste lid verschuldigde heffing over te gaan.

2.3. Artikel 5 leden 1 en 2 van de Verordening Leverbaar luiden als volgt:

1. Een ieder, niet handelskaarthouder zijnde, die bloembollen leverbaar koopt of heeft gekocht door tussenkomst van een veiling is aan het PVS een heffing verschuldigd ter grootte van 2,1% van het inkoopfactuurbedrag.

2. De in het eerste lid bedoelde heffing dient per de in het “Handelsreglement voor de Bloembollenhandel” vastgestelde betaaldata door de koper te worden betaald aan de desbetreffende veiling, die daartoe namens het PVS de koper het betrokken heffingsbedrag in rekening brengt en de aldus geïncasseerde heffing rechtstreeks aan het PVS overmaakt; door deze betaling voldoet de koper aan de heffingsplicht, als bedoeld in het eerste lid.

2.4. De Verordeningen Plantgoed en Surplusheffing bevatten een gelijksoortige regeling ten aanzien van respectievelijk bloembollen plantgoed en bollen van hyacinten.

2.5. De besloten vennootschap A.B.M. In- en Verkoopbureau B.V., gevestigd te Lisse (hierna: ABM) is ingevolge artikel 1 van de onderscheiden Verordeningen als veiling in de zin van de Verordeningen aangemerkt.

2.6. Op 24 oktober 1990 heeft deze rechtbank aan ABM voorlopige surseance van betaling verleend met aanstelling van mrs. Heidinga en Van der Haven als bewindvoerders. Op 20 november 1990 heeft deze rechtbank de voorlopige surseance ingetrokken en ABM in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mrs. Heidinga en Van der Haven tot curatoren.

2.7. De activiteiten van ABM bestaan uit het verlenen van tussenkomst en bemiddeling bij de totstandkoming en de uitvoering van onderhandse overeenkomsten van koop en verkoop tussen kwekers van bloembollen en hun afnemers (kopers). ABM maakt van de koopovereenkomst een onderhandse akte op. In de afgesproken leveringsperiode leveren de kwekers de verkochte bollen rechtstreeks, zonder tussenkomst van ABM, aan de kopers. De betaling vindt later plaats via ABM. Op de betalingsdatum, de zogenaamde valutadatum, betaalt de koper de overeengekomen koopprijs, vermeerderd met onder meer de door hem te betalen vakheffing en provisie voor ABM, aan ABM. Zij betaalt de koopprijs vervolgens, onder inhouding van de door de kweker verschuldigde vakheffing en provisie, door aan de kweker.

2.8. PVS en ABM hebben een overeenkomst gesloten betreffende incasso en afdracht vakheffing bloembollen en een overeenkomst betreffende incasso en afdracht surplusheffing en heffing ziektebestrijding. In die overeenkomsten is bepaald dat ABM aan PVS overzichten zal verstrekken van kopers en verkopers en de aan hen opgelegde (surplus)heffingen en dat ABM 90% van het bedrag van de te incasseren (surplus)heffing aan PVS zal voldoen volgens een door PVS voorgestelde afdrachtspecificatie. Beide overeenkomsten zijn in 1986 in werking getreden.

2.9. ABM heeft met de valutadatum 1 november 1990 samenhangende koopsommen, inclusief de verschuldigde vakheffingen, van de kopers ontvangen op een aparte rekening (hierna ook: de derdenrekening) die daartoe met medeweten van de rechter-commissaris door mrs. Heidinga en Van der Haven als bewindvoerders was geopend.

2.10. Op 15 november 1990 heeft Cebeco Handelsraad B.A. (hierna: Cebeco) de activiteiten van ABM per 1 december 1990 overgenomen.

2.11. De vorderingen van de kwekers die verband hielden met de valutadatum 1 november 1990 op ABM zijn volledig voldaan.

2.12. In het kader van het door hen te voeren verweer in de onderhavige procedure hebben mrs. Heidinga en Van der Haven op 10 januari 1996 deze rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te houden. Bij beschikking d.d. 14 maart 1996 (zaaknummer 23812 / HA RK 96-4) heeft de rechtbank dat verzoek toegewezen.

Uit het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor d.d. 4 oktober 1996 blijkt dat de rechter-commissaris als getuigen gehoord heeft mrs. Heidinga en Van der Haven en [A], directeur van Cebeco.

Uit het proces-verbaal van voorlopig tegen-getuigenverhoor d.d. 3 oktober 1997 blijkt dat de rechter-commissaris als getuigen heeft gehoord [B] van 1978 tot en met 1990 voorzitter van PVS, en [C] vanaf 1987 of 1988 secretaris van het Productschap Tuinbouw, de rechtsopvolger van PVS.

3. Het geschil

3.1. PVS vordert samengevat

1. veroordeling van Heidinga c.s. tot betaling van € 867.638,44 (fl.1.912.023,54), vermeerderd met rente;

2. te verklaren voor recht dat Heidinga c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens PVS, door in de ten processe gebleken omstandigheden niet ervoor zorg te dragen dat PVS de hem toekomende bedragen aan vakheffing en surplusheffing, verschuldigd in verband met de op de valutadatum 1 november 1990 door bemiddeling en/of tussenkomst van ABM verrichte transacties, ook daadwerkelijk heeft ontvangen;

3. te verklaren voor recht dat Heidinga c.s. (in privé) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van dat gedeelte van het sub 1 van het petitum gevorderde bedrag, dat niet uit de boedel van ABM aan PVS zal worden voldaan;

4. hoofdelijke veroordeling van Heidinga c.s. (in privé) om aan PVS te voldoen dat gedeelte van het onder 1. gevorderde bedrag dat niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis uit de boedel van ABM aan PVS zal zijn voldaan;

5. alles met veroordeling van Heidinga c.s. in de proceskosten.

3.2. Heidinga c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Vordering sub 1

4.1. PVS heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat ABM de met de valutadatum 1 november 1990 samenhangende bedragen aan vakheffing wel heeft ontvangen, maar deze bedragen niet aan PVS heeft doorbetaald, hoewel ABM daartoe op grond van de Verordeningen en de Overeenkomsten wel verplicht was.

4.2. Vast staat dat ABM op grond van de hiervoor onder 2.8 genoemde overeenkomsten tussen PVS en ABM, gehouden was de door haar ontvangen vakheffingen af te dragen aan PVS en dat zulks niet is gebeurd voor zover het betreft de door ABM ontvangen vakheffingen over de valutadatum 1 november 1990. Tussen partijen is niet in geschil dat PVS in zoverre een vordering heeft op ABM, althans op de curator, die is ontstaan ten tijde van de surseance van betaling van ABM en dat deze vordering op dat moment een boedelschuld was. Evenmin is in geschil dat deze vordering thans eveneens de status van boedelschuld heeft in het nog voortdurende faillissement van ABM. De huidige curator van ABM, mr. Mulder, heeft echter onweersproken aangevoerd dat de boedel van ABM niet toereikend is om de gehele vordering te voldoen. Om die reden zal deze vordering worden toegewezen voor zover de boedel toereikend zal blijken te zijn, als na te melden.

4.3. Ten aanzien van de gevorderde rente heeft te gelden dat de curator van ABM nog niet in verzuim is met de betaling van de vordering, omdat in dit geval sprake is van een negatieve boedel en dat als gevolg daarvan deze boedelschuld pas betaald behoeft te worden als de afwikkeling van het faillissement kan worden afgerond, welk moment bereikt zal worden zodra de onderhavige procedure definitief is beëindigd. Aldus zal eerst vanaf het moment dat de slotuitdelingslijst in het faillissement definitief is vastgesteld rente verschuldigd zijn. Aangezien dat moment in de toekomst ligt en er thans nog geen rente verschuldigd is, zal de vordering in zoverre worden afgewezen.

Vorderingen sub 2, 3 en 4

4.4. PVS heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat mrs. Heidinga en Van der Haven als bewindvoerders in de voorlopige surseance van betaling van ABM de heffingen ter zake van de valutadatum 1 november 1990 aan PVS onbetaald hebben gelaten en dat de bewindvoerders deze heffingen hadden moeten reserveren ter uitbetaling aan PVS in plaats van deze aan te wenden voor andere doeleinden. Deze handelwijze is onrechtmatig en de bewindvoerders zijn dan ook persoonlijk aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door PVS geleden schade, aldus PVS.

4.5. Het primaire verweer van Heidinga c.s. dat het gevorderde sub 3 en 4 moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen, omdat het petitum uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat mrs. Heidinga en Van der Haven als privé-persoon gehandeld hebben, wordt verworpen. Hoewel juist is dat in het petitum wordt gesproken over mrs. Heidinga en Van der Haven in privé, blijkt uit de onderbouwing van die vorderingen in het lichaam van de dagvaarding en uit hetgeen PVS daaromtrent overigens heeft aangevoerd dat PVS heeft bedoeld mrs. Heidinga en Van der Haven aan te spreken naar aanleiding van hun werkzaamheden als bewindvoerders c.q. curatoren en niet als privépersoon. De eerste zin van 4.1 van de dagvaarding luidt immers: PVS heeft moeten constateren dat gedaagden in hun bovenvermelde hoedanigheden de ontvangen vakheffing niet hebben gereserveerd ter uitbetaling aan PVS. Er bestaat dan ook geen grond om PVS in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

4.6. Subsidiair hebben mrs. Heidinga en Van der Haven het verweer gevoerd dat er geen sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid voor handelingen die zij in hun hoedanigheid van bewindvoerders en later curatoren van ABM hebben verricht. Volgens mrs. Heidinga en Van der Haven heeft PVS er (impliciet) mee ingestemd dat de bedragen die in het kader van de valutadatum 1 november 1990 door ABM zijn ontvangen integraal zijn gebruikt om de kwekers te voldoen zonder afdracht van de in die bedragen begrepen heffingen aan PVS, aangezien niet alle kopers hadden betaald.

4.7. Het toetsingskader voor de vraag of curatoren persoonlijk aansprakelijk zijn voor de handelingen die zij in die hoedanigheid hebben verricht, is door de Hoge Raad gegeven in zijn arrest d.d. 19 april 1996 (NJ 1996/727), de zogenaamde Maclou-norm. Ingevolge deze norm behoort een curator te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzicht verricht. Voor de beoordeling van de handelingen van een curator is volgens de Hoge Raad verder van belang dat een curator bij de uitoefening van zijn taak uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen moet behartigen en bij het nemen van zijn beslissingen óók rekening mag houden met belangen van maatschappelijke aard.

De Maclou-norm is ook van toepassing op het handelen van bewindvoerders in surseance.

4.8. Aldus dient de vraag te worden beantwoord of de bewindvoerders onrechtmatig hebben gehandeld door de ingekomen gelden van de valutadatum 1 november 1990 volledig te voldoen aan de kwekers zonder de daarin begrepen heffingen uit te betalen aan dan wel te reserveren voor PVS.

4.9. PVS betwist dat zij met de bewindvoerders is overeengekomen dat deze de aan PVS toekomende gelden mochten aanwenden om verkopers te betalen althans dat PVS het gehele debiteurenrisico op zich zou nemen. Nu mrs. Heidinga en Van der Haven betogen dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen, omdat PVS met hun handelwijze heeft ingestemd ligt de bewijslast van die stelling bij hen.

4.10. Voor zover van belang heeft mr. Heidinga bij het voorlopig getuigenverhoor onder meer als volgt verklaard:

[…] Op de dag van of daags na de benoeming van Mr van der Haven en mij tot bewindvoerder vond een bespreking te mijnen kantore plaats met de directie van A.B.M. en de voorzitter en de secretaris van P.V.S., te weten de heren [B] en [C]. In dat gesprek hebben laatstgenoemde heren bij ons, bewindvoerders, er op aangedrongen de november-valuta te laten doorgaan. Zij maakten ons duidelijk dat, indien de november-valuta niet zou worden afgewikkeld vele kwekers in de-confiture zouden geraken, een chaos zou ontstaan omdat tal van kwekers en kopers ontbinding van de koopovereenkomsten zouden inroepen en het vertrouwen in het systeem van bemiddeling door in- en verkoopbureau’s verloren zou gaan, hetgeen een ramp voor de branche zou betekenen.

[…]

Van de administrateur van A.B.M. begrepen mr van der Haven en ik dat na afloop van een valuta-datum altijd nog koopsommen tot een bedrag van ongeveer 3 miljoen gulden binnen kwamen; Cebeco was bereid aan de sursiet het ontbrekende bedrag van 1,2 miljoen gulden te lenen en dit aanbod hebben wij aanvaard, omdat wij er op rekenden dat wij aldus over voldoende gelden zouden beschikken om alle kwekers de netto-bedragen te voldoen die hun toekwamen en de nodige heffingen aan P.V.S. af te dragen en de lening uit de nagekomen koopsommen terug te betalen. Nadat mr van der Haven en ik dit besluit hadden genomen heb ik, ik meen op 16 november 1990, de heer [C] telefonisch medegedeeld dat de kwekers toch voor 100% konden worden betaald. [C] was daarover zeer verheugd. Ik heb hem er bij gezegd dat er echter geen geld was om P.V.S. te betalen. Ik meen dat ik ook nog aan hem heb gezegd dat ik verwachtte te zijner tijd uit de nagekomen koopsommen ook die heffingen te kunnen voldoen, maar dat ik dit laatste natuurlijk niet kon beloven. Over dit laatste punt was [C] uiteraard niet verheugd, maar hij heeft het voor kennisgeving aangenomen.

[…]

4.11. Voor zover van belang heeft mr. Van der Haven bij het voorlopig getuigenverhoor onder meer als volgt verklaard:

[…]

[D], administrateur bij A.B.M., had ons voorgerekend dat er terzake de november-valuta voldoende geld zou binnenkomen om de kwekers op 15 november 1990 te voldoen. Op 16 november 1990 bleek er echter een aanzienlijk tekort te zijn, te weten ongeveer 1,5 miljoen gulden. Ik heb onlangs in mijn staat van besognes nagekeken dat op diezelfde datum in het kantoor van A.B.M. te Lisse een bespreking plaatsvond tussen de bewindvoerders, de directie van A.B.M. en [A], die een volledige volmacht had van Cebeco, in verband met onderhandelingen over overname door Cebeco van de activiteiten van A.B.M.. Tijdens die onderhandelingen kwam het tekort ter sprake en [A] deelde mede dat van overname alleen sprake kon zijn als de november-valuta kon worden afgewikkeld. Bij gebreke daarvan zou immers Cebeco een valse start maken. Cebeco heeft toen aangeboden het ontbrekende bedrag te lenen aan de bewindvoerders en dit aanbod hebben wij aanvaard. Vervolgens heeft mr Heidinga P.V.S. gebeld om mede te delen dat de november-valuta met behulp van deze lening alsnog kon worden afgewikkeld en de kwekers volledig zouden kunnen worden betaald. Ook deelde hij mee dat A.B.M. geen provisie zou incasseren, maar ook geen heffingen aan P.V.S. zou kunnen afdragen. Ik kon uiteraard alleen horen wat mr. Heidinga zei maar uit zijn reactie maakte ik op, en deze indruk van mij is later bevestigd, dat ook voor P.V.S. het primaire belang was dat de kwekers werden betaald en het geen probleem zou maken over de vakheffingen.

[…]

4.12. [A] heeft over een ontmoeting met [C] op 11 februari 1991 tijdens voornoemd getuigenverhoor onder meer verklaard:

[…] [C] begon vervolgens over de vordering van P.V.S. op A.B.M. terzake niet afgedragen heffingen betreffende de november-valuta en eerdere valuta-data. Ik heb hem toen duidelijk gemaakt dat hij daarvoor niet bij mij moest zijn en heb hem nog eens voorgehouden dat destijds, ik bedoel in november 1990, ieders beleid was dat primair de kwekers tijdig en volledig werden betaald en dat ik had begrepen dat ook P.V.S. dit beleid onderschreef. [C] bevestigde mij dit.

[…]

4.13. [C] heeft bij het voorlopig tegengetuigenverhoor onder meer verklaard:

[…]

Kort na het verlenen van de surseance vond een bijeenkomst plaats op het kantoor van bewindvoerder Heidinga; daar hebben [B] en ik onze zorg uitgesproken over de dreigende onrust in de branche en hebben wij de bewindvoeredrs duidelijk gemaakt dat onze primaire zorg was en hun primaire zorg moest zijn dat de kwekers zouden worden betaald. […] De bewindvoerders hebben deze zorg het hoofd geboden o.a. door een derdengeldrekening te openen zodat de geincasseerde gelden van kopers niet in de boedel zouden terechtkomen en aldus beschikbaar zouden zijn voor de kwekers. […] Het is de bewindvoerders gelukt, mede met behulp van een lening van Cebeco, om voldoende gelden binnen te krijgen om veertien dagen na de valutadatum de kwekers volledig te voldoen. Op zichzelf was dat een compliment waard. Mr Heidinga belde mij hierover op en zei mij dat de bewindvoerders hadden besloten die dag honderd procent aan de kwekers te zullen uitbetalen. Mijn reactie was dat dit verheugend was en ik voegde daar de vraag aan toe of ook aan de overige verplichtingen, waaronder de afdracht aan PVS van vakheffingen, zou worden voldaan. Heidinga zei mij dat daarvoor geen geld was. Ik vroeg hem toen of die gelden nog binnenkwamen. Heidinga antwoordde mij dat hij dat niet goed kon beoordelen, dat hij van de administrateur van ABM had begrepen dat er nog forse bedragen zouden binnenkomen, dat hij daar wel vertrouwen in had maar mij geen garantie kon geven dat PVS kon worden betaald. Ik heb hem toen letterlijk gezegd: “als je nu van mij het groene licht verwacht, kan ik je dat niet geven.” Dit zei ik omdat ik van hem niet de zekerheid had gekregen dat PVS de heffingen zou ontvangen. Heidinga reageerde daarop door te zeggen dat hij geen vraag stelde maar dat het een besluit van bewindvoerders was en dat hij hoopte dat PVS te zijner tijd ook kon worden voldaan. Mijn reactie daarop was dat ik dat met hem hoopte maar dat ik daarover mijn zorg had.

[…]

4.14. [B] heeft bij voornoemd voorlopig tegengetuigenverhoor onder meer verklaard:

[…]

Op een gegeven moment deelde de secretaris van PVS, [C], mij mee, dat de bewindvoerders hem telefonisch hadden laten weten dat zij hadden besloten de kwekers volledig te voldoen nu daartoe voldoende gelden binnen waren. Ik begreep van [C] dat de bewindvoerders daarbij mededeelden dat op dat moment nog niet duidelijk was of PVS ook zou kunnen worden voldaan. Ik geloof niet dat deze mededeling mij verontrustte want de vakheffingen die betrekking hadden op valutadatum 1 november 1990 behoefden pas in januari 1991 door ABM aan PVS te worden afgedragen. Ik weet wel dat ik niet de indruk jegens de bewindvoerders of anderen heb gewekt dat ik de vorderingen terzake vakheffingen van PVS op ABM ondergeschikt achtte aan die van de kwekers en evenmin dat PVS van die vordering afzag.

[…]

4.15. De verklaringen van mrs. Heidinga en Van der Haven als partijgetuigen kunnen conform het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv geen bewijs in hun voordeel opleveren, indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij deze partijverklaring voldoende geloofwaardig maken. De verklaringen van [A], [C] en [B] tezamen vormen echter zodanig aanvullend bewijs voor wat betreft de instemming van PVS met de handelwijze van mrs. Heidinga en Van der Haven dat zij de partijverklaringen van mrs. Heidinga en Van der Haven geloofwaardig maken. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.16. Uit voornoemde de verklaringen blijkt dat zowel de bewindvoerders als PVS het erover eens waren dat volledige betaling van de kwekers het primaire doel moest zijn. Volgens [C] heeft PVS zelfs expliciet aan de bewindvoerders duidelijk gemaakt dat dat de primaire zorg van PVS was. Uit de verklaringen van mrs. Heidinga en Van der Haven en [C] volgt verder dat mr. Heidinga PVS direct op de hoogte heeft gesteld van het besluit om de kwekers volledig te voldoen en dat de bewindvoerders PVS niet konden garanderen dat er daarna nog genoeg geld binnen zou komen om ook zijn vordering te voldoen. Onbetwist is dat PVS ervan op de hoogte was dat de kwekers zouden worden betaald van de door de kopers afgedragen gelden in het kader van de valutadatum 1 november 1990 met inbegrip van de heffingen. Hoewel zowel uit de verklaring van mr. Heidinga als uit de verklaring van [C] blijkt dat [C] niet verheugd was voor wat betreft de mogelijkheid dat de vorderingen van PVS niet (volledig) zouden worden voldaan, blijkt uit de verklaring van [C] tevens dat hij niet heeft geprotesteerd tegen de beslissing van de bewindvoerders. Dit volgt ook uit de verklaringen van mr. Van der Haven. Het feit dat [C] uitsluitend zijn zorg heeft uitgesproken over de voldoening van de vordering van PVS hoefde mr. Heidinga niet op te vatten als een protest tegen het besluit van de bewindvoerders. Gegeven het feit dat PVS voorafgaand aan dat besluit bij de besprekingen over de gelden van de valutadatum 1 november 1990 betrokken is geweest en zelf expliciet heeft aangegeven dat zijn grootste zorg was de volledige betaling van de kwekers, kan de beslissing van mrs. Heidinga en Van der Haven niet als een verrassing voor PVS zijn gekomen. Gelet daarop had het op de weg van PVS gelegen om, indien zij zich niet kon vinden in de voorgestelde gang van zaken en zij daartegen ernstige bezwaren had, daartegen direct in het telefoongesprek bij mr. Heidinga te protesteren dan wel kort daarna daarop te reageren. Ook kan uit de verklaring van [B] worden afgeleid dat [C] hem had geïnformeerd over het gesprek. [B] heeft evenmin bezwaren geuit tegen de gang van zaken. Bovendien is in dit kader van belang dat, waar de bewindvoerders de belangen van alle schuldeisers behartigen, PVS als individuele schuldeiser ten tijde van de surseance zelf diende te waken voor zijn belang. Nu [C] noch [B] feitelijk heeft geprotesteerd tegen het besluit van de bewindvoerders, moet worden geoordeeld dat PVS door zijn opstelling impliciet heeft ingestemd met de volledige betaling van de kwekers waarbij PVS voor de betaling van zijn vordering afhankelijk zou zijn van latere inkomsten en het risico bestond dat deze niet (volledig) zou worden betaald. De stelling van PVS dat [C] niet bevoegd was om PVS te vertegenwoordigen, wordt verworpen bij gebreke van enige onderbouwing, temeer nu hij bestuurder was van PVS. Mrs. Heidinga en Van der Haven zijn derhalve geslaagd in het bewijs.

4.17. Gezien de impliciete toestemming van PVS en het feit dat bewindvoerders een zekere mate van beleidsvrijheid hebben om hun taak naar behoren te kunnen uitoefenen en beslissingen te kunnen nemen, kan niet worden geoordeeld dat de bewindvoerders in dit geval niet hebben gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende bewindvoerder die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. Daarbij is tevens van belang dat de surseance een week voor de valutadatum 1 november 1990 werd uitgesproken, dat dit in de bloembollenwereld de belangrijkste valutadatum van het jaar is en dat als gevolg van de financiële problemen van ABM er veel onrust in de markt heerste en zowel kwekers als kopers vreesden voor niet-nakoming van de gesloten koopovereenkomsten door hun wederpartijen. Onder die omstandigheden is voldoende aannemelijk dat er op zeer korte termijn beslissingen moeste worden genomen en kan niet worden gezegd dat mrs. Heidinga en Van der Haven onrechtmatig hebben gehandeld door na PVS daarin te hebben gekend, te kiezen voor volledige betaling van de verkopers.

4.18. PVS heeft nog aangevoerd dat het met de bewindvoerders drie verschillende manieren heeft besproken om de risico’s voor de boedel te beperken en dat mrs. Heidinga en Van der Haven alle adviezen naast zich hebben neergelegd en daardoor bewust het risico hebben genomen dat er voor PVS geen geld meer zou overblijven. Zo hadden de bewindvoerders de contracten kunnen annuleren van een aantal debiteuren waarvan bekend was dat deze mogelijk hun betalingsverplichtingen niet na zouden komen. Daarnaast hadden de bewindvoerders gebruik moeten maken van het omslagstelsel als bedoeld in artikel 10 en verder van het Reglement voor openbare en onderhandse verkoop van ABM dat voorziet in de verlegging van het debiteurenrisico naar de gezamenlijke crediteuren. Ten derde hadden mrs. Heidinga en Van der Haven kunnen besluiten om uitsluitend met Cebeco in zee te gaan, indien laatstgenoemde het debiteurenrisico voor haar rekening wilde nemen, aldus PVS.

4.19. Gegeven de omstandigheid dat PVS niet heeft geprotesteerd tegen en daarmee impliciet heeft ingestemd met het besluit van mrs. Heidinga en Van der Haven om de kwekers volledig te voldoen uit de op de derdenrekening ontvangen gelden waardoor het risico bestond dat er nadien onvoldoende gelden over zouden blijven om de vordering van PVS (volledig) te voldoen, kan hij zich niet achteraf met goede grond op het standpunt stellen dat de bewindvoerders ervoor hadden moeten kiezen om een van de door PVS achteraf gesuggereerde andere wegen te bewandelen. PVS heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

4.20. Ook het betoog van PVS dat de bewindvoerders onzorgvuldig hebben gehandeld door ook dat deel van de door de kopers betaalde gelden dat bestemd was als heffing aan de kwekers door te betalen en op die manier bewust PVS te benadelen faalt, nu PVS zelf akkoord is gegaan met die handelwijze. De omstandigheid dat dat achteraf bezien nadeliger voor PVS is uitgevallen dan het toen had voorzien, omdat zijn vordering vooralsnog onbetaald is gebleven, doet geen afbreuk aan de instemming van PVS destijds en levert evenmin grond op voor het oordeel dat de bewindvoerders destijds onzorgvuldig hebben gehandeld.

4.21. De stelling van PVS dat mrs. Heidinga en Van der Haven te lichtvaardig hebben gehandeld door zonder nader onderzoek te verrichten af te gaan op de administratie en de mededelingen van het personeel van ABM dat er nog voldoende gelden voor PVS binnen zouden komen en dat zij het zekere voor het onzekere hadden moeten nemen door de ontvangen heffingen voor PVS te reserveren, kan evenmin worden gevolgd. Ook voor die stelling geldt immers dat PVS zelf akkoord is gegaan met volledige voldoening van de vorderingen van de kwekers en dat zij de bewindvoerders om die reden niet achteraf het verwijt kan maken dat zij hebben nagelaten een deel van de gelden te reserveren.

4.22. Eerst ten tijde van het pleidooi heeft PVS een aantal nieuwe stellingen betrokken. Dit betreft ten eerste de stelling dat ook de vordering van de kwekers een boedelschuld is en dat de bewindvoerders onzorgvuldig hebben gehandeld door de rangorde bij uitkering te overschrijden en de vordering van de kwekers eerder te voldoen. Daarnaast heeft PVS aangevoerd dat de faillissementskosten ten onrechte niet zijn omgeslagen over de aan de kwekers betaalde bedragen. Het betoog van PVS dat mrs. Heidinga en Van der Haven de aan de kwekers teveel betaalde gelden terug hadden moeten vorderen met een beroep op artikel 11 lid 4 van het ABM-reglement en/of onverschuldigde betaling c.q. ongerechtvaardigde verrijking en dat mrs. Heidinga en Van der Haven incassomaatregelen hadden moeten nemen tegen kopers die niet betaald hebben, is eveneens nieuw.

Mrs. Heidinga en Van der Haven hebben daartegen terecht het bezwaar gemaakt dat deze standpunten niet eerder zijn ingenomen waardoor zij daarop niet meer adequaat kunnen reageren, zodat aan deze stellingen thans wordt voorbijgegaan.

4.23. Al met al hebben mrs. Heidinga en Van der Haven q.q. niet onrechtmatig jegens PVS gehandeld door de vorderingen van de kwekers volledig uit te betalen zonder een deel van de geïncasseerde heffingen voor PVS te reserveren. De vorderingen 2, 3 en 4 van PVS zullen derhalve worden afgewezen.

4.24. PVS zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Heidinga c.s. worden begroot op:

- vast recht € 721,51

- salaris advocaat 20.640,00 (8,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 21.361,51

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt mr. Rocco Mulder in zijn hoedanigheid van (opvolgend) curator in het faillissement van ABM om aan PVS te betalen het bedrag van € 867.638,44 (zegge: achthonderdzevenenzestigduizend zeshonderdachtendertig euro en vierenveertig eurocent), voor zover de boedel van ABM dit toelaat,

5.2. veroordeelt PVS in de proceskosten, aan de zijde van Heidinga c.s. tot op heden begroot op € 21.361,51,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, mr. A.J. Wolfs en mr. C.S. Naarden-Goedèl en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2009.?