Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ6460

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-07-2009
Datum publicatie
31-08-2009
Zaaknummer
15/800667-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opiumwet, Schiphol, geen medeplegen, voorwaardelijk opzet.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte voor de invoer van cocaine op Schiphol tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de bagage die hij bij zich droeg, cocaïne aanwezig was. Van verdachte mocht verwacht worden, zeker gelet op het vermoeden van aanwezigheid van cocaïne dat verdachte al voor zijn vertrek vanuit Lima had, dat hij de reistassen die hij een dag voor vertrek van [de man] had gekregen, nader had onderzocht op eventuele aanwezigheid van drugs. Dit temeer nu hij, zoals hij bij de Koninklijke Marechaussee heeft verklaard, het zelf ook vreemd vond dat iemand hem geld toe gaf voor een ticket om zulke goedkope souvenirs op te halen. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat er regelmatig drugs gesmokkeld worden uit Zuid-Amerikaanse landen als Peru. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van medeplegen gelet op het feit dat er geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn reisgenoot [medeverdachte] en/of anderen personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800667-09

Uitspraakdatum: 13 juli 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 juni 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Azerbajdsjan,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 11 mei 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1.952,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat alle in beslag genomen goederen, inclusief het geld, verbeurd worden verklaard.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

Verdachte is op 11 mei 2009 vanuit Lima, Peru, in Nederland op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer aangekomen. Bij een douanecontrole werd door speurhondengeleider Barnhoorn in twee tassen afkomstig van de vlucht KL744 vanuit Lima, vermoedelijk een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Aan de tassen zat een bagagelabel op naam gesteld van [verdachte]. Een voor de douanebeambten onbekende man (naar later is gebleken: verdachte) pakte de twee tassen van de bagageband en liep samen met een voor de douanebeambten onbekende vrouw (naar later bleek: [medeverdachte]) richting de uitgang. De douanebeambten hebben de bagage van de onbekende man aan een controle onderworpen en het ene bagagestuk bevatte een abnormale verdikking in de bodem. Met behulp van een fretboortje werd een opening gemaakt in de bodem van de tas en aan het uiteinde van het fretboortje bleef een witte stof kleven, blijkens de MMC cocaïnetest vermoedelijk cocaïne. Bij nader onderzoek werden uit beide reistassen, respectievelijk vier en drie pakketten uit de verdikte bodems gehaald en werd geconstateerd dat de aangetroffen witte stof een totaal nettogewicht van 1952, 9 gram omvatte. Zeven representatieve monsters van de aangetroffen stof werden voorzien van de letters A tot en met G en zijn voor analyse onder het nummer 09-033338 A tot en met G overgebracht naar het Douane Laboratorium te Amsterdam. In haar rapport van 15 mei 2009 heeft de hoofdscheikundige van het Douanelaboratorium te Amsterdam geconcludeerd dat de zeven monsters A tot en met G met het nummer 09-033338 A tot en met G, cocaïne bevatten, zijnde een stof die is vermeld op lijst I van de Opiumwet.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet wist dat de twee reistassen die hij met zich droeg, cocaïne bevatten. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat hij souvenirs, spullen gemaakt van leer, voor een zekere [de man] in zijn bagage bij zich droeg. Hij heeft verwezen naar zijn verklaring bij de Koninklijke Marechaussee. Echter bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij niet zeker wist of hij cocaïne in zijn bagage bij zich droeg maar dat hij wel een vermoeden had. Aanvankelijk dacht hij dat hij souvenirs van wol ging halen in Peru, maar toen [de man], de man die hem in Peru de reistassen heeft gegeven, met allemaal simpele souvenirs bij hem kwam, dacht hij toch wel dat er misschien iets anders aan de hand was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de bagage die hij bij zich droeg, cocaïne aanwezig was. Van verdachte mocht verwacht worden, zeker gelet op het vermoeden van aanwezigheid van cocaïne dat verdachte al voor zijn vertrek vanuit Lima had, dat hij de reistassen die hij een dag voor vertrek van [de man] had gekregen, nader had onderzocht op eventuele aanwezigheid van drugs. Dit temeer nu hij, zoals hij bij de Koninklijke Marechaussee heeft verklaard, het zelf ook vreemd vond dat iemand hem geld toe gaf voor een ticket om zulke goedkope souvenirs op te halen. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat er regelmatig drugs gesmokkeld worden uit Zuid-Amerikaanse landen als Peru. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van medeplegen gelet op het feit dat er geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn reisgenoot [medeverdachte] en/of anderen personen.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 11 mei 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1.952,9 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1952,9 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in drugs gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank, net als de officier van justitie, de oriëntatiepunten straftoemeting van het LOVS inzake drugskoeriers als uitgangspunt.

De rechtbank ziet in de persoon van verdachte en de omstandigheden van het geval geen reden om af te wijken van deze oriëntatiepunten. De rechtbank komt daarbij overigens gezien de hoeveelheid ingevoerde cocaïne op een iets lagere straf uit dan door de officier van justitie is gevorderd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat alle, met uitzondering van het geld, onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drie en twintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

2 1.00 STK Vliegticket

ESTRAVEL

electronisch ticket; 0743933370208

3 1.00 STK Vliegticket

ESTRAVEL

electr.ticket; 074 3933370207

4 3.00 STK Claimtag

0074kl159070/074kl159071/074kl159072

5 1.00 STK Label

bagagelabel; 0074KL 159072

6 1.00 STK Instapkaart

KLM

ONV [verdachte]; kl744 op 10 mei 2009

7 1.00 STK Reisschema

8 1.00 STK Reisschema

9 2.00 STK Claimtag

beide onv ve; vlucht kl1326 2/39

10 1.00 STK Document

hotel

hotel voucher; gta travelport

11 1.00 STK Vliegticket

EUROLINES

electronisch ticket; boekingsnummer 502378

12 1.00 STK Vliegticket

EUROLINES

11007697 onv [verdachte]; boekingsnr 50237

13 1.00 STK Document

hotelrekening van hotel [hotel]

14 1.00 STK Reisschema

onv [medeverdachte] van 29 april 2009

15 1.00 STK Reisschema

onv dzumajan/igor van 29 april 2009

16 1.00 STK Document

voucher van gta travelport [hotel]

17 1.00 STK Document

hotelvoucher; [hotel]; 12 mei 2009

18 1.00 STK Document

kassabon; zit vast aan mapje truesstar group

19 1.00 STK Vliegticket

ESTRAVEL

120349272079112

23 1.00 STK GSM-toestel Kl:grijs

NOKIA

Gelast de teruggave aan verdachte van:

20 Geld Euro

4x100

21 Geld Euro

1x50

22 Geld Euro

2x20

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. G.K. Schoep en mr. W.B. Klaus, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.H.E. Laffrée,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 juli 2009.

Mr. G.K. Schoep is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

2. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 29 juni 2009, inhoudende - voor zover van belang – de verklaring van verdachte.

3. Het proces-verbaal d.d. 11 mei 2009 (dossierparagraaf 2.1).

4. Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 12 mei 2009 (dossierparagraaf 4.4)

5. Het deskundigenrapport van het Douanelaboratorium te Amsterdam, kenmerk PL27RR/09-033338, d.d. 15 mei 2009.

6. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 29 juni 2009, inhoudende - voor zover van belang – de verklaring van verdachte.