Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ6139

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-08-2009
Datum publicatie
26-08-2009
Zaaknummer
153743-09-217
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatie / jong-meerderjarige / behoefte. De man heeft er op gewezen dat het gebrek aan inkomen aan de jong-meerderjarige zelf kan worden verweten en dat de man ook daarom niet meer onderhoudsplichtig is. Dit standpunt miskent evenwel het in artikel 1:392, lid 2 BW neergelegde uitgangspunt, dat de onderhoudsplicht bestaat ongeacht de behoeftigheid. Dit impliceert immers dat de jong-meerderjarige geen verplichting jegens de onderhoudsgerechtigde heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Of het gebrek aan inkomen aan de jong-meerderjarige zelf is te wijten, doet dan ook niet ter zake. Ter zitting heeft de man zich nog beroepen op de matigingsgrond van artikel 1:399 BW, in die zin dat er sprake zou zijn van zodanige gedragingen van de jong-meerderjarige dat van de man in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd een bijdrage aan de jong-meerderjarige te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat deze wijziging van de grondslag van het verzoek in strijd is met de goede procesorde.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 395a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 127
EB 2009, 77
JPF 2010/28 met annotatie van P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 153743/09-217

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 4 augustus 2009

in de zaak van:

[naam man]

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de man,

advocaat mr. A. Khan, kantoorhoudende te Hoofddorp,

tegen

[naam jong-meerderjarige]

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de jong-meerderjarige,

advocaat mr. M.M.A. Appelman, kantoorhoudende te Amsterdam

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 21 januari 2009, ingekomen op 21 januari 2009;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de jong-meerderjarige van 19 maart 2009;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de jong-meerderjarige van 24 juni 2009.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2009 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. Khan en de jong-meerderjarige door mr. Appelman.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 De man is op [datum] 1985 gehuwd met [naam moeder] (hierna: de moeder), welk huwelijk op [datum] 2001 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2001.

2.2 Uit dit huwelijk is geboren de jong-meerderjarige op [datum] 1989.

2.3 Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw

een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de jong-meerderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van fl. 265 per maand moet voldoen

2.4 Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt genoemde bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud met ingang van 1 januari 2009 € 135,91 per maand.

3 Verzoek

3.1 Met als grondslag dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven

heeft de man verzocht deze beschikking te wijzigen in die zin, dat de

bijdrage wordt bepaald op nihil met ingang van 23 mei 2007.

3.2 De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de jong-meerderjarige op [datum] 2007 de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en dat hij vernomen heeft dat de jong-meerderjarige sindsdien ook inkomsten uit arbeid heeft, zodat er geen behoefte is aan een bijdrage van de man.

4 Verweer

De jong-meerderjarige stelt zich op het standpunt dat de onderhoudsplicht van de ouders op grond van artikel 1:253 BW voortduurt tot het kind de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt. De jong-meerderjarige geeft aan dat hij weliswaar een inkomen had, maar dat dit de verplichting tot onderhoud onverlet laat. Daarbij gaat het om een minimaal inkomen, aldus de jong-meerderjarige en hij verkeert nog steeds in een situatie van behoeftigheid.

5 Beoordeling

5.1 Op grond van artikel 1:395a BW zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt. In artikel 1:392, tweede lid, BW is uitdrukkelijk opgenomen dat de verlengde onderhoudsplicht bestaat ongeacht de behoeftigheid van de meerderjarige. Wel bepalen eventuele inkomsten van een meerderjarige de omvang van diens behoefte aan een ouderbijdrage.

De rechtbank volgt dan ook niet de stelling van de man dat de jong-meerderjarige door het bereiken van de leeftijd van achttien jaar en het verwerven van een inkomen geen behoefte meer heeft. Uit het voorgaande blijkt immers dat de behoefte van een jong-meerderjarige, evenals bij een minderjarige, vaststaat. Het bereiken van de leeftijd van achttien jaar doet daar niets aan af. Een eventueel inkomen is slechts van belang voor de omvang van de behoefte.

5.2 De jong-meerderjarige heeft met stukken onderbouwd aangevoerd dat hij de afgelopen jaren slechts een minimaal inkomen heeft verworven en dat de behoefte aan de bijdrage van de man daardoor niet is veranderd. Dit standpunt is door de man onvoldoende betwist. De man heeft er evenwel op gewezen dat het gebrek aan inkomen aan de jong-meerderjarige zelf kan worden verweten en dat de man ook daarom niet meer onderhoudsplichtig is. Dit standpunt miskent evenwel het in artikel 1:392, lid 2 BW neergelegde uitgangspunt, dat de onderhoudsplicht bestaat ongeacht de behoeftigheid. Dit impliceert immers dat de jong-meerderjarige geen verplichting jegens de onderhoudsgerechtigde heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Of het gebrek aan inkomen aan de jong-meerderjarige zelf is te wijten, doet dan ook niet ter zake. De man heeft voorts nog aangevoerd dat de moeder van de jong-meerderjarige tevens in zijn onderhoud dient te voorzien en dat de onderhoudsplicht van de vader met die bijdrage dient te worden verminderd. De jong-meerderjarige heeft onweersproken aangevoerd dat zijn moeder in zijn levensonderhoud heeft bijgedragen, zowel financieel als door de jong-meerderjarige onderdak te verschaffen. Gelet op de minimale bijdrage van de vader wordt deze bijdrage van de moeder evenwel geacht in de aanvullende behoefte van de jong-meerderjarige te hebben voorzien, waardoor deze niet in mindering op de bijdrage van de vader komt.

5.3 De jong-meerderjarige heeft ter zitting aangegeven dat hij tijdens zijn detentie een opleiding MBO bedrijfskunde heeft gevolgd, die hij bijna heeft afgerond en dat hij per 1 juli 2009 bij het bedrijf van zijn moeder in dienst treedt. Hij zal daarmee een inkomen van € 950 bruto per maand verdienen. De man heeft ter zitting gesteld dat vanaf die datum de omvang van de behoefte nihil is.

Mede gelet op het feit dat de jong-meerderjarige bij zijn moeder inwoont, zal de rechtbank de man in dit standpunt volgen en het verzoek van de man tot nihilstelling toewijzen met ingang van 1 juli 2009.

5.4 Ter zitting heeft de man zich nog beroepen op de matigingsgrond van artikel 1:399 BW, in die zin dat er sprake zou zijn van zodanige gedragingen van de jong-meerderjarige dat van de man in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd een bijdrage aan de jong-meerderjarige te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat deze wijziging van de grondslag van het verzoek in strijd is met de goede procesorde. De jong-meerderjarige heeft doordat hij pas ter zitting van de gewijzigde grondslag heeft kunnen kennisnemen, onvoldoende gelegenheid gehad zich tegen deze gewijzigde grondslag te verweren. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op voorhand niet aannemelijk is dat de door de man genoemde wanordelijke gedragingen van de jong-meerderjarige, die slechts op één incident in februari 2008 teruggevoerd lijken te kunnen worden, voldoende reden is voor nihilstelling van de aan de jongmeerderjarige verschuldigde onderhoudsbijdrage.

5.5 Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de man per 1 juli 2009 toewijzen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 3 oktober 2001 de door de man aan de jong-meerderjarige te betalen bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud met ingang van 1 juli 2009 op nihil.

6.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.3 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Veldhuijzen van Zanten, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.E. Lee, griffier, op 4 augustus 2009.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.