Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ5870

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-07-2009
Datum publicatie
24-08-2009
Zaaknummer
15-750032-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder invloed van alcohol brand gesticht door een bord bij de ingang van een apotheek aan te steken. Hierdoor is niet alleen de gehele luifel van de apotheek afgebrand maar tevens is er rook- en roetschade in het gehele pand van de apotheek met als gevolg dat de gehele geneesmiddelenvoorraad verloren is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/750032-09

Uitspraakdatum: 30 juli 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 16 juli 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 22 februari 2009 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een gebouw/perceel gelegen aan de Lisdoddestraat [nummer] te Purmerend (waarin onder meer gevestigd apotheek "[apotheek]"), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een (plastic/kunststof) bord (welk bord was bevestigd aan de muur van dat gebouw/perceel) met (de vlam van) een aansteker in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met eerder genoemd bord, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat gebouw/perceel geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan in/aan/bij dat gebouw/perceel, terwijl daarvan gemeen gevaar voor genoemd gebouw/perceel en/of de goederen en/of inventaris in dat gebouw/perceel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

Subsidiair

hij op of omstreeks 22 februari 2009 te Purmerend met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Lisdoddestraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een gebouw/perceel gelegen aan die Lisdoddestraat (waarin onder meer gevestigd apotheek "[apotheek]"), welk geweld bestond uit het in brand steken van een (kunststof) bord bevestigd aan een muur van eerder genoemd gebouw/perceel:

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan, in dier voege dat

primair

hij op 22 februari 2009 te Purmerend opzettelijk brand heeft gesticht aan een perceel gelegen aan de Lisdoddestraat [nummer] te Purmerend (waarin onder meer gevestigd apotheek "[apotheek]"), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een kunststof bord, welk bord was bevestigd aan de muur van dat perceel met de vlam van een aansteker in brand gestoken ten gevolge waarvan dat perceel gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor genoemd perceel en de goederen en/of inventaris in dat perceel te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2. Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangeefster] (dossierpagina 28 e.v.);

• het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, te weten een brandonderzoek door de technische

recherche d.d. 30 maart 2009;

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van getuige [getuige] d.d. 21 maart 2009 (dossierpagina 70 e.v.).

3.3. Bewijsoverweging

De rechtbank is om na te noemen redenen van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de brand en de daaruit ontstane schade. Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn brandende aansteker een kunststof bord, dat hing bij de toegangsdeur onder de luifel van de apotheek, in brand heeft gestoken. Hij zag dat het bord vlam vatte. Een andere jongen uit de groep ([getuige]) heeft verklaard dat hij de vlam heeft uitgeblazen en verdachte heeft gewaarschuwd dat hij dit niet moest doen. Daarna heeft verdachte het bord voor de tweede keer met zijn aansteker aangestoken en zag hij dat het bord wederom vlam vatte, iets sneller dan de eerste keer en met een grotere vlam. Hij hoorde het knetteren. Toen een andere jongen uit de groep op dat moment een fles stuk gooide tegen de letters van de apotheek op het dak, schrok de groep en is verdachte met de andere jongens weggerend. Verdachte is niet meer teruggekomen om de brand te blussen of in ieder geval te controleren of de door hem gestichte vlam was gedoofd. Door te handelen onder de omstandigheden als hierboven vermeld - na een waarschuwing door een vriend voor een tweede maal een bord in brand te steken, vervolgens weg te gaan en zich niet meer om het vuur te bekommeren - heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het perceel gevestigd aan de Lisdoddestraat [nummer] te Purmerend gedeeltelijk zou afbranden en dat er rook en roetschade zou ontstaan aan de rest van het perceel en de zich daar bevindende inventaris.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

- opzettelijk brandstichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sancties en van overige beslissingen

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren waarvan 50 uren voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht, waarbij een proeftijd zal gelden van twee jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte de training “leren omgaan met middelengebruik” volgt.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen.

6.2. Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van de volgende rapportages:

- een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 23 maart 2009;

- een adviesrapportage van de Jeugdreclassering d.d. 24-06-2009, van [rapporteur], jeugdreclasseerder bij Bureau Jeugdzorg agglomeratie Amsterdam, afdeling jeugdreclassering Zaanstreek-Waterland.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, nadat hij in de nacht met een groepje jongens had rondgehangen en alcohol gedronken bij apotheek “[apotheek]”, brand gesticht bij de ingang van deze apotheek. Hij heeft tot twee keer toe het kunststof bord dat naast de toegangsdeur onder de luifel van de apotheek hing, met een aansteker aangestoken. De eerste keer heeft een van de andere jongens uit de groep de door verdachte gestichte vlam uitgeblazen en de tweede keer heeft verdachte de vlam laten branden en is hij weggerend met de andere jongens, omdat ze schrokken van het lawaai van een stukvallende fles die door een van de andere jongens gegooid werd. Verdachte is niet meer teruggekeerd naar de plaats waar hij het bord in brand heeft gestoken en heeft geen enkele maatregel getroffen om een verdere brand te voorkomen dan wel te blussen. Hierdoor is niet alleen de gehele luifel van de apotheek afgebrand maar tevens is er rook- en roetschade in het gehele pand van de apotheek met als gevolg dat de gehele geneesmiddelenvoorraad verloren is gegaan. Bovendien heeft de apotheek gedurende enige tijd geen geneesmiddelen kunnen verstrekken aan haar klanten. Tevens hebben als gevolg van de brand, andere bedrijven/disciplines die in hetzelfde pand als de apotheek zijn gevestigd, enige rook of roetschade opgelopen.

Verdachte heeft de brand gesticht zonder zich maar een ogenblik te bekommeren om het gevaar voor het gebouw en de goederen. Een dergelijke brandstichting is naar het oordeel van de rechtbank een zeer ernstig feit, dat ook grote maatschappelijke onrust veroorzaakt.

Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest, zijn spijt heeft betuigd over het gebeurde en inziet dat zoiets nooit meer mag gebeuren.

Uit de rapportage van de Jeugdreclassering komt naar voren dat het op de verschillende leefgebieden van verdachte goed gaat en dat het gevaar voor herhaling laag is. Als aandachtspunt wordt genoemd het drankgebruik van verdachte, nu hij het feit onder invloed van drank heeft gepleegd. In verband met dit laatste adviseert de Jeugdreclassering om verdachte o.a. de leerstraf “leren omgaan met middelengebruik”op te leggen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd waarvan een gedeelte in voorwaardelijke vorm met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast acht de rechtbank het opleggen van de leerstraf “leren omgaan met middelengebruik” noodzakelijk.

6.3. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.060 ingediend wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder primair tenlastegelegde zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit eigen risico combibrandverzekering en eigen risico elektronicaverzekering en de gemaakte kosten door de vereniging van eigenaren.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 340 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het onder primair bewezenverklaarde feit. Dit bedrag bestaat uit eigen risico combibrandverzekering en eigen risico elektronicaverzekering. De gevorderde schadevergoeding bestaat voor het overige uit door de voorzitter van de vereniging van eigenaren gedeclareerde kosten. Deze kosten zijn evenwel niet rechtstreeks aan de benadeelde partij maar aan en ander in rekening gebracht, en zonder nadere toelichting - die niet is gegeven - kan de rechtbank niet vaststellen dat de benadeelde partij deze kosten daadwerkelijk en ten volle heeft gedragen. In zoverre verklaart de rechtbank daarom de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder primair bewezenverklaarde feit is toegebracht. Daarom zal de rechtbank de schadevergoe¬dingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 340.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van strafrecht: artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 157.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het primair bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 150 (honderd en vijftig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 75 (vijf en zeventig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 50 (vijftig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 25 (vijf en twintig) dagen jeugddetentie en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt, of als de werkstraf en/of de leerstraf niet binnen de gestelde termijn zijn voltooid.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat 6 (zes) uren werkstraf in mindering worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 15 uren taakstraf in de vorm van de leerstraf ‘Middelen en delict individueel’ welke leerstraf zal worden uitgevoerd onder begeleiding van de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Taakstraffen Minderjarigen te Haarlem.

Bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 7 (zeven) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de opgelegde werkstraf en leerstraf binnen een termijn van 6 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis dienen te zijn voltooid

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 340 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde partij], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeel¬de partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 340, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 3 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van vervangende jeugddetentie de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij]voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. van Santen, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. J. Snitker en mr. A.M.S.P. Evers-Ederveen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.H.E. Laffrée

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juli 2009.