Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ4724

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
08-6097
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Eiseres is een stichting. Haar werkzaamheden bestonden uit het verzorgen van schooladministraties. Van de ter discussie staande prestaties die eiseres aan haar leden heeft verricht, heeft eiseres op één prestatie na, niet aannemelijk gemaakt dat deze prestaties zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, letter u van de Wet OB juncto artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c van het Uitvoeringsbesluit OB, nu niet aannemelijk is gemaakt dat het diensten betreffen die zien op het verzorgen van de administratie. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat feitelijk andere prestaties zijn verricht dan als omschreven op de factuur. Voorts kan eiseres geen gebruik maken van de vrijstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet OB omdat eiseres niet kan worden begrepen onder een dienst als bedoeld onder artikel 179 of 180 van de Wet op het Primair Onderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1685
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 08/6097, 08/6098, 08/6099, 08/6100, 08/6101

Uitspraakdatum: 14 juli 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Stichting X, gevestigd te Z, eiseres,

gemachtigde: A

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 28 december 2006 over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag (aanslagnummer a) omzetbelasting opgelegd van € 37.824, vermeerderd met heffingsrente van € 6.945, alsmede bij beschikking een boete van € 9.456.

1.2. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 december 2007 over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag (aanslagnummer b) omzetbelasting opgelegd van € 24.738, vermeerderd met heffingsrente van € 4.987, alsmede bij beschikking een boete van € 6.184.

1.3. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 december 2007 over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag (aanslagnummer c) omzetbelasting opgelegd van € 21.857, vermeerderd met heffingsrente van € 3.813, alsmede bij beschikking een boete van € 5.464.

1.4. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 december 2007 over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag (aanslagnummer d) omzetbelasting opgelegd van € 15.230, vermeerderd met een heffingsrente van € 2.124, alsmede bij beschikking een boete van € 3.807.

1.5. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 december 2007 over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag (aanslagnummer e) omzetbelasting opgelegd van € 32.919, vermeerderd met een heffingsrente van € 2.945, alsmede bij beschikking een boete van € 8.229.

1.6. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 7 augustus 2008 de onder 1.1. genoemde naheffingsaanslag verminderd tot € 35.633, met een heffingsrente van € 6.539 en de boete verminderd tot nihil.

1.7. Verweerder heeft bij drie uitspraken op bezwaar van 15 augustus 2008 de onder 1.2. tot en met 1.4. genoemde naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.8. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 augustus 2008 de onder 1.5. genoemde naheffingsaanslag verminderd tot € 28.911, met een heffingsrente van € 2.586 en de boete vastgesteld op € 7.227.

1.9. Eiseres heeft tegen de onder 1.6 tot en met 1.8 genoemde uitspraken op bezwaar bij brief van 16 oktober 2008, ontvangen bij de rechtbank op 17 oktober 2008, beroep ingesteld.

1.10. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

1.11. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2009.

1.12. Namens eiseres is daar de gemachtigde verschenen, bijgestaan door B, C, D en E. Namens verweerder is verschenen F. Verder zijn daar ter bijstand van eiseres verschenen: G, oud-medewerker van eiseres, H, oud-directeur van eiseres en I, werkzaam bij Y.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is per f opgericht als samenwerkingsverband van bijzondere scholen. Haar werkzaamheden bestonden uit het verzorgen van schooladministraties (leerlingen-, financiële, personeels- en salarisadministratie). Eiseres was hiervoor vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, lid 1, letter u van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) voorzover zij deze diensten verrichtte aan haar leden.

2.2. Tot de stukken van het geding behoort een rapport boekenonderzoek van verweerder van 26 oktober 2007, waarin onder andere de bevindingen zijn vastgelegd van het onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting door eiseres over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005. Het rapport vermeldt onder andere het volgende:

“(…)

3 Omzetbelasting

3.1 Algemeen

[eiseres] was een administratiekantoor voor scholen.

Voor zover de diensten, van een administratiekantoor voor scholen, bestaan uit het verzorgen van de financiële administratie, de personeels- en salarisadministratie en de leerlingenadministratie van onderwijsinstellingen zijn deze diensten vrijgesteld van omzetbelasting. Deze van omzetbelasting vrijgestelde diensten worden uitgevoerd in het kader van een zogenoemde Centrale Dienst¹, zoals ook vermeld en bedoeld in de Onderwijswet. Alle andere diensten, zoals bestuurs- en managementondersteuning, juridische dienstverlening en andere specialistische dienstverlening zijn niet vrijgesteld van omzetbelasting.

Per 1 september 1999 heeft het Ministerie van Financiën een lijst samengesteld van diensten waarop de BTW-vrijstelling van toepassing is. Op 6 september 1999 hebben de bestuursleden van [eiseres], de heren B en D, hierover een bespreking gevoerd met mijn collega J (kantoor P). De belangrijkste punten van de bespreking zijn vastgelegd In de brief van 9 september 1999.

Tot die brief behoort de eerder genoemde lijst van het Ministerie van Financiën. In de brief is vermeld dat tijdens de bespreking is vastgesteld dat [eiseres] ook werkzaamheden verricht die niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Genoemd worden bestuurs- en managementondersteuning, planmatig onderhoudsbeheer, bestuurlijke ondersteuning inzake juridische aangelegenheden en automatisering. [eiseres] is echter van mening dat zij voor alle werkzaamheden ten behoeve van de aangesloten scholen fungeert als een Centrale Dienst en als zodanig van omzetbelasting vrijgestelde prestaties verricht. Op 9 maart 2000 stuurt het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen een brief naar o.a [eiseres]. omdat (nader) overleg heeft geleid tot twee nieuwe lijsten van het Ministerie van Financiën. Deze herziene lijsten waren als bijlagen bij die brief gevoegd. De ene lijst bevat een specificatie van werkzaamheden die zijn vrijgesteld van omzetbelasting. De tweede lijst bevat een overzicht van werkzaamheden die met BTW moeten worden belast.

Op 28 mei 2004 verzoekt [eiseres] om toekenning van een omzetbelastingnummer omdat sinds 1

januari 2004 diensten worden geleverd aan schoolbesturen die niet zijn aangesloten bij de centrale dienst en enkele van die diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

3.2. (…)

3.3 Verschuldigde omzetbelasting

3.3.1 Tarief

Een deel van de prestaties is vrijgesteld.

Het betreft de volgende diensten ten behoeve van onderwijsinstellingen

• Het verzorgen van de personeels-, leerlingen- en salarisadministratie

• Het verzorgen van de financiële administratie.

Een deel van de prestaties is niet vrijgesteld.

Het betreft o.a. de volgende diensten:

• Planmatig onderhoudsbeheer;

• Bestuurs- en managementondersteuning:

• Automatisering en helpdesk;

• Bestuurlijke ondersteuning inzake juridische aangelegenheden.

3.3.2 Niet vrijgestelde prestaties

De belastingplichtige is ervan uitgegaan, dat tot en met het jaar 2003 de gehele omzet en vanaf het jaar

2004 een deel van de omzet is vrijgesteld van omzetbelasting. Dit is niet juist.

Hierna volgt een overzicht van de verrichte prestaties. De eerste kolom verwijst naar de door [eiseres] gehanteerde grootboekrekening in de financiële administratie. In de derde (laatste) kolom vermeld ik of de prestaties al of niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

GB-rek 8000 BAO per school OB vrijgesteld

Basis Administratie Onderwijs = standaardpakket voor het verzorgen

van de financiële administratie en de personeels- en salarisadministratie

(Caso).

GB-rek 8001 BAO per leerling OB vrijgesteld

Idem GB-rek 8000 = standaardpakket

GB-rek 8020 BAO Q OB vrijgesteld

Idem GB-rek 8000 = standaardpakket voor grote scholenstichting(en) te Q.

GB-rek 8050 Uitvoering beheer scholencomplexen OB vrijgesteld

Meerdere scholen (bijv. openbaar, PC, Kath) zitten samen in een

schoolgebouw. Subsidie van het schoolgebouw wordt door de scholen afzonderlijk ontvangen

en in een pot gestopt van waaruit de onderhoudskosten worden betaald. Vergelijkbaar met een

vereniging van eigenaren. De administratie wordt verzorgd door [eiseres].

GB-rek 8060 Samenwerkingsverband WSNS OB vrijgesteld

WSNS = Weer Samen Naar School is een project waarbij

(gehandicapte) kinderen met een leerachterstand op de reguliere school worden

ge- of herplaatst. Diverse scholen werken samen. De subsidie die de

scholen afzonderlijk ontvangen, wordt in een pot beheerd van waaruit

de kosten (specifieke leerkrachten> worden betaald. De administratie

hiervan wordt gevoerd door [eiseres].

GB-rek 8040 VO Q OB hoog tarief

School voortgezet onderwijs te Q voert zelfstandig de

(financiële) administratie. Via de licentie van [eiseres] maakt men

gebruik van CASO. De kosten hiervan alsmede de telefonische

ondersteuning (helpdesk) wordt gefactureerd

GB-rek 8041 Westerpark

Betreft een apart contract zoals de scholen van GB-rek 8042

(zie hierna).

GB-rek 8042 Contractbijdrage scholen

Met nieuwe klanten is. in tegenstelling tot de oude klanten, een contract afgesloten waarin

de aard van de werkzaamheden is opgenomen:

• Personeelsadministratie OB vrijgesteld

• Financiële administratie OB vrijgesteld

• Ondersteuning huisvesting OB hoog tarief

• Ondersteuning case-management OB hoog tarief

• Overige bestuurs- en managementondersteuning OB hoog tarief

GB-rek 8070 Bijdrage a.g.v. 1 maart tellingen OB vrijgesteld

De Stichting X-bijdrage is afhankelijk van o.a. het aantal leerlingen.

Voor de subsidie vindt per 1 maart een (her)telling plaats Als

gevolg van deze telling wordt de bijdrage van de scholen aangepast.

GB-rek 8200 Diversen OB hoog tarief

Allerlei ontvangsten, zoals uitkeringen en verrekeningen van

verzekeringen en rentevergoedingen. Maar ook bijdrage voor de

gevoerde administraties van o.a. kinderdagverblijven en andere

bijzondere en/of incidentele diensten voor scholen en/of derden.

GB-rek 8201 Begeleiding bouwprocedures OB hoog tarief

Zoals de naam van de grootboekrekening al aangeeft: begeleiding

bij bouwprocedures (nieuwbouw — verbouw (groot) onderhoud van

schoolgebouwen).

GB-rek 8202 Extra bestuurs- en managementondersteuning OB hoog tarief

Alle andere werkzaamheden dan het verzorgen van de financiële

en/of personeels- en salarisadministratie.

GB-rek 8203 Bijdrage R inzake personeel OB hoog tarief

Scholenadministraties zijn overgenomen van Gemeente R.

De medewerker die hiermee bij de Gemeente R was belast

(K), is met het werk meegegaan. Betreft een afgesproken

compensatie voor de loonkosten van die betreffende medewerker.

GB-rek 8204 Incidentele baten ivm. invoering lumpsum OB hoog tarief

Betreft (nood)zakelijke investeringen (o.a. computers) door [eiseres]

t.b.v. de (primaire) werkzaamheden, In verband met een nieuwe

vorm van financieren, c.q. subsidiëren heeft [eiseres] de kosten van de

investering hoofdelijk omgeslagen naar de aangesloten scholen die

deel uitmaken van de zogenoemde centrale dienst Het betreft een

omstreden actie. Een aantal scholen heeft betaald (geboekt op deze

GB-rek) en een aantal scholen heeft aangegeven niet te zullen be

talen. Vanwege het verzet is ook geen vordering (debiteuren) in de

balans per 31-12-2005 opgenomen.

GB-rek 8204 Bijdrage €uro OB hoog tarief

Wegens de invoering van de €uro hebben de scholen eenmalig een

extra tegemoetkoming ontvangen. Aangezien de kosten o.a. ge

maakt moesten worden door [eiseres], is met de aangesloten scholen

van de centrale dienst afgesproken dat 50% van de van het

Ministerie OCW ontvangen subsidie naar [eiseres] gaat.

GB-rek 8210 Extra administratieve ondersteuning OB hoog tarief

Betreft extra administratieve diensten buiten het standaardpakket.

X is van mening dat dit is vrijgesteld van OB omdat de (extra)

werkzaamheden betrekking hebben op de financiële- en/of perso-

neels- en salarisadministratie. In de facturen heb ik echter o.a. (ook)

de volgende diensten aangetroffen:

• Detachering van o a. S

• OALT-werkzaamheden (Onderwijs Anderstaligen in Levende

Talen) door T³

• Projectbegeleiding nieuwbouw - verbouw - etc.

• Vergoeding administratie GOA/VEE (Gemeentelijke Onderwijs

Achterstandenbeleid / Voor en Vroegschoolse Educatie)

• Administratieve ondersteuning ID-banen

• Administratieve ondersteuning VEE/NBR (Voor en

Vroegschoolse Educatie / Naar Beter Resultaat)

• Afsluiten en overdracht administratie

• Doorbelasten accountantskosten

• Verzorgen van (bestuurs)cursussen (door K)

Om te kunnen beoordelen of terecht gebruik gemaakt is van de vrijstelling heb ik tijdens het boekenonderzoek meerdere keren gevraagd om alle onderliggende stukken die geleid hebben tot het samenstellen van de factuur, Deze gegevens heb ik tijdens het onderzoek niet of nauwelijks gekregen omdat ze niet (meer) aanwezig zijn. Dientengevolge moest ik voor de beoordeling afgaan op de omschrijving van de verleende diensten op de factuur en dit heeft geleid naar het standpunt zoals hiervoor weergegeven.

Op basis van de hiervoor ingenomen standpunten heb ik de verschuldigde omzetbelasting berekend. Ten aanzien van de grootboekrekeningen 8041 en 8042 heb ik aan de hand van de contracten, voor zover mij ter beschikking gesteld, de verschuldigde omzetbelasting over de te belaste prestaties naar rato berekend overeenkomstig het overeengekomen tarief. Vanaf grootboekrekening 8200 heb ik de omzetbelasting berekend conform de uitgeschreven specificaties die op de facturen zijn vermeld.

Een overzicht van de berekening van de verschuldigde omzetbelasting gaat als bijlage 1 hierbij. Per jaar behoort daartoe een specificatie.

Overigens wil ik hierbij nog opmerken dat ondanks het door [eiseres] ingenomen standpunt dat over de jaren 2001 t/m 2003 uitsluitend vrijgestelde prestaties zijn verricht, is gebleken dat in een aantal gevallen wel omzetbelasting is gefactureerd. Over de jaren 2001 t/m 2005 zijn door [eiseres] de volgende bedragen aan omzetbelasting gefactureerd:

Jaar Omzetbelasting

2001 € 10.265,17

2002 € 6.777,07

2003 € 8.023,83

2004 € 10.688,95

2005 € 15.834,74

(…)”

2.3. Tot de stukken van het geding behoort een brief van verweerder van 9 september 1999 aan eiseres, ter attentie van H, waarin uitleg wordt gegeven over de btw-heffing ten aanzien van schooladministraties. Bij deze brief behoren twee bijlagen. Bijlage 1 bevat een specificatie van werkzaamheden ten aanzien waarvan de btw-vrijstelling toepassing kan vinden. Bijlage 2 bevat een overzicht van werkzaamheden die niet met toepassing van een btw-vrijstelling kunnen worden verricht.

In deze brief wordt onder andere het volgende vermeld:

“Naar aanleiding van het gesprek met U, dhr. B, D en ondergetekende op 6 september jl. het volgende.

[eiseres] voert als een gemeenschappelijk administratiekantoor de administraties van de aangesloten school- en gemeentebesturen. U maakt hiervoor aanspraak op de vrijstelling voor het verzorgen van schooladministraties.

Doel van deze bespreking was inzicht te verkrijgen in de prestaties die de Stichting verleent aan de aangesloten school- en gemeentebesturen en u te informeren over de striktere toepassing, met ingang van 1 september 1999, van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) juncto artikel 9, eerste lid, onderdeel c van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (het Besluit) genoemde voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling.

Uit onderzoek van de Directie verbruiksbelastingen van het Ministerie van Financiën blijkt dat op drie punten de vrijstelling door zowel commerciële als niet-commerciële ondernemers onjuist wordt toegepast. De genoemde drie punten zijn:

1. de uitleg van het begrip administratie;

2. toepassing van de vrijstelling ten aanzien van het verzorgen van de administratie van anderen dan onderwijsinstellingen;

3. de kring van ondernemers voor wie de vrijstelling geldt.

Ad 1. Het verzorgen van de administratie:

Bij deze brief is een lijst gevoegd van activiteiten welke als het verzorgen van administraties kan worden aangemerkt

(bijlage 1) en een overzicht van werkzaamheden die niet met toepassing van een BTW-vrijstelling kunnen worden verricht (bijlage 2). Aangezien het algemene begrip administratie licht tot interpretatieverschillen kan leiden bestaat er aanleiding ten aanzien van dit punt niet op het verleden terug te komen. Dit houdt uiteraard ook in bezwaren tegen de eigen aangifte teneinde teruggaaf te verkrijgen niet worden gehonoreerd.

Met ingang van 1 september 1999 dient u de nieuwe richtlijnen toe te passen.

Ad 2. De toepassing van de vrijstelling ten aanzien van andere afnemers dan onderwijsinstellingen:

Op het verzorgen van administraties voor andere instellingen dan onderwijsinstellingen, bijvoorbeeld

sociaal-culturele instellingen, is de vrijstelling niet van toepassing. Op dit punt bestaat geen aanleiding

om niet op het verleden terug te komen aangezien uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit

duidelijk blijkt dat de vrijstelling alleen ziet op het verzorgen van de administraties voor samenwerkings

verbanden van onderwijsinstellingen.

Tijdens het gesprek heeft u aangegeven dat door [eiseres] geen administraties worden verzorgd voorandere instellingen dan onderwijsinstellingen.

Ad 3. De ondernemers voor wie de vrijstelling geldt:

De vrijstelling geldt in beginsel slechts voor samenwerkingsverbanden van onderwijsinstellingen,

Ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel u, van de Wet gelden voor de vrijstelling de volgende

voorwaarden:

a. er moet sprake zijn van een zelfstandige groepering van onderwijsinstellingen die presteert aan

haar leden;

b. de groepering vordert van de leden slechts terugbetaling van hun aandeel in de kosten;

c. de prestaties zijn rechtstreeks nodig voor door de leden te verrichten prestaties die vrijgesteld of

waarvoor zij geen ondernemer zijn en

d. geen verstoring van de concurrentieverhouding optreedt.

Tijdens het gesprek is gebleken dat door [eiseres] ook werkzaamheden worden verricht die niet(meer) onder de toepassing van een BTW-vrijstelling vallen, zoals bestuurs- en managementondersteuning, planmatig onderhoudsbeheer, bestuurlijke ondersteuning inzake juridische aangelegenheden en automatisering.

Met ingang van 1 september 1999 dient over deze prestaties omzetbelasting berekent te worden, op het

verleden zal niet worden teruggekomen.

Met ingang 1 september 1999 zullen aangiften omzetbelasting aan [eiseres] worden uitgereikt.”

3. Geschil

3.1. In geschil is de vraag of de door eiseres aan haar leden verrichtte prestaties zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Eiseres beroept zich primair op de vrijstelling als genoemd in artikel 11, eerste lid, letter u van de Wet. Subsidiair beroept eiseres zich op artikel 11, eerste lid, letter f van de Wet. Eiseres stelt voorts dat mocht de naheffingaanslag in stand blijven er geen grond is voor een boete; op zijn minst had eiseres een pleitbaar standpunt. Tot slot is in geschil de vraag of verweerder de onder 1.1. genoemde naheffingsaanslag te laat heeft opgelegd.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen tot nihil. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4. Beoordeling van het geschil

De vrijstelling van artikel 11, eerste lid letter u van de Wet

4.1. Eiseres meent primair dat de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter u van de Wet

op haar van toepassing is. Ingevolge artikel 9, eerste lid aanhef en onder c van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Besluit) worden door zelfstandige groeperingen van onderwijsinstellingen aan hun leden verrichte diensten vrijgesteld van omzetbelasting, voor zover die diensten bestaan in het verzorgen van de administratie. Eiseres meent dat al haar diensten bestaan in het verzorgen van de administratie. Eiseres wijst daarbij op de bij deze vrijstelling horende lijsten. Zij stelt zich op het standpunt dat de omschrijving op de facturen die zij aan haar leden heeft uitgereikt zoals:

• Kosten telefonische ondersteuning financiële administratie;

• Diversen, allerlei ontvangsten;

• Begeleiding bouwprocedures;

• Extra bestuurs- en managementondersteuning;

• Bijdrage R inzake personeel;

• incidentele baten in verband met invoering lumpsum en bijdragen euro;

• Extra administratieve ondersteuning,

niet de feitelijke activiteiten weergeven zoals die door haar zijn verricht. De feitelijke activiteiten moeten leidend zijn bij beantwoording van de vraag of haar een beroep op vrijstelling toekomt en niet de – onjuiste – omschrijving van die activiteit op een factuur, aldus eiseres.

Ten aanzien van haar prestaties met betrekking tot de bouwbegeleiding merkt eiseres op dat deze alleen de administratieve afhandeling van bouwprojecten betreffen. Op de factuur werd ‘begeleiding bouwprocedures’ vermeld om een onderscheid te kunnen maken met de gebruikelijke administratieve werkzaamheden. De werkzaamheden voor het voortgezet onderwijs Q, die haar loonadministratie zelf verzorgde, zien op het terugkoppelen van gegevens die normaliter ook gedaan worden bij aangesloten scholen waarvoor eiseres wel de loonadministratie verzorgde, welke prestaties onder de vrijstelling vallen. De incidentele baten hebben betrekking op de aanpassing van de administraties in verband met de invoering van de Euro. De hierop betrekking hebbende prestaties zijn volledig vrijgesteld. Uitsmeren van de kosten door verhoging van de tarieven over meerdere jaren zou nooit tot problemen hebben geleid. De correcties op extra administratieve ondersteuning zijn niet terecht omdat de administratieve ondersteuning dezelfde is als welke door eiseres wordt uitgevoerd, met dit verschil dat zij bij wijze van uitzondering op locatie werd verricht hetgeen daarom ook als zodanig op de facturen is vermeld. Het betreft geen detachering dan wel andere werkzaamheden die niet onder de vrijstelling zouden vallen.

4.2. Verweerder stelt dat alleen het verzorgen van de leerlingen- de financiële, de personeels- en de salarisadministratie door eiseres aan haar leden is vrijgesteld van de omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, letter u van de Wet. Haar overige prestaties zijn belast met omzetbelasting. Eiseres is weliswaar aangemerkt als een samenwerkingsverband als bedoeld artikel 11, eerste lid letter u van de Wet, maar niet van al haar prestaties kan worden gezegd dat deze bestaan in het verzorgen van de administratie.

4.3. Ingevolge artikel 11, eerste lid, letter u van de Wet juncto artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c van het Besluit worden door zelfstandige groeperingen van onderwijsinstellingen aan hun leden verrichte diensten vrijgesteld van omzetbelasting, voor zover die diensten bestaan uit het verzorgen van de administratie. In het onderhavige geschil, met betrekking tot de hier bedoelde vrijstelling, moet de vraag worden beantwoord of de prestaties van eiseres zoals deze onder punt 3.3.2. van het onder 2.2. genoemde rapport boekenonderzoek zijn vermeld, kunnen worden aangemerkt als het verzorgen van de administratie, in vorenbedoelde zin.

4.4. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat eiseres aannemelijk dient te maken dat haar een beroep toekomt op de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter u van de Wet. In dit kader heeft G ter zitting verklaard dat de onder 2.2. vermelde prestatie genoemd onder de grootboekrekening 8040, betreft het controleren van (boekings)codes en geven van retourinformatie hieromtrent. De rechtbank heeft geen reden aan deze uitleg te twijfelen. Nu het controleren van (boekings)codes en het geven van retourinformatie hieromtrent onontbeerlijk is voor het voeren van een juiste salarisadministratie, acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat deze prestatie onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter u van de Wet gelezen in samenhang met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c van het Besluit valt. De verrichte prestatie kan worden aangemerkt als het verzorgen van de administratie, in vorenbedoelde zin. Het feit dat de onderhavige prestatie slechts een betrekkelijk klein onderdeel is van de salarisadministratie en op een andere locatie wordt verricht dan de overige werkzaamheden inzake de salarisadministratie maakt dit oordeel niet anders. In zoverre is het beroep gegrond. De onder 1.1. tot en met 1.5. genoemde naheffingsaanslagen dienen derhalve te worden verminderd met de omzetbelasting die ten aanzien van deze prestatie is nageheven. De heffingsrente en de boetebeschikkingen moeten dienovereenkomstig worden verminderd.

4.5. Van de overige in deze zaak ter discussie staande onder 2.2. genoemde prestaties heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het diensten betreffen die zien op het verzorgen van de administratie. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat feitelijk andere prestaties zijn verricht dan als omschreven op de factuur. De rechtbank betrekt hierbij hetgeen terzake ter zitting is toegelicht en hetgeen terzake uit de stukken van het geding blijkt.

De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter f van de Wet

4.6. De subsidiaire stelling van eiseres luidt dat indien de onder 2.2. genoemde prestaties niet onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter u van de Wet vallen, deze prestaties zijn vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid letter f van de Wet.

Bovengenoemde vrijstelling is nader uitgewerkt in artikel 7 van het Besluit. Dit artikel luidt:

“Art. 7. 1. Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet, worden aangewezen de leveringen en diensten, genoemd in de bij dit besluit behorende bijlage B.

2. Tot de in het eerste lid bedoelde leveringen en diensten behoren niet, behoudens voor zover in bijlage B bij dit besluit anders is bepaald:

a. het verstrekken van spijzen en dranken;

b. het verrichten van onderzoek;

c. het ter beschikking stellen van personeel;

d. het verzorgen van loon- en salarisadministraties, financiële administraties en grootboekadministraties;

e. andere bij ministeriële regeling in verband met het voorkomen van een ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen aan te wijzen leveringen of diensten.”

Uit artikel 7, tweede lid, letter d blijkt dat het verzorgen van loon- en salarisadministraties, financiële administraties en grootboekadministraties niet onder deze vrijstelling valt. Uit de aanhef van het tweede lid volgt dat bedoelde werkzaamheden toch onder de vrijstelling kunnen vallen indien zulks in de Bijlage B is bepaald. Uit punt b 27 van de bijlage B volgt dat de leveringen en diensten van onderwijsverzorgingsinstellingen als bedoeld in de Wet op de onderwijsverzorging specifiek van de heffing van omzetbelasting zijn vrijgesteld. Uit het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 december 1998, nummer VB98/2751 volgt dat onder onderwijsverzorgingsinstellingen als bedoeld in punt b 27 van eerdergenoemde bijlage – voor zover hier van belang – alleen worden begrepen onderwijsbegeleidingsdiensten op grond van artikel 179 van de Wet op het primair onderwijs (hierna WPO ) en zogenoemde landelijke diensten op grond van artikel 180 WPO.

4.7. Artikel 2 en 3 van de statuten van de oprichting van eiseres luiden als volgt:

Artikel 2.

De stichting stelt zich ten doel om voor alle school- casu quo gemeentebesturen, voorzover zij dit wensen, de administratie te voeren van onder die besturen ressorterende scholen en adviezen te geven in de ruimste zin, zulks in overeenstemming met en op basis van het bepaalde in artikel 68 van de wet op het Primair Onderwijs.

Artikel 3.

De stichting tracht dit doel te bereiken door het oprichten en in standhouden van een gemeenschappelijk administratiekantoor binnen het werkgebied van de stichting eventueel met bijkantoren, hierna te noemen: de Centrale Dienst.

Naar uit artikel 68, eerste lid, letter b WPO kan worden opgemaakt luidt de taak van een Centrale Dienst alsvolgt: zich blijkens de statuten dan wel de gemeenschappelijke regeling, behoudens artikel 132, zesde lid, uitsluitend ten doel stellen om ten behoeve van scholen en andere onderwijsinstellingen die uit ’s Rijks kas worden bekostigd, werkzaamheden te verrichten ter verzekering van de goede gang van het onderwijs met uitzondering van het leiden van de school, het geven van onderwijs en het verrichten van werkzaamheden op het terrein van de schoolbegeleiding als bedoeld in artikel 179.

Uit het vorenstaande volgt dat eiseres niet kan worden begrepen onder een dienst als bedoeld onder artikel 179 of 180 van de WPO en daarom geen gebruik kan maken van de vrijstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de wet.

De tijdigheid van de naheffingsaanslag 2001

4.8. Eiseres stelt de onder 1.1. genoemde naheffingsaanslag eerst op 3 januari 2007 te hebben ontvangen. Ingevolge artikel 5, eerste lid, tweede volzin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geldt de dagtekening van het aanslagbiljet als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. Artikel 20, derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat de bevoegdheid tot naheffen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De dagtekening van de aanslag is 29 december 2006. Daarvan uitgaande is de bevoegdheid tot naheffen niet vervallen. Dit is anders indien zou blijken dat het aanslagbiljet na de datum van de dagtekening ter post is bezorgd en wel op 2 januari 2007. Eiseres heeft hieromtrent gesteld dat gezien het feit dat de ontvangst van de aanslag meerdere dagen na de dagtekening van de aanslag ligt deze niet tijdig is opgelegd. Verweerder heeft hiertegenover niet dan wel onvoldoende weersproken gesteld

- dat hij eiseres op 6 december 2006 per brief in kennis heeft gesteld van zijn voornemen een naheffingsaanslag over het jaar 2001 op te leggen in verband met verjaring;

- dat hij op 13 december 2006 de aanslaggegevens heeft vertoetst en dat hij daarbij de dagtekening heeft vastgesteld op 28 december 2006;

- dat hij de aanslag twee werkdagen voor de dagtekening ter post heeft bezorgd.

Gelet op hetgeen partijen omtrent dit geschilpunt hebben aangevoerd en het feit dat van algemene bekendheid is dat de postbezorging rond de jaarwisseling een vertraging ondervindt van enkele dagen acht de rechtbank aannemelijk dat de aanslag tijdig ter post is bezorgd.

De boetes

4.9. Blijkens de onder 2.3. genoemde brief was eiseres op de hoogte van het feit dat er zich wijzigingen hadden voorgedaan ten aanzien van de haar gebezigde vrijstellingen. Bovendien was zij door verweerder er over geïnformeerd dat zij voor bepaalde door haar verrichte prestaties omzetbelasting in rekening moest brengen en afdragen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op grond van andere informatie mocht menen dat zij geen omzetbelasting in rekening behoefde te brengen. Voorts heeft eiseres in sommige gevallen wel omzetbelasting in rekening gebracht maar niet op aangifte afgedragen. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank de boetes zoals genoemd onder 1.2 tot en met 1.4., alsmede de verlaagde boete zoals genoemd onder 1.8, (na vermindering overeenkomstig het onder 4.4 vermelde oordeel van de rechtbank) passend en geboden.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

Nu de beroepen gegrond zijn, vindt de rechtbank aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van de bezwaren en het beroepen redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.449 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1; vermenigvuldigd met 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken.).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op de onder 1.1. tot en met 1.5. genoemde aanslagen, boetebeschikkingen en

heffingsrente in voorkomend geval met in achtneming van zijn uitspraken op bezwaar, te verminderen overeenkomstig het onder 4.4. vermelde oordeel van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.449 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van

€ 288 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Roke, voorzitter, en mr.drs. M.C.C. van de Schepop, en mr. E. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.