Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ4506

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
08/297
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting. Op de eerste verkrijging is de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel a, Wet Brv ten onrechte toegepast, zodat bij die verkrijging wel overdrachtsbelasting verschuldigd was. Nu de tweede verkrijging heeft plaatsgevonden binnen 6 maanden na de eerste verkrijging, heeft eiseres recht op vermindering van de overdrachtsbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1913 met annotatie van Verstijnen
FutD 2009-1659

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/297

Uitspraakdatum: 7 juli 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

gemachtigde: A, belastingadviseur te Q,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 24 januari 2006 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting met nummer 0000.000.00.0000 opgelegd, ten bedrage van € 36.000. Eveneens is aan eiseres bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van

€ 1.879.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 november 2007 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 december 2007, ontvangen bij de rechtbank op 21 december 2007, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het beroep is behandeld ter zitting van 4 september 2008. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen B. De rechtbank heeft, op verzoek van verweerder, het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te geven te reageren op de door de gemachtigde van eiseres ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota.

De voortgezette behandeling heeft plaatsgevonden op 16 maart 2009. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V. wordt op 2 februari 1987 opgericht met als doel - onder meer - de handel en het beleggen van vermogen in en het voeren van het beheer over aandelen, ondernemingen, roerende en onroerende zaken in het algemeen en meer in het bijzonder het verwerven en beheren van onroerende goederen welke zijn bestemd om te worden gebruikt door ondernemingen van D B.V. of haar dochter- of zustervennootschappen.

2.2. Op 12 december 2003 verkrijgt C een appartementsrecht bestaande uit het uitsluitend gebruik van de winkel c.q. bedrijfsruimte op de begane grond van de onroerende zaak a-straat 1, 0000 AA te R, kadastraal gemeente Stad-Ommen sectie C, complexaanduiding 524A, appartementindex 1 (hierna: het pand) van E B.V. (hierna: de verkoper). De koopprijs bedraagt € 485.000 exclusief omzetbelasting. In de akte van levering van 12 december 2003 (hierna: de akte van levering) wordt een beroep gedaan op de toepassing van artikel 15, eerste lid, letter a, van de Wet op Belastingen van Rechtsverkeer (hierna: Wet BRV).

2.3. Met ingang van 1 november 2003 is C B.V. een huurovereenkomst aangegaan met D B.V. voor de duur van tien jaar. Reeds vóór de levering van het pand heeft D B.V. het pand in gebruik genomen.

2.4. Op 4 mei 2004 wordt het pand door C B.V. overgedragen aan eiseres voor een bedrag van € 600.000. Op 1 mei 2004 is eiseres met D B.V. een huurovereenkomst met betrekking tot het pand aangegaan voor de duur van tien jaar.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of aan eiseres terecht een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting is opgelegd ter zake van de verkrijging van het pand op 4 mei 2004. Meer specifiek is in geschil of eiseres terecht een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 13 Wet BRV. Voorts is in geschil de waarde van de onroerende zaak op 12 december 2003.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd dient te worden aangemerkt, en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar en beroep

4.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres, dat zij in de zevende week na de dagtekening van de aanslag heeft ontvangen, ontvankelijk geacht. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken.

4.2. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep overweegt de rechtbank voorts ambtshalve het volgende. Ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vangt de beroepstermijn, in afwijking van artikel 6:8 Awb, aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:7 Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 2, Awb).

4.3. Verweerder heeft gesteld dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 8 november 2007, maar dat deze datum abusievelijk niet op de door eiseres ontvangen uitspraak op bezwaar is vermeld. Nu gesteld noch gebleken is dat de uitspraak op bezwaar eerst na dagtekening daarvan is verzonden, is de beroepstermijn aangevangen op 9 november 2007 en geëindigd op 20 december 2007. Het beroep is op 21 december 2007 per faxbericht bij de rechtbank ingediend. Hieruit volgt dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

4.4. Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na de termijn ingediend beroepschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.5. De rechtbank constateert dat verweerder op de uitspraak op bezwaar verzuimd heeft een dagtekening en een rechtsmiddelverwijzing te vermelden. Bij eiseres is daardoor verwarring ontstaan over de uiterlijke datum voor het indienen van het beroepschrift en over de daarvoor aangewezen instantie. Eerst op 20 december 2007 heeft verweerder aan eiseres de dagtekening van de uitspraak op bezwaar kenbaar gemaakt. Eiseres heeft de daarop volgende dag beroep ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres nadat haar het verstrijken van de beroepstermijn op 20 december 2007 duidelijk werd, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was, beroep ingesteld. Om die reden acht de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar. Het beroep van eiseres is derhalve ontvankelijk.

Naheffingsaanslag overdrachtsbelasting

4.6.1. In artikel 13 Wet BRV is bepaald dat in geval van verkrijging binnen zes maanden na een vorige verkrijging van dezelfde goederen door een ander, de waarde wordt verminderd met het bedrag waarover ter zake van de vorige verkrijging was verschuldigd hetzij overdrachtsbelasting naar het gewone tarief welke niet in mindering heeft gestrekt van recht van successie, van schenking of overgang, hetzij omzetbelasting welke in het geheel niet op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek kon worden gebracht.

4.6.2. Met de woorden ‘ter zake van de vorige verkrijging was verschuldigd’ in voormelde bepaling wordt gedoeld op de materiële belastingschuld en niet op de overdrachtsbelastingschuld of omzetbelastingschuld die door voldoening op aangifte of naheffing daadwerkelijk is geformaliseerd. Niet van belang is derhalve dat de belasting ter zake van die vorige verkrijging in feite niet is geheven (vgl. Gerechtshof Arnhem 19 april 2004, nr. 02/1231, VN 2004/40.19 en 10 juni 2008, nr. 06/00537, VN 2008/54.26).

4.7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat artikel 13 Wet BRV in dit geval van toepassing is. Bij de vorige verkrijging (op 12 december 2003) is naar de stelling van eiseres ten onrechte vrijstelling van overdrachtsbelasting geclaimd en verkregen, nu het pand ten tijde van die verkrijging in gebruik was als bedrijfsmiddel. Nu bij die vorige verkrijging overdrachtsbelasting was verschuldigd, kan bij de verkrijging op 4 mei 2004 een beroep worden gedaan op het bepaalde in artikel 13 Wet BRV, aldus eiseres.

Verweerder bestrijdt dit en stelt dat het voorafgaand aan de datum van levering gelegenheid krijgen tot het inrichten van het pand niet impliceert dat het pand daadwerkelijk vóór de levering in gebruik is genomen. Zo het pand al in gebruik is genomen vóór de levering is verweerder van mening dat dit het gevolg is van het uitstellen van de levering door omstandigheden buiten de wil van de verkoper. Artikel 15, eerste lid, onderdeel a, Wet BRV ziet niet op een dergelijke situatie, aldus verweerder.

4.8. In artikel 15, eerste lid, onder a, Wet BRV is bepaald dat onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden van de belasting is vrijgesteld de verkrijging krachtens een levering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 of een dienst als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b, slot¬alinea, van die wet ter zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd, tenzij het goed als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger de omzetbelasting op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen.

4.9. Voor de toepasselijkheid van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel a, Wet BRV is vereist dat de verkregen onroerende zaak nog niet in gebruik genomen is als bedrijfsmiddel. Ter beoordeling ligt dan ook voor de vraag of de onroerende zaak vóór de verkrijging op 12 december 2003 feitelijk en daadwerkelijk als bedrijfsmiddel in gebruik is genomen. Daarbij is niet van belang door wie de zaak in gebruik is genomen.

4.10. Tussen partijen is niet in geschil dat het de bedoeling van C B.V. en D B.V. was om de huurovereenkomst tussen hen beiden daadwerkelijk te laten ingaan op 1 november 2003. Wegens omstandigheden was het echter niet mogelijk om de levering van het pand aan C B.V. op uiterlijk 1 november 2003 te laten plaatsvinden. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat D B.V. door de verkoper in de gelegenheid is gesteld, door de overdracht van de sleutel, om het pand reeds voorafgaand aan het tijdstip van de levering op 12 december 2003 in te richten, en dat het pand ook daadwerkelijk reeds vóór 12 december 2003 (in ieder geval gedeeltelijk) was ingericht. Tot de stukken van het geding behoren voorts foto’s van het pand, welke onderdeel uitmaken van een taxatierapport van 25 november 2003, waarop is te zien dat de onroerende zaak is ingericht als winkel.

4.11. De rechtbank is op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in samenhang bezien van oordeel dat het pand voorafgaand aan het tijdstip van de levering op 12 december 2003 feitelijk en daadwerkelijk als bedrijfsmiddel in gebruik was genomen door D B.V.. De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel a, Wet BRV dan ook ten onrechte toegepast op de verkrijging van het pand door C B.V. op 12 december 2003, hetgeen meebrengt dat ter zake van de vorenbedoelde verkrijging overdrachtsbelasting naar het gewone tarief verschuldigd was, welke niet in mindering heeft gestrekt van het recht van successie, van schenking of van overgang.

4.12. Nu de verkrijging van eiseres op 4 mei 2004 heeft plaatsgevonden binnen zes maanden na de verkrijging van C B.V. op 12 december 2003 en C B.V. blijkens het onder 4.11 overwogene overdrachtsbelasting was verschuldigd over de waarde van het door haar verkregen pand, komt voor de berekening van de in dit geding aan de orde zijnde overdrachtsbelasting die waarde volledig in mindering op de waarde van de verkrijging door eiseres.

4.13 De door partijen in de loop van de procedure opgeworpen vraag of voorafgaand aan 12 december 2003 de economische eigendom van het pand reeds was overgedragen, kan onbesproken blijven, nu de beantwoording daarvan niet tot een andere uitkomst kan leiden.

De waarde van het pand op 12 december 2003

4.14. In artikel 9, eerste lid, Wet BRV is bepaald dat de belasting wordt berekend over de waarde van de onroerende zaak of het recht waaraan deze is onderworpen, waarop de verkrijging betrekking heeft. De waarde is ten minste gelijk aan die van de tegenprestatie. Artikel 52, eerste lid, Wet BVR bepaalt vervolgens dat onder waarde moet worden verstaan de waarde in het economische verkeer.

4.15. De tegenprestatie die bij de verkrijging van het pand door C B.V. in de akte van levering van 12 december 2003 is vermeld is € 485.000. Tussen partijen is niet in geschil dat de koopprijs op een normale – zakelijke - wijze tot stand is gekomen. Eiseres stelt zich echter op het standpunt dat de waarde in het economische verkeer van het pand op 12 december 2003 hoger was dan de in juni 2003 overeengekomen koopprijs omdat het pand in juni 2003 in onverhuurde staat verkeerde en in december 2003 in verhuurde staat en verbindt daaraan de gevolgtrekking dat bij de toepassing van artikel 13 BRV moet worden uitgegaan van een verkrijgingsprijs op 12 december 2003 van € 600.000.

4.16. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde in het economische verkeer op 12 december 2003 hoger was dan de koopprijs, welke tussen partijen op 10 juni 2003 tot stand is gekomen. Daarbij is van belang dat het doel van C B.V. is het beheren van onroerend goed van D B.V.. De rechtbank leidt hieruit af dat reeds bij het tot stand komen van de koopovereenkomst op 10 juni 2003 C B.V. de intentie had het pand te verhuren aan D B.V.. In het onderhavige geval gaat er van de omstandigheid dat het pand ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst in onverhuurde staat verkeerde, gelet op die intentie geen invloed op de waarde uit. De rechtbank stelt de waarde van het pand op 12 december 2003 dan ook vast overeenkomstig de koopprijs, op € 485.000, nu ook overigens geen waardeveranderende omstandigheden in de periode tussen de aankoop op 10 juni 2003 en de levering op 12 december 2003 zijn gesteld of gebleken.

4.17. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, Wet BRV van het pand op 4 mei 2004 dient te worden vastgesteld op de tussen partijen overeengekomen koopprijs van € 600.000. De naheffingsaanslag dient derhalve te worden vastgesteld op 6% van € 115.000, oftewel € 6.900.

4.18. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punten voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn gesteld noch gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 6.900 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 805, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 285 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.W.J. Harten, voorzitter, mr. E. Jochem en mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W. Kuik, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.