Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ3793

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
08/4966
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inkomensafhankelijke bijdrage. Voorwerp van geschil is het percentage van de premie van de door eiseres genoten prepensioenuitkering in 2006. Eiseres had, als gerechtigde van een prepensioenuitkering die vóór 1 januari 2006 in is gegaan, recht op een vergoeding door het pensioenfonds van de inkomensafhankelijke bijdrage. De inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt in dat geval 6,50%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/45.12 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1637
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/4966

Uitspraakdatum: 2 juni 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiseres,

gemachtigde: A

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P., verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres bij beschikking met dagtekening 8 december 2007

een teruggaaf bijdrage ziektekostenverzekering verleend voor een bedrag van € 130 aan te veel ingehouden bijdrage ziektekostenverzekering alsmede € 7 aan heffingsrente aan eiseres vergoed.

Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 24 april 2008 gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiseres en heeft nog eens € 2 aan te veel ingehouden bijdrage ziektekostenverzekering teruggegeven, alsmede € 1 extra aan heffingsrente aan eiseres vergoed.

Eiseres heeft daartegen beroep aangesteld bij de rechtbank Utrecht bij telefaxbericht van 10 juni 2008. Bij brief van 10 juli 2008 heeft de rechtbank Utrecht het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank Haarlem, omdat zij deze rechtbank relatief bevoegd acht.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2009. Eiseres is niet verschenen. De griffier heeft eiseres bij aangetekende brief, verzonden op 29 december 2008 en gericht aan het in het beroepschrift vermelde postbusadres van de gemachtigde, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De brief is retour gekomen met de mededeling “Niet afgehaald”. De griffier heeft van het kantoor van de gemachtigde de telefonische bevestiging gekregen dat het postbusadres juist is en de brief onmiddellijk per gewone post aan hetzelfde adres gezonden. Eiseres is derhalve tijdig en op de voorgeschreven wijze uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

Namens verweerder zijn verschenen mr. B en C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres genoot in 2006 de volgende inkomsten:

- een nabestaandenuitkering van D;

- een prepensioen van E;

- een uitkering van F.

2.2. De inhoudingsplichtigen hebben tezamen een bedrag van € 1948 aan inkomensafhankelijke bijdrage Ziektekostenverzekeringswet ingehouden.

3. Geschil

3.1. In geschil is of op het inkomen dat eiseres heeft genoten van E een bijdragepercentage geldt van 6,50%, zoals verweerder stelt, dan wel 4,40%, zoals eiseres stelt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen in de van hen afkomstige stukken en door verweerder ter zitting zijn aangevoerd.

3.3. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van de premie Zorgverzekeringswet ten aanzien van eiseres over het jaar 2006 op € 1410. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ontvankelijkheid beroep en bevoegdheid rechtbank

4.1.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende. Ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vangt de beroepstermijn, in afwijking van artikel 6:8 Awb, aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:7 Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.1.2. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 24 april 2008. Niet gesteld of gebleken is dat de dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking, zodat de beroeptermijn is aangevangen op 25 april 2008 en is geëindigd op 5 juni 2008. Het beroep is op 10 juni 2008 ingediend per telefax bij de rechtbank. Hieruit volgt dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na de termijn ingediend beroepschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 6:11 Awb ziet op gevallen waarin de belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden.

4.1.3. De rechtbank constateert dat verweerder op de uitspraak op bezwaar heeft vermeld: “Het beroepschrift moet op 10 juni 2008 binnen zijn bij de rechtbank.” Verweerder heeft daarmee – gelet op het bovenstaande – onjuiste voorlichting verstrekt over de beroepstermijn aan eiseres. Om die reden acht de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar. Het beroep van eiseres is derhalve ontvankelijk.

4.1.4. Verweerder heeft gesteld dat uit artikel 48 van de Zorgverzekeringswet, waarin is bepaald dat de rijksbelastingdienst de inkomensafhankelijke bijdrage heft, en artikel 49 van die wet, waarin voor zover thans van belang is bepaald dat de inkomensafhankelijke bijdrage bij wijze van inhouding wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels, volgt dat de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage een rijksbelasting is en daarom de bepalingen over beroep uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen op deze zaak van toepassing zijn. De rechtbank ziet geen grond verweerder daarin niet te volgen, temeer nu in artikel 50 van de Zorgverzekeringswet is bepaald dat teveel betaalde bijdrage bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt vastgesteld. Die laatste bepaling wijst er op dat de wetgever bij een beschikking als thans in geschil het regime van rechtsbescherming volgens de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor ogen had.

4.2. Ten gronde

4.2.1. Artikel 46, eerste lid van de Zorgverzekeringswet luidt als volgt:

Een verzekeringsplichtige die bij regeling van Onze Minister aan te wijzen loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting geniet, heeft recht op een volledige vergoeding door de inhoudingsplichtige van de inkomensafhankelijke bijdrage over dit deel van het bijdrage-inkomen.

Artikel 5.4, aanhef en onder b, ten eerste, van de Regeling zorgverzekering (tekst 2006), luidt als volgt:

Als loon, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet wordt aangewezen:

(…)

b. tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin de verzekeringsplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt: loon uit vroegere arbeid overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van:

1°. uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, niet zijnde een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding die vóór 1 januari 2006 is ingegaan en op grond waarvan de uitkeringsgerechtigde ingevolge artikel 1, onderdeel g, van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet.

Artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet luidde in 2006 als volgt:

De inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt een percentage van het bijdrage-inkomen.

Artikel 5.2, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering luidde in 2006 als volgt:

Het percentage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet wordt vastgesteld op 6,50.

Artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling zorgverzekering luidde in 2006 voor zover van belang als volgt:

In afwijking van het eerste lid bedraagt het percentage over bijdrage-inkomen waarover geen recht bestaat op de vergoeding van de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage door de inhoudingsplichtige, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet 4,40.

4.2.2. Voorwerp van geschil is het percentage van de premie die E zou hebben ingehouden op de door eiseres genoten prepensioenuitkering in 2006. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat het prepensioen dat eiseres in 2006 ontving van E, reeds vóór 1 januari 2006 inging. Op grond van artikel 46 van de Zorgverzekeringswet juncto artikel 5.4, aanhef en onder b, ten eerste, van de Regeling Zorgverzekering had eiseres, als gerechtigde van een prepensioenuitkering die vóór 1 januari 2006 in was gegaan, derhalve recht op een vergoeding door E van de inkomensafhankelijke bijdrage. Op grond van artikel 45 van de Zorgverzekeringswet (2006), juncto artikel 5.2, eerste lid, van de Regeling Zorgverzekering (2006) bedraagt de inkomensafhankelijke bijdrage in dat geval 6,50%. De uitzondering van artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling zorgverzekering is dan namelijk niet van toepassing.

4.2.4. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat het percentage van de inkomensafhankelijke bijdrage inzake de E-uitkering 6,50 van het bijdrage-inkomen bedraagt. Eiseres, die een percentage van 4,40 bepleit, heeft geen argumenten aangevoerd die op het tegendeel wijzen. Verweerder heeft, zo is verder niet in geschil, de teruggave overigens op de juiste wijze berekend.

4.2.5. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 2 juni 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.M. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.