Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ3767

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
159578 - KG ZA 09-404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert in kort geding o.a. opschorting van de beslissing van de tuchtcommissie, waarbij eiser voor twee jaar is uitgesloten van deelname aan door sportbond georganiseerde wedstrijden, wegens strijd met privacywetgeving.Voorzieningenrechter acht zich - ondanks daarvoor aangewezen speciale rechtsgang - gezien de zeer hoge mate van spoedeisendheid bevoegd om van de vordering kennis te nemen, doch kan de door de tuchtcommissie genomen beslissing slechts marginaal toetsen. De voorzieningenrechter acht het voorshands niet aannemelijk dat de beslissing van de tuchtcommissie als in strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel in een daartegen door eiser nog in te stellen beroep niet in stand zal blijven. Dat er geen alternatief voorhanden is voor de wijze van controleren op gebruik van verboden stoffen door sporters anders dan een dopingtest, rechtvaardigt in beginsel het hanteren van de gebruikte methode, zodat dopingcontroles als de onderhavige voorshands dan ook geen inbreuk lijken te maken op de privacywetgeving. Tuchtcommissie heeft niet in strijd gehandeld met privacywetgeving of essentiële rechtsbeginselen. Volgt afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 159578 / KG ZA 09-404

Vonnis in kort geding van 24 juli 2009

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Amsterdam,

eiser,

advocaat mr. drs. C. Hellingman te Amsterdam,

tegen

de vereniging

NEDERLANDSE WATERSKI- & WAKEBOARD BOND,

gevestigd te Hoofddorp,

gedaagde,

advocaat mr. F.C. Kollen te Bussum.

Partijen zullen hierna [eiser] en de NWWB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 21 juli 2009

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van de NWWB.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De NWWB is een vereniging voor de waterski- en wakeboardsport in Nederland. In de statuten van de NWWB is – voor zover voor het onderhavige geschil van belang – het volgende opgenomen:

Artikel 5 - Algemene rechten en verplichtingen

1. Leden van de bond zijn verplicht:

a. de statuten, reglementen en besluiten van organen van de bond, alsmede de door het bondsbestuur van toepassing verklaarde wedstrijdbepalingen na te leven;

(…)

d. de reglementen en besluiten van de Stichting Instituut Sportrechtspraak na te leven;

e. alle overige verplichtingen, welke de bond in naam of ten behoeve van de leden aangaat of welke uit het lidmaatschap van de bond voortvloeien, te aanvaarden en na te komen.

(…)

9. Het gebruik of doen gebruiken van ongeoorloofde middelen (doping) is verboden. Leden zijn verplicht hun volledige medewerking te geven aan dopingcontroles en zich te houden aan het Dopingreglement van het Instituut Sportrechtspraak

(…)

Artikel 6.a. - Rechtspraak en geschillen

1. De in dit artikel bedoelde rechtspraak en geschillenbeslechting is op alle leden van de bond van toepassing.

2. Op een overtreding van de statuten, reglementen en/of besluiten is de tuchtrechtspraak van de bond van toepassing. Deze tuchtrechtspraak geschiedt door de tuchtcommissie en de commissie van beroep van de Stichting Instituut Sportrechtspraak, welke stichting hierna nader wordt aangeduid als Instituut Sportrechtspraak.

(…)

Artikel 7 - Tuchtrechtspraak

1. Alle leden van de bond zijn onderworpen aan de tuchtrechtspraak van de bond, welke tuchtrechtspraak krachtens een overeenkomst door de bond is opgedragen aan het Instituut Sportrechtspraak.

(…)

3. Op de tuchtrechtspraak van de bond is het Tuchtreglement van toepassing. Op de leden is tevens van toepassing het Reglement seksuele intimidatie, alsmede het Dopingreglement, de daarvan deel uitmakende dopinglijsten, het daarmee samenhangende Bijlage Dispensaties en de door de internationale sportfederatie op de bond van toepassing verklaarde sportspecifieke dopingbepalingen. Wanneer het Dopingreglement en het Reglement seksuele intimidatie wordt overtreden, geschiedt de tuchtrechtspraak met inachtneming van het Tuchtreglement en onderscheidenlijk het Dopingreglement en/of het Reglement seksuele intimidatie.

2.2. In genoemd tuchtreglement (hierna: het Tuchtreglement) is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

Artikel 18 — Tenuitvoerlegging

(…)

4. Het instellen van beroep schort de tenuitvoerlegging van een straf niet op. Op verzoek van de betrokkene kan de algemeen voorzitter van de commissie van beroep de tenuitvoerlegging van een straf tijdens de behandeling van het beroep opschorten. Het verzoek tot het opschorten van de straf kan tegelijk worden gedaan met het indienen van een beroepschrift maar niet eerder. Het verzoek wordt niet eerder in behandeling genomen dan nadat voldaan is aan het bepaalde in artikel 17 lid 12. Het bestuur kan voorschrijven dat gebruik wordt gemaakt van een standaard verzoekschrift. De algemeen voorzitter van de commissie van beroep doet op het verzoek schriftelijk uitspraak, welke uitspraak de commissie van beroep niet bindt bij haar eindoordeel.

2.3. In genoemd dopingreglement (hierna: het Dopingreglement) is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

Artikel 3 - Aanwezigheid verboden stof(fen) en/of verboden methode(n)

1. De overtreding van een verboden stof en/of een verboden methode, de afbraakproducten daarvan en/of markers in een monster van een sporter vormt een overtreding van dit reglement.

(…)

7. Het is de persoonlijke plicht van elke sporter ervoor te zorgen dat geen verboden stof(fen), verboden methode(n), afbraakproducten daarvan en/of markers in zijn lichaam binnenkomen. Sporters zijn verantwoordelijk voor alle verboden stoffen, verboden methoden, de afbraakproducten daarvan en/of markers, die worden aangetroffen in hun monsters. Dientengevolge hoeft geen opzet, schuld, nalatigheid van of bewust gebruik door de sporter te worden aangetoond om een overtreding van artikel 3 te kunnen vaststellen.

(…)

Artikel 5 - (Poging tot) gebrekkige medewerking

1. Het door de sporter (pogen te) weigeren een monster te produceren, te verstrekken en/of af te staan vormt een overtreding van dit reglement.

2. Het door de sporter:

a. Zonder geldige reden niet (tijdig) (in staat zijn zich te) onderwerpen aan, het niet meewerken aan (enig element van) de dopingcontrole na daartoe (mondeling) te zijn aangewezen, alsmede een poging hiertoe;

en/of

b. ontwijken van (enig element van) de dopingcontrole, alsmede een poging hiertoe,

vormt een overtreding van dit reglement.

3. Sporters, begeleiders, begeleidend personeel en de leden van een sportbond zijn verplicht volledig, tijdig en ook overigens naar behoren hun medewerking aan de dopingcontrole te verlenen, aanwijzingen van de (assistent) dopingcontroleofficial op te volgen, alsmede gehoor te geven aan verzoeken van de (assistent) dopingcontroleofficial. Het niet nakomen van deze verplichting(en) vormt een overtreding van dit reglement.

(…)

Artikel 16 – Sporters met een beperking

1. Op sporters met een beperking zijn de algemene bepalingen van dit reglement van toepassing, alsmede de specifieke bepalingen welke uitdrukkelijk op een sporter met een beperking van toepassing zijn verklaard. Indien een specifieke bepaling in strijd is met een algemene bepaling prevaleert de specifieke bepaling.

(…)

Artikel 17 - Privacy

1. Het bondsbestuur van de sportbond, het Instituut Sportrechtspraak, de Dopingautoriteit, alsmede eventuele andere dopingcontrole-uitvoerende organisaties, dragen zorg voor het verwerken van de in het kader van de uitvoering van dopingcontroles verzamelde persoonsgegevens conform het gestelde in de Wet Bescherming Persoonsgegevens.

(…)

3. Persoonsgegevens van sporters, waaronder hun whereabouts-informatie, dispensatiegegevens en controleresultaten, (kunnen) worden verzonden aan het bondsbestuur van de sportbond, de dopingcontrole-uitvoerende organisatie(s), laboratoria, de Dopingautoriteit, internationale federatie(s), alsmede WADA, met dien verstande dat dit slechts geschiedt (i) op ‘need to know’ basis en (ii) in overeenstemming met de Wet Bescherming Persoonsgegevens.

2.4. In de Wet Bescherming Persoonsgegevens is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

Artikel 8 – Privacy

Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;

b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;

c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;

d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;

e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of

f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

(…)

Artikel 16

De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.

(…)

Artikel 23

1. Onverminderd de artikelen 17 tot en met 22 is het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 te verwerken niet van toepassing voor zover:

a. dit geschiedt met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene;

(…)

2.5. [eiser] is lid van de NWWB. [eiser] heeft in het verleden deelgenomen aan door de NWWB georganiseerde (inter)nationale waterski-evenementen ten behoeve van sporters met een beperking.

2.6. Op 30 november 2008 is [eiser] aangewezen voor een dopingcontrole buiten wedstrijdverband (hierna: ‘de dopingcontrole’), waarbij [eiser] een Aanwijzingsformulier Dopingcontrole heeft ingevuld en ondertekend. In het Aanwijzingsformulier Dopingcontrole is – voor zover hier van belang – de volgende informatie opgenomen:

Aanwijzingsformulier

2.7. Na afloop van de dopingcontrole heeft [eiser] een Dopingcontroleformulier ingevuld en ondertekend. In het Dopingcontroleformulier is – voor zover hier van belang – de volgende informatie opgenomen:

Dopingcontroleformulier

2.8. Op de achterzijde van het Dopingcontroleformulier is – voor zover hier van belang – de volgende informatie opgenomen:

Dopingcontroleformulier - achterzijde

2.9. Blijkens het analyserapport van de hiervoor genoemde Dopingautoriteit is in het urinemonster van [eiser] een verboden stof als bedoeld in het Dopingreglement aangetroffen, op grond waarvan een klacht tegen [eiser] is ingediend bij de tuchtcommissie van het Instituut Sportrechtspraak (hierna: ‘de tuchtcommissie’).

2.10. Op 16 juni 2009 heeft de tuchtcommissie de klacht mondeling behandeld. Tijdens de zitting is door de tuchtcommissie aan [eiser] gevraagd hoe de verboden stof in zijn lichaam kon zijn aangetroffen, waarna [eiser] daarvoor, onder vermelding van voor hem privacygevoelige informatie, een mogelijke verklaring heeft gegeven. In de uitspraak van de tuchtcommissie d.d. 29 juni 2009 is daarover – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

Naar aanleiding van hetgeen door betrokkene na herhaald aandringen van de tuchtcommissie ter zitting naar voren werd gebracht over medicijnen die hij zou gebruiken naast de door hem aan de DCO opgegeven medicijnen heeft de tuchtcommissie gemeend een nader eigen onderzoek te moeten instellen. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat betrokkene vanwege een ernstige aandoening in het verleden het medicijn nandrolon heeft gebruikt. Het voorschrijven van dit medicijn is in 2006 op verzoek van betrokkene gestopt in verband met zijn sportcarrière en de verboden stoffen die dit medicijn bevat. Later, en ook kort voor de controle die het positieve resultaat opleverde, gebruikte betrokkene nog een ander medicijn x (vanwege de privacy zal de tuchtcommissie de naam van dit medicijn niet noemen). Betrokkene vermoedt dat er bij de toediening kort voor de dopingcontrole een vergissing is gemaakt en dat hij in plaats van medicijn x, dat geen verboden stof bevat, nandrolon heeft gebruikt. Dit zou in zijn ogen de enige plausibele verklaring kunnen zijn voor de positieve uitslag.

2.11. De tuchtcommissie heeft [eiser] in haar uitspraak van 29 juni 2009 voor een periode van twee jaar uitgesloten van deelname aan door de NWWB georganiseerde wedstrijden en trainingen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat:

Het U.E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter behage bij vonnis, voor zover mogelijk

uitvoerbaar bij voorraad:

1. het besluit van 29 juni 2009 van de Bond eiser met onmiddellijke ingang te schorsen;

2. gedaagde te verbieden gebruik te maken van de op of omstreeks 30 november 2008 en nadien onrechtmatig verkregen persoonsgegevens van eiser, waaronder begrepen doch niet beperkt tot de controleresultaten, zoals deze is vastgelegd in correspondentie, formulieren, rapporten, verslagen, verklaringen en of andere gegevensdragers;

3. gedaagde te bevelen zorg te dragen dat eiser wordt toegelaten tot de trainingen en tot alle door de Bond te organiseren wedstrijden;

4. althans zodanige voorzieningen te treffen als U E.A. juist zal achten;

5. alles onder de bepaling dat gedaagde, tenzij zij ter zitting kenbaar heeft gemaakt Uw bevelen te zullen nakomen, een dwangsom zullen verbeuren van 50.000 voor iedere (gedeeltelijke) overtreding van enig hiervoor gevraagd gebod of verbod, vermeerderd met een dwangsom van € 10.000,-- per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 100.000,--, althans een zodanige dwangsom als U E.A. in goede justitie zal menen te behoren;

6. alles met veroordeling van gedaagde uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding.

3.2. NWWB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De NWWB heeft allereerst betwist dat de vorderingen van [eiser] spoedeisend zijn, stellende dat de op 25 en 26 juli 2009 te organiseren Nederlandse Kampioenschappen, voor sporters met een beperking, wegens gebrek aan voldoende deelnemers geen doorgang zullen vinden. Daarnaast heeft de NWWB gesteld dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen, omdat [eiser] als gevolg van zijn lidmaatschap van de Nederlandse Waterski- & Wakeboard Bond onderworpen is aan diens statuten en reglementen, waaronder de tucht- en arbitragereglementen, op grond waarvan [eiser] een andere rechtsgang had moeten kiezen.

4.2. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de spoedeisendheid en de bevoegdheid als volgt.

4.3. [eiser] heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat er voor gehandicapten geen nationale kampioenswedstrijden worden gehouden op 25 en 26 juli 2009. De NWWB heeft van haar stelling daaromtrent ook geen enkel bewijs geleverd, hetgeen – in het kader van de betwisting door [eiser] – wel van haar verwacht had mogen worden. Derhalve is onvoldoende vast komen te staan dat de Nederlandse Kampioenschappen op 25 en 26 juli 2009 voor sporters met een beperking geen doorgang zullen vinden. [eiser] kan daaraan echter slechts deelnemen wanneer de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de tuchtcommissie voordien wordt opgeschort. Daarmee is de spoedeisendheid gegeven.

4.4. In burgerlijke zaken met een spoedeisend karakter is de kortgedingrechter bevoegd. Daarnaast fungeert de kortgedingrechter als restrechter. De aanwijzing van een speciale rechtsgang, zoals in het onderhavige geval de commissie van beroep en, zoals NWWB heeft aangevoerd doch [eiser] heeft betwist, de arbitragecommissie van het Instituut Sportrechtspraak, maakt de kortgedingrechter in beginsel niet onbevoegd. Dit is alleen anders indien de aangewezen speciale rechtsgang een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang inhoudt, waarin de eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (HR 16 maart 1990, NJ 1990, 500). Om het voor [eiser] (eventueel) mogelijk te laten zijn alsnog aan genoemde Nederlandse kampioenschappen deel te nemen, zal op zeer korte termijn een beslissing moeten worden gegeven over de vraag of de uitspraak van de tuchtcommissie van 29 juni 2009 geschorst dient te worden. Onvoldoende is komen vast te staan dat, gelijk door NWWB is aangevoerd, (de voorzitter van) de commissie van beroep of de arbitragecommissie van het Instituut Sportrechtspraak over die vraag tijdig een uitspraak zal kunnen doen. Gegeven de omstandigheid dat de uitspraak van de tuchtcommissie nog geen maand geleden is gegeven en gelet ook op de tijd die [eiser] vervolgens nodig gehad zal hebben om deskundige bijstand te regelen, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat [eiser] zodanig heeft getalmd met het gaan bewandelen van de aangewezen speciale rechtsgang dat de voorzieningenrechter zich om die reden onbevoegd zou moeten verklaren. De voorzieningenrechter acht zich derhalve bevoegd om van de vordering van [eiser] kennis te nemen.

4.5. [eiser] heeft aan zijn vorderingen – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat hij niet vrijwillig (want onder dreiging van een tuchtrechtelijke sanctie c.q. uitsluiting) medewerking heeft verleend aan de dopingcontrole en dat de wijze waarop de dopingcontrole is uitgevoerd als een ontoelaatbare inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer moet worden beschouwd. Met name het herhaald aandringen van de tuchtcommissie op openheid onder dreiging van een sanctie en onder suggestie van strafvermindering, alsmede het gebrek aan in vrijheid verleende toestemming door [eiser] voor de verwerking door de NWWB van gegevens die de gezondheid van [eiser] betreffen is, aldus [eiser], in strijd gehandeld met het bepaalde in de privacywetgeving in het algemeen en de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) in het bijzonder.

4.6. Het verweer van de NWWB komt er – kort gezegd – op neer dat [eiser] zich door zijn lidmaatschap van de NWWB vrijwillig heeft gebonden aan diens regels, waaronder het Dopingreglement en het Tuchtreglement. Op grond van deze regels kunnen topsporters als [eiser] worden onderworpen aan dopingcontrole om het gebruik van verboden middelen door die sporters te toetsen. Het feit dat sancties kunnen worden verbonden aan niet-medewerking aan een dopingcontrole, maakt nog niet dat een eventuele toestemming voor het verrichten van een dergelijke dopingcontrole om die reden niet vrijwillig zou zijn gegeven, aldus nog steeds de NWWB.

4.7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.8. Op grond van artikel 6.a. van de statuten van de NWWB is op een overtreding van de statuten, reglementen en/of besluiten (waaronder mede begrepen moet worden het Dopingreglement) de tuchtrechtspraak van de NWWB van toepassing, welke tuchtrechtspraak is opgedragen aan de tuchtcommissie en de commissie van beroep van de Stichting Instituut Sportrechtspraak. [eiser] is als lid van de bond op grond van artikel 7 lid 1 van de statuten van de NWWB onderworpen aan genoemde tuchtrechtspraak. De toetsing van beslissingen binnen een andere rechtsgang, als die van de tuchtcommissie in het onderhavige geval, dienen in principe te worden verricht binnen de daarvoor overeengekomen rechtsgang. De voorzieningenrechter kan de door de tuchtcommissie genomen beslissing slechts marginaal toetsen. Als beoordelingscriterium heeft daarbij te gelden dat aannemelijk is dat de beslissing van de tuchtcommissie om [eiser] te schorsen wegens overtreding van het Dopingreglement als in strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel in een daartegen door [eiser] nog in te stellen beroep niet in stand zal blijven. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is zulks niet aannemelijk. Daartoe is het volgende redengevend.

4.9. In de wereld van (top)sport is het zonder de incidentele uitvoering van een dopingtest vrijwel onmogelijk om met zekerheid vast te kunnen stellen of er sprake is van gebruik van verboden stoffen door sporters. De medewerking daaraan door de desbetreffende sporters is daarbij onontbeerlijk. In het kader van de doelstelling van een dopingcontrole zal het verwerken van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid bovendien tot op zekere hoogte onvermijdelijk zijn. Dat de door [eiser] aangedragen mogelijkheid van het overleggen van een algemene doktersverklaring of het naar waarheid invullen van een vragenlijst door de desbetreffende sporters daarvoor geen reëel alternatief biedt, blijkt al uit het feit dat in het geval van [eiser] zèlf het gebruik van de verboden stof zonder dopingtest niet aan het licht zou zijn gekomen, omdat [eiser] naar eigen zeggen tot geruime tijd ná de gewraakte dopingtest geen weet had van zijn gebruik van de verboden stof in kwestie.

4.10. Dat er geen alternatief voorhanden is voor de wijze van controleren op gebruik van verboden stoffen door sporters anders dan een dopingtest, rechtvaardigt in beginsel het hanteren van de gebruikte methode, zodat dopingcontroles als de onderhavige voorshands dan ook geen inbreuk lijken te maken op de privacywetgeving. Voor het verwerken van de persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid is weliswaar op grond van het bepaalde in de Wet Bescherming Persoonsgegevens de toestemming van de desbetreffende persoon vereist, maar niet in geschil is dat [eiser] toestemming heeft gegeven. Dat die toestemming in casu onvrijwillig zou zijn verleend, zoals door [eiser] is aangevoerd, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. [eiser] heeft zich als topsporter en lid van de NWWB immers vrijwillig verbonden aan de statuten en reglementen van de NWWB, waaronder het Dopingreglement. Op grond daarvan is [eiser] gehouden tot medewerking aan dopingcontroles. Dat [eiser] gehandicapt is, doet daar (blijkens artikel 16 van het Dopingreglement) niet aan af. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [eiser] tijdens de dopingcontrole op enige wijze heeft geprotesteerd tegen de dopingcontrole of het verwerken van zijn persoonsgegevens daartoe. Het uitblijven van protest is ook logisch, daar [eiser], naar eigen zeggen, geen enkele reden had om op dat moment te vermoeden dat de uitslag van de test positief zou uitvallen. Evenmin is gebleken dat [eiser] tijdens de behandeling van de klacht, die als gevolg van de positiefbevinding bij de tuchtcommissie is ingediend, enig bezwaar kenbaar heeft gemaakt over de (uitvoering van de) dopingcontrole of zijn verleende toestemming voor het verwerken van zijn persoonsgegevens.

4.11. Bij de behandeling van de klacht als zodanig heeft de tuchtcommissie naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet in strijd gehandeld met enige privacywetgeving of essentiële rechtsbeginselen. Bij [eiser] is het gebruik van een verboden stof geconstateerd, welke constatering noch ter mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie, noch naderhand, door [eiser] is betwist. Een plausibele verklaring voor het gebruik van de geconstateerde verboden stof kon [eiser] aanvankelijk niet geven. Op het gebruik van de bedoelde verboden stof staat een straf van uitsluiting van door de NWWB georganiseerde wedstrijden en trainingen van twee jaar. Na herhaald aandringen van de tuchtcommissie heeft [eiser] alsnog een verklaring afgelegd. Door [eiser] niet direct van deelname van wedstrijden uit te sluiten, maar hem (alsnog) in de gelegenheid te stellen om een verklaring te verstrekken voor de aanwezigheid van de bedoelde verboden stof, heeft de tuchtcommissie juist gehandeld conform hetgeen van haar in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden. Dat [eiser] daarbij – al dan niet onder enig aandringen – bepaalde voor hem privacygevoelige feiten heeft genoemd, is een keuze van [eiser] zelf geweest. Anders dan [eiser] leest de voorzieningenrechter in de overgelegde uitspraak van de tuchtcommissie overigens niet dat de tuchtcommissie de bedoelde privacygevoelige feiten ‘volledig heeft verwerkt in zijn beslissing’, in tegendeel. Door in haar rapport te verwijzen naar ‘een ernstige aandoening’ en ‘medicijn x’, heeft de tuchtcommissie naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de privacy van [eiser] gerespecteerd. Het louter noemen van de naam van de verboden stof als medicijn in de beslissing van de tuchtcommissie leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet tot een (laat staan ernstige) schending van de persoonlijke levenssfeer van [eiser]. Dat die informatie – zoals [eiser] betoogt – bij sommige medisch specialisten wellicht een associatie zou kunnen oproepen met de ziekte van [eiser], doet daaraan niet af.

4.12. Op grond van het voorgaande acht de voorzieningenrechter geen grond aanwezig voor toewijzing van de gevraagde voorzieningen onder de punten 1 en 3 van de vordering. Ten aanzien van de onder 2 gevraagde voorziening is niet gebleken van enig spoedeisend belang van [eiser] bij het treffen van die voorziening. Niet in te zien valt dat voor wat betreft dit onderdeel van de vordering de uitkomst van de door [eiser] aangekondigde tuchtrechtelijke beroepsprocedure niet afgewacht kan worden. Onderdeel 4 van de vordering van [eiser] is te weinig concreet om te kunnen worden toegewezen. Gelet op het hiervoor overwogene is er ook geen grond om de onder de punten 5 en 6 van zijn vordering gevraagde voorzieningen te treffen. Alle gevraagde voorzieningen zullen daarom worden geweigerd.

4.13. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de NWWB worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.078,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de voorziening,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van NWWB tot op heden begroot op EUR 1.078,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. S.M.P. Langeveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2009.?