Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ3613

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
149727 - HA ZA 08-1125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil tussen partijen zowel in conventie als in reconventie betreft in essentie de vraag of gedaagde door (verkrijgende) verjaring de eigendom van een strook grond heeft verkregen, welke volgens het kadastrale uittreksel toebehoort aan de Gemeente.

Voor het antwoord op de vraag of gedaagde door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond is beslissend of gedaagde, althans zijn rechtsvoorganger, gedurende een termijn van tien jaar (te goeder trouw) of gedurende een termijn van twintig jaar (ongeacht goede trouw) bezitter van de strook grond is geweest. De rechtbank geeft gedaagde een bewijsopdracht ten aanzien van het door hem opgeworpen verjaringsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149727 / HA ZA 08-1125

Vonnis van 22 juli 2009

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BLOEMENDAAL,

zetelend te Overveen, gemeente Bloemendaal,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. drs. C.M. Gonsalves te Leiden,

tegen

1. [Gedaagde 1],

2. [Gedaagde 2],

beiden wonende te Bloemendaal,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. drs. H. Ferment te ‘s-Gravenhage.

Eiseres zal hierna de Gemeente genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 november 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 3 februari 2009, tevens houdende mondeling vonnis tot het bepalen van een descente, alsmede proces-verbaal van descente.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij notariële akte van 1 augustus 2003 heeft [gedaagde], op huwelijkse voorwaarden gehuwd met gedaagde sub 2, het perceel […] te Bloemendaal, kadastraal bekend gemeente Bloemendaal, sectie […], nummer […], geleverd gekregen van [A] op grond van een koopovereenkomst tussen [A] en [gedaagde] van 9 juni 2003.

2.2. [gedaagde] heeft een strook grond in gebruik, kadastraal bekend gemeente Bloemendaal, sectie […], nummer […], dat is gelegen aan de achterzijde van het perceel van [gedaagde] (hierna: de strook grond). Volgens het kadastrale uittreksel behoort de strook grond in eigendom toe aan de Gemeente, als onderdeel van het Bloemendaalse Bos.

2.3. Op het perceel van [gedaagde] bevinden zich diverse opstallen waaronder een garage alsmede een schuur waarin thans poppenkastvoorstellingen worden gegeven. Tegen de schuur heeft [A] enige tijd voor de levering aan [gedaagde] een houtberging geplaatst. Zowel de garage als de houtberging zijn deels op de strook grond gebouwd.

2.4. Bij brief van 14 februari 2005, door de Gemeente verzonden op 21 februari 2005, heeft de Gemeente [gedaagde] onder meer als volgt bericht:

Onlangs stelden wij helaas vast, dat u zonder toestemming - en dus illegaal - gemeentegrond in gebruik genomen heeft. Het gaat om openbare grond bestaande uit de groenstrook nabij uw woning aansluitend aan uw tuin, kadastraal bekend als sectie […] nummer […] met bestemming openbaar groen, plantsoen of berm volgens het bestemmingsplan Duin en Daal I 1e herziening (zie bijgevoegde tekening van 11-02-2005).

Wij verzoeken u en -voor zover nodig- sommeren u dit illegale gebruik te beëindigen en genoemde gemeentegrond ter vrije beschikking van onze gemeente te stellen en daarbij alle door u aangebrachte zaken op, onder en boven deze grond te verwijderen.[…].

2.5. Bij brief van 8 maart 2005 heeft [gedaagde] gereageerd op voornoemde brief van de Gemeente. In deze brief bericht [gedaagde] de Gemeente onder meer als volgt:

[…]

Wij hebben uw brief in goede orde ontvangen. Wij hebben [het huis] van de familie [A] in augustus 2003 gekocht. De familie [A] heeft in [het huis] sinds 1952 gewoond. Op verzoek van de gemeente hebben wij afgelopen zomer aan de [straat] een nieuw hek geplaatst en hebben wij op de sinds vele jaren bestaande erfafscheiding bij het Bloemendaalsebos ook een hek geplaatst tegen het inlopen van ongewenste twee en vier voeters. Uw stelling name in uw brief is derhalve enerzijds gebaseerd op onjuiste gegevens en anderzijds door verjaring niet houdbaar.

[…]

2.6. In opdracht van de Gemeente heeft een landmeter van het Kadaster, directie Noordwest, vestiging Amsterdam, de kadastrale grens tussen het perceel van [gedaagde] en de strook grond gereconstrueerd. De grensaanwijzing heeft plaatsgevonden ten overstaan van twee ambtenaren van de Gemeente alsmede gerechtsdeurwaarder mr. R.J. Oost die, op verzoek van de Gemeente, een proces-verbaal van constatering heeft opgemaakt. De gerechtsdeurwaarder heeft van verschillende markeringen foto’s gemaakt en deze aan het proces-verbaal gehecht.

2.7. Op 9 november 2005 heeft de landmeter de Gemeente een toelichting op het veldwerk alsmede een kopie van het veldwerk toegezonden.

2.8. Bij brief van 27 april 2006, door de Gemeente verzonden op 3 mei 2006, heeft de Gemeente [gedaagde] een afschrift van de grensreconstructie door het Kadaster toegezonden. de Gemeente heeft [gedaagde] in deze brief onder meer als volgt bericht:

[…]

Wij stellen derhalve vast dat de door u gebruikte groenstrook aansluitend aan uw tuin (kadastraal bekend sectie […] nummer […] met bestemming openbaar groen, plantsoen of berm) onderdeel uit maakt van het Bloemendaalse bos en door u illegaal in gebruik is genomen.

Wij verzoeken - en voorzover nodig- sommeren u dit illegale gebruik binnen één week te beëindigen en genoemde gemeentegrond ter vrije beschikking van onze gemeente te stellen en daarbij alle door u aangebrachte zaken op, onder en boven deze grond te verwijderen.

[…]

2.9. Bij brieven van 10 mei 2006 en 1 juni 2006 heeft de advocaat van [gedaagde] op de brief van de Gemeente gereageerd en zich nogmaals op het standpunt gesteld dat [gedaagde], althans zijn directe rechtsvoorganger [A], door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. Ter onderbouwing van zijn standpunt beroept [gedaagde] zich op een ongedateerde schriftelijke verklaring van [A] die als volgt luidt:

[…]

In 2003 heb ik het perceel […] aan u verkocht en vervolgens overgedragen. Op dat moment was de op de tekening gearceerde strook grond (aan de kant van het Bloemendaalse Bos) bij mij in gebruik. Die strook was sedert 1986, toen ik het perceel kocht, ook onafgebroken bij mij in gebruik geweest. Hiertegen is nooit door wie dan ook bezwaar gemaakt.

Mijn ouders hebben het bewuste perceel sedert 1953 gehuurd, totdat ik het perceel in 1986 kocht. In 1957 ben ik er geboren en ik ben op het bewuste perceel opgegroeid. Zolang ik mij kan heugen is de hiervoor bedoelde strook grond ook bij mijn ouders in gebruik geweest, vermoedelijk (hoewel ik dat niet zeker weet, omdat het ‘voor mijn tijd’ was) sedert 1953. Voor zover mij bekend is daar nooit door wie dan ook bezwaar tegen gemaakt.

De hiervoor bedoelde strook grond is zolang ik mij kan heugen ook altijd duidelijk afgebakend geweest als behorend tot het perceel […]. De afbakening was met metalen paaltjes met prikkeldraad en kippengaas bij de garage. Vanaf het gashuisje tot aan de poppenkast stonden er altijd rietmatten. Daardoor heeft er nooit enig misverstand over kunnen bestaan dat de betreffende stook grond tot het perceel […] behoorde, en dat die strook steeds rechtmatig door mijn ouders en door mij gebruikt is.

Voorts verklaar ik dat u het tuinhuis door mij heeft laten weghalen en dat bij de poppenkast de oude houtberging is toegevoegd aan de poppenkast.

2.10. [A] heeft voorts de volgende schriftelijke verklaring d.d. 5 januari 2007 afgelegd:

[…]

Mijn ouders hebben deze woning in 1954 betrokken. Op de plaats waar thans de garage staat, stond toen een stenen garage met een houten schuur daarnaast (aan de boszijde) Deze garage en schuur zijn in 1977 uitgebreid tot de huidige grootte. In 1995 is het gehele object door mijn moeder in overleg met de gemeente Bloemendaal gerenoveerd tot de bebouwing die thans op het perceel aanwezig is. Omdat het ging om een renovatie was hiervoor volgens de gemeente Bloemendaal geen bouwvergunning noodzakelijk, zolang de bebouwing niet groter of hoger zou worden. Ten tijde van de uitbreiding en renovatie van de garage in 1977 respectievelijk 1995 heeft de gemeente Bloemendaal zich bovendien niet op het standpunt gesteld dat deze verbouwing op bezwaren stuitte, omdat hij deels op gemeentegrond gelegen zou zijn.

Ten tijde van de overdracht van de eigendom van deze woning aan [gedaagde] op 1 augustus 2003 was de betreffende garage, zoals die thans nog steeds bestaat, derhalve aanwezig.

Wat betreft het aan de achterzijde van het andere bijgebouw gelegen houthok zij vermeld dat ook dit hok al ten tijde van de overdracht van de woning aan [gedaagde] aanwezig was. De bewering van de gemeente Bloemendaal dat het houthok gelegen zou zijn op een strook gemeentegrond wordt door [gedaagde] betwist. Ten behoeve van zijn standpunt, dat deze strook grond steeds bij de vorige bewoners van zijn woning in gebruik is geweest, heb ik al eerder een verklaring afgegeven, die aan de gemeente Bloemendaal is overgelegd. Voor zover nodig, herhaal ik hierbij dat de betreffende strook grond sinds de bewoning van de woning door mijn ouders sedert 1954 altijd bij hen in gebruik is geweest.

2.11. Op of omstreeks 13 november 2007 hebben (oud) ambtenaren [B], [C] en [D] van het Team Groenvoorziening van de Gemeente schriftelijk als volgt verklaard:

Ondergetekende,[…], verklaart hierbij dat de grenspaal evenals een aantal beukenbomen aan de achterzijde van de […] voorheen onderdeel uitmaakten van het Bloemendaalse Bos (gemeentelijk terrein).

Hij is van mening dat de plaats van de huidige erfafscheiding (een hek) niet overeenkomt met de erfgrens. Hij weet zeker dat deze erfafscheiding (en het enkele jaren geleden geplaatste hek) geen 20 jaar op de huidige plek staat. Als groenmedewerker is ondergetekende regelmatig langs deze locatie gekomen.

2.12. Op 25 oktober 2007 heeft [E], secretaris van Stichting Ons Bloemendaal het volgende aan de Gemeente geschreven:

Het bestuur van Stichting Ons Bloemendaal heeft in het eerste kwartaal van 2005 in een onderhoud met wethouder […] haar bezorgdheid en verontwaardiging uitgesproken over de gewijzigde situatie rond Rijksmonument grenspaal Saxenburg, voorheen zichtbaar in een openbare vrije groenstrook die onderdeel uitmaakt van het Bloemendaalse Bos,opgenomen in het Beschermd Dorpsgezicht Bloemendaalse Park/Duin en Daal.

[…]

Het is dan ook om die reden dat wij in het jaar 2004 de afdeling groenvoorziening van de gemeente Bloemendaal verzocht hebben overmatig woekerend onkruid te verwijderen rond de grenspaal Saxenburg zodat het monument weer beter zichtbaar zou zijn voor wandelaars. Dit is in het kader van onderhoudswerkzaamheden in het Bloemendaalse Bos prompt gebeurd.

Enkele maanden later maakte, tot onze grote verbazing, het Rijksmonument behorende bij de nabijgelegen 17de eeuwse buitenplaats Saxenburg, deel uit van een nieuw aangelegde tuin behorende bij het naastgelegen woonhuis [het huis] aan de […] te Bloemendaal. Door ophoging, een houten beschoeiing en een betonijzeren afrastering met begroeiing is de monumentale grenspaal onttrokken aan het oog en maakt als zeker geen deel meer uit van de historische standplaats in het Bloemendaalse Bos.

Het moge duidelijk zijn dat, indien deze situatie de oorspronkelijke is, m.a.w. van oudsher privéterrein, Stichting Ons Bloemendaal in 2004 nimmer het verzoek tot de gemeente kon richten om onkruid te verwijderen rond de grenspaal Saxenburg. Immers, noch onze stichting, noch de gemeentelijke groendienst zouden hiertoe bevoegd zijn geweest. Wij hechten dan ook zeer aan een correctie van deze historische dwaling.

3. Het geschil

in conventie

3.1. De Gemeente vordert, na wijziging van eis buiten processueel bezwaar van [gedaagde] samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I [gedaagde] te veroordelen de strook grond binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis met al de hunnen en het hunne te verlaten en te ontruimen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, met inbegrip van het amoveren van op voormelde grond aangebrachte opstallen, met machtiging van de Gemeente om, indien [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, op kosten van [gedaagde] het in deze te wijzen vonnis zelf ten uitvoer te doen leggen, zonodig met behulp van de sterke arm en justitie,

II [gedaagde] te veroordelen tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten van

€ 904,00 vermeerderd met de wettelijke rente hierover;

III [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten inbegrepen.

3.2. De Gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de strook grond onrechtmatig in gebruik heeft nu de strook grond eigendom is van de Gemeente.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4. [gedaagde] vordert samengevat - voorwaardelijk, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I onder de voorwaarde dat het primaire verweer van [gedaagde] niet gehonoreerd wordt maar zijn subsidiaire verweer slaagt, een verklaring voor recht dat [gedaagde] eigenaar is van de strook grond, alsmede de Gemeente op straffe van verbeurte van een dwangsom te bevelen om voor gezamenlijke rekening met [gedaagde] alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het aanpassen van de kadastrale grens,

II onder de voorwaarde dat zowel het primaire verweer als het subsidiaire verweer van [gedaagde] niet gehonoreerd wordt, de Gemeente op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om met betrekking tot de stukjes grond rondom de garage en de schuur tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand te verlenen dan wel, ter keuze van de Gemeente, de tot het handhaven van de bestaande toestand benodigde stukjes grond aan [gedaagde] over te dragen,

III de Gemeente te veroordelen tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten van

€ 904,00 vermeerderd met de wettelijke rente hierover,

IV de Gemeente te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de

wettelijke rente hierover.

3.5. [gedaagde] legt aan zijn vordering onder punt II ten grondslag dat hij door wegneming van de uitstekende gedeelten van de garage en de schuur onevenredig veel zwaarder benadeeld zou worden dan de gemeente door handhaving daarvan.

3.6. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1. Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie zullen deze gezamenlijk worden besproken. Daarbij zij vooropgesteld dat de onder 2.1 genoemde feiten met zich brengen dat de Gemeente alleen in haar vorderingen jegens [gedaagde] kan worden ontvangen, nu als onweersproken vaststaat dat alleen hij eigenaar is van het perceel […] te Bloemendaal.

4.2. [gedaagde] heeft in conventie de vorderingen van de Gemeente betwist. [gedaagde] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de Gemeente in strijd is met de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de Gemeente op grond van artikel 6:2 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) jegens [gedaagde] in acht dient te nemen. Subsidiair heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat hij door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond.

Redelijkheid en billijkheid

4.3. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de vordering van de Gemeente in strijd is met de eisen van de redelijkheid en billijkheid heeft [gedaagde] allereerst aangevoerd dat het moeilijk te verteren is dat de Gemeente zich jegens [gedaagde] - ten aanzien van een ander stukje grond aan de straatzijde - op verjaring beroept terwijl zij het beroep van [gedaagde] op verjaring niet accepteert. Voorts heeft [gedaagde] aangevoerd dat de Gemeente in strijd met de eisen van de redelijkheid en billijkheid handelt door jarenlang niets te ondernemen tegen de situatie om vervolgens eerst na de eigendomsverkrijging door [gedaagde] bezwaar te maken tegen het gebruik van de strook grond. Daarnaast heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat er sprake is van onevenredigheid tussen het belang van de Gemeente bij de uitoefening van haar bevoegdheden en het belang van [gedaagde] dat daardoor wordt geschaad. [gedaagde] heeft in het bijzonder belang bij voortgezet gebruik van de stukjes grond rondom de garage en de schuur. Met betrekking tot die stukjes grond kan de Gemeente in ieder geval haar bevoegdheden in redelijkheid niet uitoefenen, aldus [gedaagde]

4.4. Dit primaire verweer van [gedaagde] faalt. [gedaagde] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat hij, anders dan met een beroep op verjaring, rechten kan doen gelden op de strook grond. Het door de Gemeente harerzijds gedane beroep op verjaring met betrekking tot een stukje grond aan de […] of een mogelijk lang talmen met het nemen van actie zijn in elk geval onvoldoende om de in deze procedure aan de orde zijnde eigendomsrechten van de Gemeente in te perken. Daarbij speelt mee dat uit de onder 2.4 weergegeven brief blijkt dat de Gemeente reeds in 2005, kennelijk naar aanleiding van het door [gedaagde] in de zomer van 2004 geplaatste nieuwe hek, actie heeft ondernomen. Het zelfde geldt voor de stukjes grond rondom de garage en de schuur, die overigens mogelijk nog wel aan de orde zullen komen in het geval de reconventionele vordering onder II behandeling zal behoeven.

Verjaring

4.5. Subsidiair heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat hij (c.q. zijn voorganger [A]) door (verkrijgende) verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. Voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond is beslissend of [gedaagde], althans zijn rechtsvoorganger [A], gedurende een termijn van tien jaar (te goeder trouw) of gedurende een termijn van twintig jaar (ongeacht goede trouw) bezitter van de strook grond is geweest.

4.6. [gedaagde] heeft aangevoerd dat goede trouw op grond van artikel 3:118 lid 3 BW wordt vermoed aanwezig te zijn. Het is aan de Gemeente, aldus [gedaagde], om het ontbreken van goede trouw te bewijzen. Volgens [gedaagde] is zijn rechtsvoorganger [A] vanaf het moment dat hij de eigendom van het perceel [...] verkreeg, bezitter te goeder trouw geweest. De strook grond was daarvoor immers ook al tientallen jaren bij de ouders van [A] in gebruik geweest, op een zodanige wijze dat er volgens de verklaring van [A] nooit enig misverstand over heeft kunnen bestaan dat de betreffende strook grond tot het perceel [...] behoorde. Voor het geval dat [A] en [gedaagde] niet te goeder trouw zouden zijn, heeft [gedaagde] aangevoerd dat [A] en hijzelf in de periode vanaf 15 april 1986 gedurende tenminste twintig aaneengesloten jaren onafgebroken het ondubbelzinnige bezit hebben gehad van de strook grond. Ter onderbouwing van zijn standpunt beroept [gedaagde] zich op de schriftelijke verklaringen van [A].

4.7. De Gemeente heeft betwist dat [gedaagde] bezitter te goeder trouw is. Volgens de Gemeente is een bezitter slechts te goeder trouw indien hij zich redelijkerwijze als rechthebbende mocht beschouwen. De bezitter van een registergoed zal zich in beginsel slechts als rechthebbende mogen beschouwen indien een akte waaruit zijn eigendom blijkt is ingeschreven in de registers, hetgeen in casu niet het geval is. De Gemeente heeft eveneens betwist dat [gedaagde] kan worden aangemerkt als bezitter niet te goeder trouw. Zij heeft in dit kader allereerst aangevoerd dat het verweer van [gedaagde] alleen kan slagen indien hij kan bewijzen dat hij de strook grond bezat op het tijdstip waarop de verjaring van de vordering van de gemeente is voltooid. Indien de verjaring reeds was voltooid toen [gedaagde] de eigendom verkreeg, is vanaf het moment dat [gedaagde] de strook grond in gebruik is gaan nemen de verjaringstermijn opnieuw gaan lopen, aldus de Gemeente.

4.8. De rechtbank stelt voorop dat het betoog van de Gemeente, dat het verweer van [gedaagde] alleen kan slagen indien hij kan bewijzen dat hij de strook grond bezat op het tijdstip waarop de verjaring van de vordering van de gemeente is voltooid, geen steun vindt in het recht. De Gemeente heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zij (eventuele) door [A] - op basis van voltooide verkrijgende verjaring vóór de levering aan [gedaagde] verworven - eigendomsrechten op de strook grond niet jegens [gedaagde] zou moeten respecteren.

4.9. Ten aanzien van de stelling van de Gemeente, dat een bezitter van een registergoed zich in beginsel slechts als rechthebbende mag beschouwen indien een akte waaruit zijn eigendom blijkt is ingeschreven in de registers, overweegt de rechtbank als volgt. Voorzover de Gemeente met deze stelling een beroep wil doen op artikel 3:23 BW - waarin kort gezegd is bepaald dat een beroep op goede trouw door de verkrijger van een registergoed niet wordt aanvaard ten aanzien van feiten die bij raadpleging van de registers bekend konden zijn - faalt dit verweer, omdat de kadastrale gegevens en kaarten geen onderdeel uitmaken van de openbare registers. Nu het voorts om een relatief kleine afwijking gaat ten opzichte van de kadastrale grenzen heeft de Gemeente onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou moeten volgen dat deze bij [A] of [gedaagde] noopten tot nader kadastraal onderzoek. Onverminderd hetgeen hierna nog zal worden overwogen over de omvang van de strook grond die voorheen mogelijk in bezit van [A] is geweest faalt dus het argument van de Gemeente dat [gedaagde] zich reeds op basis van de kadastrale gegevens niet op goede trouw zou kunnen beroepen.

4.10. Voorts heeft de Gemeente betwist dat het gebruik van de strook grond door [gedaagde] gekwalificeerd kan worden als inbezitneming. Met betrekking tot een onroerende zaak is het volgens de Gemeente noodzakelijk dat de bezitter zich gedraagt alsof hij eigenaar is, terwijl daarnaast duidelijk moet zijn dat de macht van de oorspronkelijke bezitter over de zaak is geëindigd. Ter onderbouwing van haar standpunt beroept de Gemeente zich op de onder 2.11 weergegeven verklaringen van de (oud) ambtenaren van Team Groenvoorziening die hebben verklaard dat de grenspaal alsmede een aantal beukenbomen aan de achterzijde van het perceel van [gedaagde] voorheen deel uitmaakten van het Bloemendaalse Bos. Tevens hebben deze (oud) ambtenaren verklaard dat de huidige erfafscheiding niet al twintig jaar op de huidige plek staat. Ook beroept de gemeente zich op de onder 2.12 weergegeven verklaring van de Stichting Ons Bloemendaal waarin deze de Gemeente verzoekt ervoor te zorgen dat “Rijksmonument grenspaal Saxenburg” weer deel gaat uitmaken van het Bloemendaalse Bos, zoals dit tot 2004 het geval was.

4.11. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat [gedaagde] de bewijslast heeft ten aanzien van het door hem opgeworpen verjaringsverweer. [gedaagde] lijkt evenwel bij zijn - op de twee onder 2.9 en 2.10 weergegeven verklaringen van [A] gebaseerde - beroep op verkrijgende verjaring uit het oog te verliezen dat de huidige erfgrens alleen wordt bepaald door het door hem - blijkens zijn onder 2.5 weergegeven brief - pas in de zomer van 2004 geplaatste hek. [gedaagde] stelt weliswaar dat dit hek op de daarvoor bestaande erfafscheiding is neergezet, maar uit de verklaringen van de (oud) ambtenaren van Team Groenvoorziening alsmede de brief van Stichting Ons Bloemendaal kan worden opgemaakt dat dit in elk geval gedeeltelijk niet juist is: “grenspaal Saxenburg”, waarover de stichting klaagt, bevond zich kennelijk vóór de plaatsing van dat nieuwe hek nog op gemeentegrond. Voor het beroep op verjaring kan derhalve niet zonder meer worden uitgegaan van de door het nieuwe hekwerk getrokken erfgrens, omdat de recentelijke bezitsverschaffing door [gedaagde] geen beroep op verkrijgende verjaring kan schragen. Onderzocht moet daarom worden hoe de feitelijke erfgrens liep voordat in 2004 door [gedaagde] het hekwerk werd geplaatst. Het dient daarbij voor risico van [gedaagde] te blijven dat kennelijk de vroegere erfafscheiding waar [A] over spreekt (een afbakening met metalen paaltjes met prikkeldraad en kippengaas bij de garage, en vanaf het gashuisje tot aan de poppenkast met rietmatten) bij het plaatsen van het nieuwe hek is verwijderd, alsmede dat daardoor zijn bewijspositie waarschijnlijk is verzwakt.

4.12. Uit de overgelegde verklaringen van [A] kan voorshands wel worden opgemaakt dat de (enigszins) grensoverschrijdende garage inmiddels zo lang op dezelfde plaats staat dat zeer wel van verkrijgende verjaring sprake zou kunnen zijn. Dat geldt evenwel niet voor de strook grond achter die garage. Het is immers onduidelijk in hoeverre in de afgelopen jaren daadwerkelijk sprake is geweest van een “achterom” achter die garage. Ook voor wat betreft de grensoverschrijdende houtberging achter de “poppenkast” blijkt voorshands niet dat deze er al voldoende lang staat om een beroep op verjaring te ondersteunen. Uit de verklaring van [A] volgt immers dat die daar pas kort voor de aanschaf van de woning op verzoek van [gedaagde] door [A] is neergezet.

4.13. Al met al is het aan [gedaagde] te bewijzen in hoeverre hij door verjaring de eigendom heeft verkregen van de door hem sinds de zomer van 2004 met een hek omringde strook grond. Daarbij heeft te gelden dat [gedaagde], ten gevolge van de eigenmachtige verwijdering van de vroegere erfgrens, ten aanzien van ‘elke meter’ van de met het hekwerk geoccupeerde strook grond zal hebben te bewijzen dat hij door verjaring de eigendom daarvan heeft verkregen. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat de bewijspositie van [gedaagde] voor wat betreft het stuk grond rond de grenspaal zacht uitgedrukt nogal zwak te noemen is, terwijl zijn bewijspositie voor wat betreft de grensoverschrijdende garage nogal sterk lijkt te zijn. Voor de rest is de situatie, met inbegrip van de strook grond achter die garage, nog geheel ongewis. Bij de bewijslevering lijkt met name van belang te zijn of de grote beukenbomen, te zien op de ter gelegenheid van de descente genomen foto’s 3, 4, 5, 7, 9, 10, 11, 13 en 15, in het verleden ook op het perceel van [gedaagde] hebben gestaan of dat deze deel uitmaakten van het Bloemendaalse Bos. Het is aan [gedaagde] om foto’s en ander bewijsmateriaal over te leggen waaruit de feitelijke situatie van voor de zomer 2004, alsmede van voor de aankoop van de woning, kan blijken. Getuigenverklaringen lijden immers vaak aan het zelfde manco als het menselijk geheugen, te weten dat naarmate de tijd verstrijkt de herinnering vager wordt. In combinatie met foto’s kunnen verklaringen evenwel aanzienlijk aan kracht winnen. Mogelijk heeft [A], die lang in de woning heeft gewoond, nog foto’s die het verleden kunnen terughalen. Wellicht ook heeft degene die in 2004 het nieuwe hekwerk heeft geplaatst foto’s, tekeningen of ander materiaal ter beschikking. Het is aan [gedaagde] om dergelijk bewijsmateriaal te verzamelen en te produceren. De gemeentelijke archieven hebben anderzijds mogelijk nog foto’s van het Rijksmonument grenspaal Saxenburg in bezit die, voorzover nodig, tot tegenbewijs kunnen strekken.

4.14. De rechtbank neemt met [gedaagde] tot uitgangspunt dat een eventueel nog lopende verjaring eerst bij brief van 6 augustus 2008 gestuit is, nu de Gemeente zulks niet heeft betwist en gesteld noch gebleken is dat een andere stuitingshandeling heeft plaatsgehad die aan de eisen van artikel 3:317 lid 2 BW voldoet. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank [gedaagde] zal opdragen te bewijzen dat hij en/of zijn rechtsvoorganger gedurende een onafgebroken periode van 20 jaar vanaf 6 augustus 1988, dan wel gedurende een onafgebroken periode van 10 jaar vanaf 6 augustus 1998 te goeder trouw, een zodanige exclusieve macht over de strook grond of een gedeelte daarvan hebben gehad, dat daaruit de pretentie van eigendom kan worden getrokken.

4.15. Ten aanzien van deze - algemeen geformuleerde - bewijsopdracht merkt de rechtbank op dat deze uiteraard in het licht van de voorgaande overwegingen dient te worden geïnterpreteerd. Voorts acht de rechtbank het van belang dat foto’s en ander bewijsmateriaal als bedoeld in r.o. 4.13, aan de hand waarvan getuigen bevraagd kunnen worden, op de voet van de hierna onder 5.5 te geven beslissing tijdig tevoren worden toegestuurd. De Gemeente wordt verzocht harerzijds duidelijke kopieën, bij voorkeur in kleur, van de aan het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder mr. R.J. Oost gehechte foto’s toe te zenden, nu de aan de dagvaarding gehechte kopieën van slechte kwaliteit zijn.

4.16. De rechtbank houdt zowel in conventie als in reconventie iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. draagt [gedaagde] op te bewijzen dat hij en/of zijn rechtsvoorganger gedurende een onafgebroken periode van 20 jaar vanaf 6 augustus 1988, dan wel gedurende een onafgebroken periode van 10 jaar vanaf 6 augustus 1998 te goeder trouw, een zodanige exclusieve macht over de strook grond of een gedeelte daarvan hebben gehad, dat daaruit de pretentie van eigendom kan worden getrokken,

5.2. bepaalt dat [gedaagde], indien hij getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de zittingsadministratie van de sector civiel - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen tot en met vrijdagen in de maanden augustus 2009 tot en met november 2009 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.4 bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. Th.S. Röell in het gerechtsgebouw te Haarlem aan het Florapark 1,

5.5 bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen.

5.6 bepaalt dat [gedaagde], indien hij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar uitsluitend door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, hij dit binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de zittingsadministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moet opgeven,

5.7 houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2009.?