Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ3326

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
153946-09-303
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overgangsbepaling WLA. Beëindiging alimentatieverplichting, die al meer dan vijftien jaar heeft bestaan. Verzoek van de man toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 153946/09-303

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 30 juni 2009

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.C.I. Veerman, kantoorhoudende te Volendam,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.R. Lâout, kantoorhoudende te Baarn.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 29 januari 2009, ingekomen op 30 januari 2009;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw van 17 februari 2009;

- het verweerschrift van de man tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw van

16 maart 2009;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 11 mei 2009;

- het aanvullen verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw van 12 mei 2009;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 9 juni 2009;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 10 juni 2009;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 18 juni 2009;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 18 juni 2009.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 mei 2009 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen een termijn gegeven om een aantal expliciet geformuleerde vragen te beantwoorden. Stukken die na afloop van de gestelde termijn door partijen – ongevraagd – aan de rechtbank zijn toegezonden zullen bij de beoordeling in dit geding buiten beschouwing worden gelaten.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1966 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 1994 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het echtscheidingsvonnis van de rechtbank Utrecht van [datum] 1993.

2.2 Bij het hiervoor genoemde vonnis is - voor zover hier van belang - bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van ƒ 1.500 (€ 680,67) per maand moet voldoen. De man betaalt nu

€ 826,39 per maand.

3 Verzoek

3.1 De man verzoekt - onder wijziging van voornoemd vonnis van de rechtbank Utrecht - zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw met ingang van 10 maart 2009 te beëindigen en te bepalen dat de vrouw teveel ontvangen alimentatie aan hem dient terug te betalen.

3.2 De man voert aan dat er ruim 15 jaren zijn verstreken sinds de ontbinding van het huwelijk. De vrouw heeft, aldus de man, een arbeidsongeschiktheidsuitkering en woont met een uit het huwelijk van partijen geboren zoon in een woning die een aanzienlijke overwaarde heeft. Door aanwezigheid van het vermogen kan de vrouw zelf in haar levensonderhoud voorzien. De man wijst er verder op dat bij de bepaling van de (hoogte van de) behoefte van de vrouw in het kader van de echtscheidingsprocedure is meegewogen dat de zoon de woning zou verlaten. Doordat de vrouw de kosten van de huishouding met haar zoon kan delen, althans zou moeten kunnen delen, is haar behoefte lager en is beëindiging van de alimentatieplicht voor de vrouw minder ingrijpend. Beëindiging zal, aldus de man, niet van zo ingrijpende aard zijn dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevraagd. Hierbij komt dat de man, thans 62 jaar, arbeidsongeschikt is en tijdens zijn dienstverband geen pensioen heeft opgebouwd. Bij beëindiging van zijn alimentatieplicht zou hij nog enigszins kunnen sparen voor een pensioenvoorziening.

4 Verweer en zelfstandig verzoek

4.1 De vrouw heeft aangevoerd dat beëindiging van de uitkering voor haar van ingrijpende aard is en dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Beëindiging van de alimentatieverplichting zal voor haar een forse inkomensterugval tot gevolg hebben. Zij heeft grote gezondheidsproblemen en zal terugvallen op haar WAO-uitkering, in 2008 een bedrag van € 8.162 bruto per jaar. Met de alimentatie die zij van de man krijgt en haar WAO-uitkering kan zij, rekening houdend met de extra kosten die zij in verband met haar gezondheid heeft, nu eigenlijk al niet in haar behoefte van circa € 1.500 voorzien. De vrouw heeft diverse (medische) verklaringen overgelegd ter onderbouwing van haar stellingen betreffende de beperkingen die haar gezondheid haar opleggen.

De vrouw voert aan dat zij, als zij geen alimentatie meer ontvangt, de woning waarin zij nu woont, zal moeten verkopen en een huurwoning zal moeten betrekken. Haar huidige woning is grotendeels gefinancierd met het bedrag van € 110.000 dat zij in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen heeft ontvangen. De WOZ-waarde bedraagt € 280.000 en er rust een hypotheek op van circa € 72.000. De woning is (en wordt nog), met een tegemoetkoming in de kosten op grond van de WMO, aangepast aan de lichamelijke toestand van de vrouw. De vrouw benadrukt dat de vergoedingen zijn toegekend op voorwaarde dat zij in de woning zal blijven wonen. Bij een eventuele verhuizing zal zij er geen aanspraak meer op hebben.

Het feit dat de zoon van partijen, [naam zoon], nog in de woning verblijft, is, aldus de vrouw, niet van belang voor de (hoogte van de) alimentatieplicht van de man. [naam zoon] is, aldus de vrouw, niet alimentatieplichtig jegens haar en heeft niets met haar behoefte te maken. Hij betaalt zijn aandeel in kosten als energie, extra gemeentelijke belastingen, bewassing, eten en drinken en zelf wordt zij hier financieel niet beter van. Zij benadrukt dat de draagkracht van de man niet in geschil is, dat hij geen gegevens van zijn partner heeft overgelegd en dat hij er financieel (veel) beter voorstaat dan zijzelf.

4.2 Bij zelfstandig verzoek heeft de vrouw de rechtbank verzocht een termijn van 25 jaar vast te stellen, ingaande op 10 maart 2009, en te bepalen dat deze termijn na ommekomst verlengd kan worden.

5 Verweer op zelfstandig verzoek

In reactie op het zelfstandig verzoek van de vrouw heeft man aangevoerd dat hij drie jaar geleden bij de vrouw het einde van zijn alimentatieplicht aan de orde heeft gesteld en dat haar heeft gezegd dat hij de kwestie zou voorleggen aan de rechtbank, indien partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming zouden komen. Dat de vrouw haar vermogen in de woning heeft vastgezet is een omstandigheid die voor rekening en risico van de vrouw komt. De vrouw kon destijds verhuizen en het is voor haar rekening en risico dat zij nadien diverse voorzieningen in haar woning heeft laten installeren, hoewel zij wist dat de man op korte termijn een verzoek tot beëindiging van de partneralimentatie zou indienen. Onder verwijzing naar verkoopconstructies met behoud van woonrecht en opeethypotheken betwist de man gemotiveerd dat de vrouw genoodzaakt zou zijn te verhuizen. Maar zelfs indien de vrouw zou moeten verhuizen, is de overwaarde zodanig dat deze de vrouw in staat stelt om de nodige voorzieningen te treffen én in haar eigen onderhoud te voorzien. De stellingen ten aanzien van [naam zoon] begrijpt de rechtbank aldus dat de man aanvoert dat de behoefte van de vrouw door de betaling van kostgeld door [naam zoon] zou worden verlaagd. De man heeft zijn inleidend verzoek aangevuld met een verzoek om, indien de alimentatieplicht op termijn zou worden beëindigd, de hoogte van de vastgestelde bijdrage te verminderen en de termijn te laten eindigen op 1 oktober 2011, de eerste van de maand waarin hij 65 jaar wordt.

6 Beoordeling

6.1 Op het verzoek van de man tot beëindiging van zijn alimentatieverplichting zijn van toepassing de overgangsbepalingen van de Wet van 28 april 1994 tot wijziging van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van de alimentatie na scheiding (hierna: Wet limitering alimentatie of WLA).

In artikel II van de overgangsbepalingen wordt aan de alimentatieplichtige de mogelijkheid gegeven om - als de alimentatieverplichting 15 jaar heeft bestaan - beëindiging daarvan te vragen (met dien verstande dat een beëindiging niet eerder dan 1 juli 1997 kan ingaan).

De man kan daarbij volstaan met het stellen van de duur van de alimentatieverplichting. De alimentatieverplichting is in de onderhavige zaak aangevangen op de datum van inschrijving van het echtscheidingsvonnis, te weten [datum] 1994. In dit geval staat dan ook vast dat de alimentatieverplichting van de man ruim 15 jaar bestaat.

6.2 Beoordeeld dient te worden of de beëindiging van de alimentatieverplichting met ingang van 10 maart 2009 van zo ingrijpende aard is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd.

6.3 De vrouw is arbeidsongeschikt en leeft van een WAO-uitkering (€ 680 per maand inclusief vakantietoeslag) en de alimentatie die zij van de man ontvangt (circa € 550 netto per maand), totaal ongeveer € 1.230 netto per maand. Zonder alimentatie zou de vrouw terugvallen tot het niveau van de enkele WAO-uitkering van € 680 per maand. Dit zou een inkomensachteruitgang betekenen van ongeveer 55 %, welke ingrijpend kan worden geacht.

Een eventuele bijdrage van de inwonende zoon laat de rechtbank in dit verband buiten beschouwing, nu de rechtbank deze in dit geval niet van invloed acht op de behoefte van de vrouw. Gelet op de leeftijd van de vrouw, duurt het nog drie jaar voordat zij recht zou hebben op de hogere AOW-uitkering van circa € 1.045 per maand. Bij gebreke van dergelijke aanspraken heeft de vrouw geen recht op pensioen van de man.

6.4 De woning van de vrouw vertegenwoordigt blijkens de WOZ-beschikking van

28 januari 2008 met waardepeildatum 1 januari 2007 een waarde van ten minste € 280.000. Gelet op de hypotheekschuld van circa € 72.600 is er een overwaarde van ten minste € 207.000. De stelling van de vrouw dat het voor haar niet mogelijk is om de in de woning aanwezige overwaarde te gelde te maken is niet aannemelijk geworden. Het vermogen van de vrouw is van zodanige omvang dat zij – indien te gelde gemaakt - daarmee tot de AOW-gerechtigde leeftijd, en voor zover nodig nog geruime tijd daarna, in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Ook niet aannemelijk is dat, indien het aanspreken van haar vermogen om in haar levensonderhoud te voorzien verhuizing noodzakelijk zou maken, dit niet van haar zou kunnen worden gevergd in verband met haar ziekte. Verder van belang is dat de vrouw niet is onderbedeeld bij de scheiding en deling van de gemeenschap.

6.5 De stelling van de man dat de vrouw bij de scheiding en deling is overbedeeld is niet aannemelijk geworden. Gedurende zijn dienstverband heeft de man geen pensioen opgebouwd. Als niet weersproken staat vast dat de man in 2008 een inkomen had van circa € 2.300 netto inclusief vakantietoeslag per maand. De man is blijkens de door hem overgelegde rapportage van de bedrijfsarts sinds 4 januari 2009 structureel arbeidsongeschikt. De man heeft gesteld dat hij binnen afzienbare tijd aangewezen is op een uitkering van 70% van zijn laatstverdiende loon, hetgeen door de vrouw niet is weersproken. Aannemelijk is voorts dat hij met ingang van oktober 2011 een AOW-uitkering van circa € 760 netto per maand zal ontvangen. De man zal derhalve bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd nog maar een derde van zijn huidige inkomen ontvangen, voor welke terugval hij nog vrijwel geen voorzieningen heeft getroffen. De man heeft met zijn huidige echtgenote een woning. De overwaarde bedraagt circa € 196.000, waarvan de helft aan de man toekomt.

6.6 Bij afweging van de belangen van de man en de vrouw, heeft de man belang bij beëindiging van de alimentatie. Gelet op het feit dat de vrouw in staat moet worden geacht zelf in haar levensonderhoud te voorzien, en de huidige en te verwachten inkomensontwikkeling en vermogenspositie van de man in aanmerking genomen, is de beëindiging weliswaar ingrijpend, maar kan deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onder de gegeven omstandigheden wel van de vrouw worden gevergd. Dat het de vrouw noodzaakt om in het uiterste geval haar woning te verkopen en jaarlijks in te teren op haar vermogen doet daar niet aan af.

7 Beslissing

De rechtbank:

7.1 Bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van het vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 22 december 1993 dat de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw definitief eindigt met ingang van 10 maart 2009.

7.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

7.3 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Roelvink - Verhoeff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. Kroon, griffier, op 30 juni 2009.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.