Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ3312

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
157045 / FA RK 09-1384
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toestemming om minderjarige op andere school in andere woonplaats te doen gaan afgewezen.

De moeder heeft tijdens de procedure niet aannemelijk gemaakt dat haar eigen belang prevaleert boven de belangen van de vader en [naam minderjarige] bij voortzetting van het goed functionerende co-ouderschap. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is niet gebleken dat de moeder bij haar zoektocht naar een verbetering van haar woon- en leefomstandigheden zodanig rekening heeft gehouden met de belangen van de vader en [naam minderjarige] en dat de verhuizing met [naam minderjarige] moet worden toegestaan. De moeder heeft ook niet aangetoond dat verhuizing, met het oog op het bestaande co-ouderschap, haar enige alternatief is, althans dat daartoe onder deze omstandigheden afdoende noodzaak bestaat. Gezien de door de moeder geboden omgangsalternatieven, zou het contact met de vader en diens aandeel in de opvoeding en verzorging van [naam minderjarige] door de verhuizing aanzienlijk verminderen. Dat acht de rechtbank niet in het belang van het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM A

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

verzoek ex artikel 1:253a BW

zaak-/rekestnr.: 157045 / FA RK 09-1384

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 16 juli 2009

in de zaak van:

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.E. Vande Voort, gevestigd te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,

--tegen--

[naam vader],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.S. Timmermans, gevestigd te Amsterdam.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 28 april 2009 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift met bijlagen van de moeder;

- het op 15 juni 2009 ingekomen verweerschrift met bijlagen van de vader;

- de op 15 juni 2009 ingekomen aanvullende stukken van de moeder;

- de ter zitting van 18 juni 2009 door mr. Vande Voort overgelegde pleitnota;

- het ter zitting van 18 juni 2009 door mr. Timmermans overgelegde tijdschriftartikel

en het verhandelde ter terechtzitting op 18 juni 2009 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De vaststaande feiten

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:

2.1 Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2 Uit deze relatie is geboren de minderjarige [geslachtsnaam]:

- [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 in de gemeente [geboorteplaats].

2.3 De vader heeft de minderjarige erkend. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 november 2004 zijn de ouders gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 De moeder heeft op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verzocht de vader te veroordelen om zijn toestemming te verlenen voor de verhuizing van de minderjarige naar [plaats], alsmede dat [naam minderjarige] daar ook naar school gaat. Subsidiair heeft de moeder een vervangende toestemming van de rechtbank verzocht om met de minderjarige naar [plaats] te verhuizen, alsmede hem aldaar naar school te laten gaan.

3.2 De moeder wenst naar [plaats] te verhuizen, onder meer vanwege de woonomstandigheden en -mogelijkheden en haar nieuwe relatie. De moeder stelt dat ouders onderling een zorgregeling hebben afgesproken, waarbij de moeder de zorgverdeling niet als co-ouderschap ervaart omdat zij feitelijk de hoofdverzorger van [naam minderjarige] is en zijn hoofdverblijf bij haar is.

4 Het verweer en het zelfstandige verzoek van de vader

4.1 De vader heeft het verzoek van de moeder gemotiveerd bestreden. Hij erkent het recht van de moeder om te verhuizen, maar hij is van mening dat de voortzetting van het co-ouderschap door de verhuizing onmogelijk wordt en dat vindt hij niet in het belang van [naam minderjarige]. Voorts betwist de vader de noodzaak van moeders verhuizing. Hij is het niet eens met de door de moeder geboden oplossingen en alternatieven voor zijn omgang met [naam minderjarige], omdat deze inhouden dat het co-ouderschap tussen partijen niet langer kan voortduren.

4.2 De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen haar medewerking te verlenen aan het voortduren van de bestaande zorgregeling in de vorm van co-ouderschap, waarbij [naam minderjarige] in ieder geval in [woonplaats] naar school blijft gaan. Subsidiair heeft de vader voor het geval dat moeder daadwerkelijk gaat verhuizen, verzocht om te bepalen dat [naam minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijf heeft bij de vader in [woonplaats], met vaststelling van een nader tussen partijen af te spreken omgangsregeling tussen de moeder en [naam minderjarige].

5 Beoordeling van het verzoek

5.1 De ouders hebben gezamenlijk gezag over [naam minderjarige]. Dit brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarige en voor zijn inschrijving op een andere (basis)school in beginsel toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden, kan het geschil worden voorgelegd aan de rechter op de voet van artikel 1:253a BW.

5.2 Om een beslissing te kunnen nemen in het kader van artikel 1:253a BW dienen de belangen van de minderjarige een eerste overweging van de rechtbank te vormen. Echter, conform de vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen, waaronder:

- het recht en belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten;

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de verhuizing;

- de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het geworteld is in zijn omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

5.3 Ter terechtzitting is gebleken dat de standpunten van partijen haaks op elkaar staan en zij te dier zake niet tot een vergelijk kunnen komen. De moeder beroept zich op de hoofdregel dat het haar toegestaan is om het kind te verhuizen. De vader betwist dat onder verwijzing naar de bestaande co-ouderschapregeling die een uitzondering vormt op voornoemde hoofdregel.

5.4 Voor de belangenafweging in dit geval is daarom het geschilpunt tussen partijen over het al dan niet bestaan van co-ouderschap van wezenlijk belang. Bij co-ouderschap maakt de verhuizing per definitie inbreuk aan de plicht en het recht van de andere ouder zijn of haar kind te verzorgen en op te voeden en aan het recht van het kind tot omgang met die ouder. De beperkte praktische uitvoerbaarheid van het co-ouderschap na de verhuizing, mede gelet op de afstand en daaraan gekoppelde langere reistijd, verhoogde reis- en contactkosten en dergelijke, brengt onvermijdelijk met zich mee dat het min of meer gelijke aandeel van beide ouders in de opvoeding en verzorging van het kind en de contactfrequentie en -mogelijkheden ten nadele van de andere ouder worden ingeperkt. De belangen van de verhuizende ouder moeten in dat geval duidelijk zwaarder wegen dan de belangen van de andere ouder en het kind bij het behoud van de status-quo.

5.5 Gelet op de feitelijke invulling van de tussen partijen afgesproken zorgregeling, stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een co-ouderschapregeling. De kritiek van de moeder op de feitelijke invulling van de zorgplicht door vader kan daaraan niet afdoen. Vast staat immers dat partijen de zorg over [naam minderjarige] in tijd zodanig hebben verdeeld dat sprake is van zorg die zodanig is verdeeld dat deze past bij co-ouderschap. Voorts staat vast dat [naam minderjarige] goed gewend is aan deze regeling en dat zijn opvoeding en verzorging in deze vorm in zijn belang is.

5.6 De moeder heeft tijdens de procedure niet aannemelijk gemaakt dat haar eigen belang prevaleert boven de belangen van de vader en [naam minderjarige] bij voortzetting van het goed functionerende co-ouderschap. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is niet gebleken dat de moeder bij haar zoektocht naar een verbetering van haar woon- en leefomstandigheden zodanig rekening heeft gehouden met de belangen van de vader en [naam minderjarige] en dat de verhuizing met [naam minderjarige] moet worden toegestaan. De moeder heeft ook niet aangetoond dat verhuizing, met het oog op het bestaande co-ouderschap, haar enige alternatief is, althans dat daartoe onder deze omstandigheden afdoende noodzaak bestaat. Gezien de door de moeder geboden omgangsalternatieven, zou het contact met de vader en diens aandeel in de opvoeding en verzorging van [naam minderjarige] door de verhuizing aanzienlijk verminderen. Dat acht de rechtbank niet in het belang van het kind. De jonge leeftijd van [naam minderjarige] en het feit dat hij een flexibel kind is gebleken doen daar, gelet op de bestaande co-ouderschapregeling, niet aan af. De moeder heeft gesteld dat [naam minderjarige] er ook belang bij heeft om nauwer in contact te komen met het netwerk van moeder in [plaats]. Hoewel dit op zichzelf juist is, is de rechtbank van oordeel dat dit belang niet opweegt tegen het belang van [naam minderjarige] bij voortzetting van het frequente contact met en de nauwe betrokkenheid van zijn vader. Dit weegt des te zwaarder nu de grootouders van vaderszijde een belangrijke rol in het leven van [naam minderjarige] spelen.

5.7 Om bovengenoemde redenen zal het verzoek van de moeder worden afgewezen in die zin dat er geen (vervangende) toestemming wordt verleend om [naam minderjarige] op school in [plaats] in te schrijven. De rechtbank zal bepalen dat [naam minderjarige] naar zijn oude school in [woonplaats] dient te blijven gaan. De behandeling van de zaak zal voor het overige worden aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om met inachtneming van deze uitspraak te bezien hoe zij het ouderschap van [naam minderjarige] in de toekomst samen willen invullen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Wijst af het verzoek van de moeder in die zin dat er geen (vervangende) toestemming wordt verleend om de minderjarige [naam minderjarige] op school in [plaats] in te schrijven.

6.2 Bepaalt dat voornoemde minderjarige naar zijn oude school in [woonplaats] dient te blijven gaan.

6.3 Houdt de behandeling van de zaak voor het overige aan tot 1 oktober 2009 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. van Keken, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 16 juli 2009, in tegenwoordigheid van A. Hausenblasová als griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.