Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ3258

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-06-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
15-700201-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS; roofoverval; diefstal; wederrechtelijke vriheidsberoving; pizzakoerier;

Verdachte wordt ter zake van poging tot afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verweer ten aanzien van onrechtmatige spoedtap verworpen. Verweer ten aanzien van beperkingen in huis van bewaring verworpen.

Wetboek van Strafrecht: artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 282, 310, 312, 317.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700201-09

Uitspraakdatum: 29 juni 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 juni 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Amsterdam, Huis van Bewaring Het Schouw.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Vijfhuizen en/of te Beinsdorp, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [pizzakoeriersbedrijf] en/of [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), [aangever 1]

- een (imitatie) pistool en/of (imitatie) vuurwapen heeft/hebben getoond en/of hem daarbij heeft/hebben gevraagd waar de 10.000 euro was en/of

- heeft/hebben toegevoegd: "je gaat eraan" en/of dat hij geen spelletjes moest spelen omdat hij anders in een rolstoel zou belanden en/of

- heeft/hebben geslagen, terwijl hij door verdachte en/of zijn mededader met voormeld (imitatie) pistool en/of (imitatie) vuurwapen onder schot werd gehouden en/of

- met voormeld (imitatie) pistool en/of (imitatie) vuurwapen heeft/hebben bedreigd en/of

- heeft/hebben toegevoegd dat hij zijn been moest uitsteken waarbij tegen hem werd gezegd dat hij/zij hem gingen verminken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Vijfhuizen en/of te Beinsdorp, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet (onder bedreiging van een (imitatie) pistool en/of (imitatie) vuurwapen)

- tegen die [aangever 1] gezegd dat hij mee moest lopen en/of

- laten instappen in een personenauto en/of

- tegen die [aangever 1] gezegd dat als hij zou (weg)rennen hij/zij hem dood zouden maken en/of

- (met voormelde personenauto) die [aangever 1] vanuit Hoofddorp naar Vijfhuizen en (vervolgens) naar Beinsdorp gereden alwaar die [aangever 1] zijn woonadres moest aanwijzen;

3.

hij op of omstreeks 05 maart 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk:

- om zich en/of (een) ander ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot afgifte van een mobiele telefoon (merk Samsung), in elk geval enig goed, geheel of gedeeltelijk toebehorende aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

- van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met daarin een geldbedrag van 83 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [pizzakoeriersbedrijf] en/of [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat dat hij verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [aangever 2] heeft/hebben gedwongen om zijn scooter te stoppen en/of

- die [aangever 2] naar voren heeft/hebben geduwd waarna verdachte en/of zijn mededader achterop de scooter van [aangever 2] is gesprongen en/of

- met een (scherp) voorwerp in de rug van die [aangever 2] heeft/hebben geprikt en/of (vervolgens) tegen die [aangever 2] gezegd wat hij moest doen (o.a. rijden, stoppen, buddyseat open maken, telefoon afgeven);

4.

Primair:

hij op of omstreeks 05 maart 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pizzadoos met daarin een geldbedrag (2.620,00 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [pizzakoeriersbedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Subsidiair:

hij op of omstreeks 5 maart 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een pizzadoos met daarin een geldbedrag (2.620,00 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [pizzakoeriersbedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachtes mededader [aangever 1] uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als pizzakoerier, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan aanwijzingen hem te geven door Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte de training Terugvalpreventie Agressie volgt en voltooit, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 3.241,92,- en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

4. Bewijs

4.1 Redengevende feiten en omstandigheden[1]

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen:

Op 11 maart 2009 heeft [aangever 1] aangifte gedaan van een diezelfde dag gepleegde vrijheidsbeneming en afpersing. Aangever was die dag op het schoolplein van het Haarlemmermeer lyceum te Hoofddorp.[2] Aangever heeft in een aanvullende verklaring verklaard dat hij twee jongens genaamd [medeverdachte 1] en [verdachte] op het schoolplein tegen kwam.[3] Aangever liep met de jongens mee naar een auto. Tijdens het lopen begonnen de jongens hem vragen te stellen en liet [verdachte] hem een pistool zien. Aangever moest in een metallic groene personenauto stappen. [verdachte] pakte het pistool en haalde de slede naar achteren. [verdachte] en [medeverdachte 1] vroegen waar de 10.000,- euro was. [medeverdachte 1] schreeuwde iets in de trant van: “je gaat eraan”. Hij startte vervolgens de auto en reed naar een parkeerplaats in Vijfhuizen. Aldaar pakte [verdachte] zijn pistool weer en zei tegen aangever dat hij geen spelletjes met hem moest spelen omdat hij (aangever) anders in een rolstoel zou belanden. Terwijl [medeverdachte 1] aangever onder schot hield met het pistool, gaf [verdachte] aangever een aantal klappen. Vervolgens bedreigde [verdachte] aangever weer met het pistool. Daarna moest aangever van [verdachte] zijn been uisteken en [verdachte] zei daarbij dat hij aangever ging verminken. Op dat moment kwam er een auto aanrijden en zei [verdachte] tegen verdachte dat aangever weer in de auto moest gaan zitten en dat [verdachte] aangever dood zou maken als aangever zou wegrennen. [medeverdachte 1] zei dat hij naar het huis van aangever wilde om daar geld te halen. Aangever moest [verdachte] en [medeverdachte 1] vervolgens wijzen waar hij woonde en zodoende zijn ze naar zijn huis te Beinsdorp gereden. De ouders van [aangever 1] waren thuis en vervolgens heeft [aangever 1] aan zijn ouders verteld wat er was gebeurd.[4]

[medeverdachte 2 / getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij [verdachte] en [aangever 1] allebei kent en dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat [verdachte] en [medeverdachte 1] [aangever 1] hebben opgehaald van school en met hem naar het bos bij Vijfhuizen zijn gereden met de auto van [medeverdachte 1], een groene Citroën. Daar hebben zij [aangever 1] met een vuurwapen bedreigd en gezegd dat hij geld moest geven of dat hij anders gedragen werd in een rolstoel. Ook heeft [verdachte] [aangever 1] een paar klappen gegeven. [medeverdachte 1] stond daarbij op de uitkijk. Ze hebben [aangever 1] daarna naar huis gebracht en gewacht op [aangever 1] totdat hij weer met het geld naar buiten zou komen, maar toen bleek dat de ouders van [aangever 1] thuis waren.[5]

De moeder van aangever, [getuige 1], heeft verklaard dat zij op 11 maart 2009 samen met haar man in haar woning te Beinsdorp was toen hun zoon [aangever 1] rond 12.10 uur thuis kwam. [getuige 1] heeft verklaard dat haar man aangaf meteen te merken dat er iets met [aangever 1] aan de hand was en dat hij er rood uitzag. [aangever 1] deed raar en vertelde aan zijn vader dat hij met de auto van een vriend was meegereden. Toen [aangever 1] even later van de bovenverdieping naar beneden kwam, zag [getuige 1] dat hij een rode streep op zijn wang had en dat zijn linkeroog rood was. [getuige 1] voelde aan dat er iets mis was en zij zag dat [aangever 1] een mes pakte uit de keuken en dat in zijn sok stopte. Toen de vader vroeg wat er aan de hand was, kwam [aangever 1] los en hij vertelde dat hij onder bedreiging van een pistool door twee jongens in een auto was meegenomen en klappen had gekregen. Terwijl de vader de politie belde, liep [getuige 1] naar buiten en zag een metallic groenkleurige personenauto langzaam aan komen rijden met een man van in de 20 als bijrijder.[6]

Vervolgens is de politie bij de woning van aangever gearriveerd. Tegenover de verbalisanten heeft aangever onder meer verteld dat hij vanaf zijn school was meegenomen door twee jongens, dat een van die jongens genaamd [verdachte] hem gebood mee te gaan en dat die [verdachte] in het bezit was van een pistool. De andere jongen heette [medeverdachte 1]. Aangever moest instappen in een groene Citroën, waarna ze naar een bos zijn gereden waar [verdachte] en [medeverdachte 1] om geld vroegen. Aangever verklaarde daarbij klappen te hebben gekregen. Bij zijn huis aangekomen heeft hij de jongens verteld dat zijn ouders toch thuis waren. Verbalisant zag dat aangever zichtbaar opgewonden was en dat hij op een gegeven moment een keukenmes terug in de keukenla legde.[7]

De moeder van verdachte heeft op 16 maart 2009 een wapen op de slaapkamer van verdachte aangetroffen, dat zij kapot heeft gemaakt en bij het vuilnis heeft gegooid. Op een deel van de aangetroffen sleep is de naam Rolex P8 te lezen. Deze Rolex P8 vertoont voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Heckler & Koch, model USP.[8]

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 11 maart 2009 een nepwapen bij zich had, dat hij aan [aangever 1] heeft laten zien om hem af te schrikken. Verder heeft verdachte verklaard dat aangever, [medeverdachte 1] en verdachte in de auto zijn gestapt en naar de woning van aangever zijn gereden, omdat aangever had verteld dat er € 10.000,- bij hem thuis lag. In dat verband verdient opmerking, dat verdachte in eerdere verklaringen (waaronder zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris) heeft ontkend dat aangever in de auto heeft gezeten en dat zij naar het huis van aangever zijn gereden.[9]

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen:

ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde, met uitzondering van het gedachtestreepje ‘met een scherp voorwerp in de rug van die [aangever 2] heeft geprikt’:

- de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering;

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] d.d. 5 maart 2009 (dossierpagina 18 en verder van de map dossier PV);

ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde betreffende het gedachtestreepje ‘met een scherp voorwerp in de rug van die [aangever 2] heeft geprikt’:

[aangever 2] heeft verklaard dat hij iets in zijn rug voelde prikken op het moment dat een persoon bij hem achter op de scooter zat.[10] Verdachte en [medeverdachte 2 / getuige 2] hebben verklaard dat het verdachte was die bij aangever [aangever 2] achterop de scooter zat.[11] Voorts heeft [medeverdachte 2 / getuige 2] verklaard dat hij en verdachte deden of zij een mes bij zich hadden.[12]

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 4 primair ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering;

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] d.d. 5 maart 2009 (dossierpagina 18 en verder van de map dossier PV);

- het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [benadeelde partij] d.d. 7 maart 2009 (dossierpagina 62 en verder van de map dossier PV).

4.3 Verweren van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat ten aanzien van feit 3 geen sprake is van bedreiging met geweld. Volgens de raadsvrouw is alleen sprake geweest van duwen, hetgeen aangever blijkens zijn verklaring niet als geweld heeft ervaren. Ook heeft aangever zich niet bedreigd gevoeld toen er een persoon achter op zijn scooter zat en hij iets in zijn rug voelde. Voor bedreiging met geweld is vereist dat de dader een situatie doet ontstaan waarbij de vrees van het slachtoffer voor geweld van de dader gerechtvaardigd is, welke vrees in dit geval niet bij aangever is ontstaan, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het volgende. Alle omstandigheden bij elkaar (het dwingen de scooter te stoppen, het duwen en achterop de scooter springen, het prikken met een voorwerp in de rug en het geven van diverse commando’s, waaronder het commando om de telefoon af te geven) maken dat sprake is geweest van een situatie waarin de dreiging van geweld impliciet besloten ligt. De handelwijze van verdachte en zijn medeverdachte heeft immers de uiterlijke verschijningsvorm van een overval. Als algemene ervaringsregel geldt dat een overvaller zich doorgaans niet zal beperken tot het doen van een vrijblijvend verzoek tot het afgeven van waardevolle goederen, maar integendeel dat de overvaller gehoorzaamheid aan dat verzoek bij weerstand van de zijde van het slachtoffer zal afdwingen door middel van geweld. Het enkele feit dat het slachtoffer in deze zaak die gewelddadige handelingen of de expliciete bedreiging daarmee niet heeft afgewacht, neemt niet weg dat die dreiging reeds van de overvalsituatie is uitgegaan, zoals ook blijkt uit het feit dat het slachtoffer zijn telefoon heeft afgegeven toen hij eenmaal in de gaten had gekregen dat hij werd overvallen. [aangever 2] heeft bovendien verklaard beduusd te zijn geweest van het gebeuren.

De raadsvrouw heeft voorts nog aangevoerd dat het inzetten van een spoedtap en het opvragen van persoonlijke gegevens van de verdachte in het kader van het opsporingsonderzoek disproportioneel is geweest, hetgeen een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte oplevert. Deze inbreuk moet leiden tot strafvermindering.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Ten tijde van het verlenen van de besproken machtigingen was sprake van een verdenking aan het adres van verdachte van ernstige en gewelddadige feiten, waarbij gebruik zou zijn gemaakt van een vuurwapen. De vermoedelijke aanwezigheid van een vuurwapen bij een mogelijk gewelddadige verdachte levert een gevaarlijke situatie op, waarbij een snel ingrijpen door de politie van groot belang kan zijn. De rechter-commissaris heeft bij de afweging van dat belang tegen het belang van verdachte bij de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer in redelijkheid kunnen besluiten tot het verlenen van de voor de genoemde opsporingsmiddelen vereiste machtigingen. Het gebruik door de officier van justitie van de bevoegdheid tot het geven van een tapbevel en het opvragen van persoonlijke gegevens was in overeenstemming met die door de rechter-commissaris gegeven machtigingen en was ook overigens rechtmatig. De ingezette opsporingsmiddelen leveren dan ook geen onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte op, zodat strafvermindering op die grond niet op zijn plaats is.

Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte disproportioneel is beperkt in zijn recht op de persoonlijke levenssfeer doordat hem van 17 maart 2009 tot 19 maart 2009 beperkingen zijn opgelegd, terwijl het gezien het tijdsverloop sinds de overval niet zo is geweest dat dit in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk was. Strafvermindering is om die reden op zijn plaats, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat geen sprake is geweest van een disproportionele toepassing van de mogelijkheid de verdachte aan beperkingen te onderwerpen. De omstandigheid dat tijd is verstreken tussen de overval en de aanhouding van de verdachten neemt niet weg dat het in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk kon worden geacht dat de verdachten aan beperkingen werden onderworpen.

4.4 Bewijsoverweging

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 overweegt de rechtbank nog het volgende, naar aanleiding van de opmerking van de verdediging dat de aangifte van [aangever 1] van 11 maart 2009 niet betrouwbaar is te achten, omdat [aangever 1] eerder op 5 maart 2009 een valse aangifte heeft gedaan, zoals uit het dossier blijkt. De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [aangever 1] van 11 maart 2009 betrouwbaar is en kan worden gebezigd voor het bewijs, nu de aangifte in belangrijke mate wordt ondersteund door andere verklaringen in het dossier. Onder meer blijkt uit die verklaringen dat aangever zijn verhaal kort na het incident aan zijn ouders en de ter plaatse gekomen verbalisanten heeft verteld. De door [getuige 1] en verbalisant omschreven gemoedstoestand van aangever en zijn handelen op dat moment passen goed bij hetgeen zich daarvoor volgens aangever heeft afgespeeld en veel minder goed bij de lezing van verdachte en zijn medeverdachte dat zij aangever slechts een lift naar huis hadden gegeven.

Daarnaast hecht de rechtbank waarde aan de verklaring van [medeverdachte 2 / getuige 2], die dezelfde gang van zaken heeft beschreven als aangever en daarbij heeft verklaard dat hij dat van verdachte zelf heeft gehoord. De rechtbank ziet geen reden te vermoeden dat [medeverdachte 2 / getuige 2] op dit punt niet naar waarheid heeft verklaard.

Tenslotte heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat verdachte kennelijk reden heeft gezien om aanvankelijk, in strijd met de waarheid, in alle toonaarden te ontkennen dat [aangever 1] op 11 maart 2009 bij hem en zijn medeverdachte in de auto heeft gezeten, ook nadat hij al had toegegeven dat hij [aangever 1] een (nep)pistool had laten zien en hem klappen had gegeven. Dit versterkt nog eens de overtuiging van de rechtbank dat tijdens die autorit iets is voorgevallen dat het daglicht niet kan verdragen en dat verder gaat dan het tonen van het pistool en de klappen die verdachte wel heeft bekend.

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank nog het volgende. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat hetgeen zich heeft voorgedaan dient te worden gekwalificeerd als een diefstal in vereniging (primair) en niet als het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking (subsidiair).

Medeverdachte [aangever 1] was weliswaar werknemer bij [pizzakoeriersbedrijf] en betrokken bij het wegnemen van het geld, hij heeft echter niet in zijn hoedanigheid van werknemer het geld uit de scooter gehaald en het zich toegeëigend. Het zijn verdachte en zijn andere mededader geweest die het geld uit de scooter hebben gepakt en het zich daadwerkelijk hebben toegeëigend. Het feit betreft dan ook een diefstal in vereniging.

4.5 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

hij op 11 maart 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en te Vijfhuizen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of die ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [pizzakoeriersbedrijf], [aangever 1]

- een imitatie pistool heeft getoond en hem daarbij hebben gevraagd waar de 10.000 euro was en

- hebben toegevoegd: "je gaat eraan" en dat hij geen spelletjes moest spelen omdat hij anders in een rolstoel zou belanden en

- heeft geslagen, terwijl hij door verdachte zijn mededader met voormeld imitatiepistool onder schot werd gehouden en

- met voormeld imitatiepistool heeft bedreigd en

- heeft toegevoegd dat hij zijn been moest uitsteken waarbij tegen hem werd gezegd dat hij hem ging verminken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 11 maart 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, te Vijfhuizen en te Beinsdorp, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader met dat opzet onder bedreiging van een imitatiepistool

- tegen die [aangever 1] gezegd dat hij mee moest lopen en

- die [aangever 1] laten instappen in een personenauto en

- tegen die [aangever 1] gezegd dat hij hem dood zou maken als hij zou wegrennen en

- met voormelde personenauto die [aangever 1] vanuit Hoofddorp naar Vijfhuizen en vervolgens naar Beinsdorp gereden alwaar die [aangever 1] zijn woonadres moest aanwijzen;

3.

hij op 5 maart 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk:

- om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot afgifte van een mobiele telefoon merk Samsung, toebehorende aan [aangever 2]

en

- van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met daarin een geldbedrag van 83 euro toebehorende aan [pizzakoeriersbedrijf],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte en/of zijn mededaders:

- die [aangever 2] hebben gedwongen om zijn scooter te stoppen en

- die [aangever 2] naar voren heeft geduwd waarna verdachte achterop de scooter van [aangever 2] is gesprongen en

- met een voorwerp in de rug van die [aangever 2] heeft geprikt en vervolgens tegen die [aangever 2] gezegd wat hij moest doen (o.a. rijden, stoppen, buddyseat open maken, telefoon afgeven);

4.

Primair:

hij op 05 maart 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pizzadoos met daarin een geldbedrag (2.620,00 euro), toebehorende aan [pizzakoeriersbedrijf].

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 3: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 8 juni 2009 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich op 5 maart 2009 met zijn mededaders allereerst schuldig gemaakt aan een overval op een pizzakoerier [aangever 2] waarbij een geldbedrag van € 2.703,- (toebehorende aan [pizzakoeriersbedrijf]) en de telefoon van [aangever 2] zijn buitgemaakt. Aangever [aangever 2] en (in deze zaak) medeverdachte [aangever 1] reden als koeriers voor [pizzakoeriersbedrijf] op hun scooter naar de bank om de opbrengst van een aantal dagen af te storten. Aangever [aangever 2] was zich niet bewust van het plan dat tussen [aangever 1], verdachte en [medeverdachte 2 / getuige 2] was gesmeed, namelijk dat de laatste twee [aangever 2] en [aangever 1] onder een tunneltje in Hoofddorp zouden opwachten om hen van de opbrengst van [pizzakoeriersbedrijf] te beroven. Verdachte en [medeverdachte 2 / getuige 2] hebben [aangever 2] tot stoppen gedwongen en verdachte is bij hem achterop de scooter gesprongen, waarbij hij aangever naar voren heeft geduwd en met een voorwerp in de rug heeft geprikt. [aangever 2] heeft vervolgens de aanwijzingen van verdachte moeten opvolgen en is in een steegje tot stilstand gekomen, alwaar hij zijn telefoon aan verdachte en zijn mededader heeft moeten afgeven en waarbij de portemonnee van [pizzakoeriersbedrijf] uit zijn zak is gestolen. Een aantal zeer jonge kinderen was getuige van deze overval. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een zeer laffe daad, welke goed was voorbereid en waarbij verdachte op meerdere momenten had kunnen besluiten te stoppen. De rechtbank rekent het verdachte sterk aan dat hij enkel uit hebzucht heeft gehandeld en geenszins rekening heeft gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer en de jonge kinderen op straat die zich met de overval geconfronteerd zagen.

Voorts heeft verdachte zich op 11 maart 2009 samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing en een wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever 1], met wie hij de genoemde overval op 5 maart 2009 had gepland en uitgevoerd. [aangever 1] had voorafgaand aan die overval aan verdachte voorgespiegeld dat de opbrengst van [pizzakoeriersbedrijf] mogelijk (ruim) € 10.000,- zou bedragen. Verdachte en zijn mededaders hebben die dag echter € 2.703,- buitgemaakt en toen er vervolgens geruchten gingen dat [aangever 1] mogelijk zelf een deel van het geld had achtergehouden, voelde verdachte zich tekort gedaan. Met het doel dat geldbedrag van [aangever 1] in handen te krijgen, zijn verdachte en zijn mededader op 11 maart 2009 naar de school van [aangever 1] gegaan. Daar hebben zij [aangever 1] een imitatiepistool getoond. Verdachte en zijn mededader hebben aangever daarbij naar het geld gevraagd en hem bedreigd. Vervolgens zijn zij naar een parkeerplaats in Vijfhuizen gereden. Aldaar hebben zij aangever met het imitatiepistool onder schot gehouden en geslagen en hem mondeling met de dood bedreigd. Ook heeft verdachte de aangever zijn been laten uitsteken en hem gezegd dat hij in een rolstoel zou belanden. Tot slot zijn verdachte en zijn mededader met aangever naar diens woning gereden in een poging aangever daar het geld te laten ophalen. Verdachte heeft zich hiermee voor de tweede keer in korte tijd schuldig gemaakt aan ernstige feiten waarbij met geweld is gedreigd en (op 11 maart 2009) ook geweld is gebruikt. Verdachte heeft aldus een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte dit sterk aan, te meer nu als bekend kan worden verondersteld dat slachtoffers van dergelijke misdrijven vaak nog lang de (psychische) gevolgen hiervan ondervinden. De rechtbank rekent verdachte dit sterk aan, te meer nu verdachte (wederom) kennelijk enkel uit hebzucht heeft gehandeld.

Voorts heeft de rechtbank ten nadele van verdachte laten meewegen dat verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, gelet op zijn ontkennende houding, geen enkel inzicht in zijn beweegredenen heeft gegeven en er ook geen blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen te hebben ingezien.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank ook in aanmerking dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering gedurende de proeftijd noodzakelijk, ook als dat inhoudt dat verdachte een training Terugvalpreventie Agressie dient te volgen en voltooien. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De [benadeelde partij] heeft (blijkens de aangifte namens [pizzakoeriersbedrijf]) een vordering tot schadevergoeding van € 3.676,81 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de onder 3 en 4 primair tenlastegelegde feiten zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit: gemiste omzet, gestolen bezorgportemonnee, gemiste omzet wegens bezorgtijden van één uur, telefoonrekening overleg mede-eigenaar en extra personeelskosten.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 3.241,92 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit de onder 3 en 4 primair bewezen verklaarde feiten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: omzet 1 maart 2009 t/m 4 maart 2009; gestolen bezorgportemonnee en extra personeelskosten, minus de externe harde schijf en de BTW. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 3 en 4 primair bewezenverklaarde feiten is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 3.241,92,-.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 282, 310, 311, 312, 317.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot achttien (18) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, Regio Alkmaar-Haarlem, Unit Haarlem, thans in de persoon van [reclasseringswerker], zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt dat verdachte de training Terugvalpreventie Agressie volgt en voltooit.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de [benadeelde partij] (namens [pizzakoeriersbedrijf]) geleden schade tot een bedrag van € 3.241,92 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde partij] (namens [pizzakoeriersbedrijf]), voornoemd, [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] (namens [pizzakoeriersbedrijf]) de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 3.241,92, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 42 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de

verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

11. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.F. Ferdinandusse, voorzitter,

mrs. D.H. Steenmetser-Bakker en T. van Muijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.M. ten Bos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2009.

Noten:

[1] De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

[2] Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] d.d. 11 maart 2009, zoals opgenomen op pagina 72 van de map dossier PV.

[3] Het proces-verbaal van verhoor van aangever [aangever 1] d.d. 17 april 2009, zoals opgenomen op pagina 132 van de map persoonsdossier.

[4] Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] d.d. 11 maart 2009, zoals opgenomen op pagina 72, 73 en 74 van de map dossier PV.

[5] Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2 / getuige 2] d.d. 31 maart 2009 en 1 april 2009, zoals opgenomen op pagina 75 respectievelijk 79 van de map persoonsdossier en het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2 / getuige 2] d.d. 18 maart 2009, zoals opgenomen op pagina 112 van de map dossier PV.

[6] Het proces-verbaal van verhoor getuige [moeder aangever 2] d.d. 12 maart 2009, zoals opgenomen op pagina 93 en 94 van de map dossier PV.

[7] Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 11 maart 2009, zoals opgenomen op pagina 77 van de map dossier PV.

[8] Het proces-verbaal van wapenexpertise d.d. 17 maart 2009, zoals opgenomen op pagina 101 van de map dossier PV.

[9] Het proces-verbaal van inverzekeringstelling van verdachte (pagina 37a van de map persoonsdossier), de processen-verbaal van verhoor van verdachte van 16 maart 2009 en 17 maart 2009 (respectievelijk pagina’s 41 en 47 van de map persoonsdossier), het proces-verbaal van verhoor voor inbewaringstelling van verdachte.

[10] Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] d.d. 5 maart 2009, zoals opgenomen op pagina 21 van de map dossier PV.

[11] De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2009 afgelegd, alsmede het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2 / getuige 2] d.d. 31 maart 2009, zoals opgenomen op pagina 74 van de map persoonsdossier.

[12] Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2 / getuige 2] d.d. 31 maart 2009, zoals opgenomen op pagina 74 van de map persoonsdossier.