Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ3060

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
158424 - KG ZA 09-311
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Inbreuk op persoonlijke levenssfeer door observatie particulier recherchebureau.

Waneer een alimentatiegerechtigde betwist dat er sprake is van een ‘samenleven met een ander als waren zij gehuwd’ in de zin van art. 1:160 BW, ontkomt de alimentatieplichtige - teneinde het bewijs van dat samenleven te kunnen leveren - bijna niet aan het (laten) observeren van de (woning van de) alimentatiegerechtigde en/of de vermoedelijke nieuwe partner. Particuliere onderzoeksbureaus dienen bij observatie de toepasselijke zorgvuldigheidsnormen in acht te nemen, waaronder de normen in de Privacygedragscode particuliere onderzoeksbureaus. Gezien de duur en frequentie van de observaties door gedaagde, alsmede de gedetailleerde inhoud van rapportages, heeft gedaagde die normen geschonden, hetgeen in casu een niet toelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser oplevert. Volgt toekenning voorschot op (immateriële) schadevergoeding à € 2.500,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 151
NJF 2009, 473

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158424 / KG ZA 09-311

Vonnis in kort geding van 16 juli 2009

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Zeist,

eiser,

advocaat mr. M. Middeldorp te Haarlem,

tegen

1. de vennootschap onder firma

DETECTIVEBURO DE RIJK V.O.F. h.o.d.n. Bureau De Rijk,

gevestigd te Hoofddorp,

2. [Gedaagde 2],

wonende te Den Helder,

3. [Gedaagde 3],

wonende te Den Helder,

gedaagden,

Gedaagde sub 1 is vertegenwoordigd door gedaagde sub 2 verschenen.

Gedaagde sub 2 is in persoon verschenen.

Gedaagde sub 3 is niet verschenen.

De verschenen partijen zullen hierna [eiser] respectievelijk Detectiveburo De Rijk c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- het tegen gedaagde sub 3 verleende verstek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Detectiveburo De Rijk houdt zich bezig met het uitoefenen van een particulier recherchebureau en de beveiliging van exclusieve woonprojecten. De gedaagden sub 2 en sub 3 zijn de vennoten van Detectiveburo De Rijk. Op verzoek van de ex-echtgenoot van [A] heeft Detectiveburo De Rijk onderzoek verricht met als doel: ‘vast te stellen of [A] een relatie heeft met wie zij samenwoont’.

2.2. Ten behoeve van het hierboven bedoelde onderzoek is [A] gedurende een periode van ruim 10 maanden, tussen 17 maart 2008 en 24 januari 2009, door Detectiveburo De Rijk geobserveerd. Daar [A] met enige regelmaat in de woning van [eiser] verbleef, is (de woning van) [eiser] in diezelfde periode eveneens door Detectiveburo De Rijk geobserveerd.

2.3. Van het onderzoek is op 6 januari 2009 door Detectiveburo De Rijk een ‘rapportage onderzoek’ opgemaakt. Op 27 januari 2009 is van een (kennelijk) aanvullend onderzoek door Detectiveburo De Rijk een ‘rapportage aanvullend onderzoek’ opgemaakt.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert:

Het U E.A. Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter behage bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. Gedaagden te verbieden nog langer inbreuk te maken op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser], door het observeren van en bij de woning van [eiser], gelegen aan […] te […], alsmede het uitbrengen van rapportages daaromtrent, een en ander op straffe van verbeurte van een ten behoeve van [eiser] en ten laste van gedaagden onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000,-- per dag, een gedeelte van een dag als geheel gerekend, waarin een observatie of andere onderzoekshandeling of rapportage plaatsvindt, met veroordeling van gedaagden, hoofdelijk, tot betaling van een bedrag van € 25.000,-- aan voorschot op een nog nader vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot het moment van algehele voldoening;

2. gedaagden, hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van dit kort geding.

3.2. Aan zijn vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat Detectiveburo De Rijk met de observaties een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het “EVRM”) van [eiser] heeft gemaakt, hetgeen als onrechtmatig is aan te merken. Dat het om een onrechtmatige inbreuk gaat vloeit volgens [eiser] onder meer voort uit het feit dat Detectiveburo De Rijk met zijn observaties in strijd heeft gehandeld met de Privacygedragscode particuliere onderzoeksbureaus, waaraan Detectiveburo De Rijk op grond van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus gebonden is.

3.3. Detectiveburo De Rijk c.s. voert verweer, inhoudende dat van enig onrechtmatig handelen van [eiser] geen sprake is, omdat geheel volgens de voor de branche geldende voorwaarden en normen is gewerkt. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Indien een huwelijk eindigt, kan de rechter op verzoek van de echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot levensonderhoud heeft aan die echtgenoot (de alimentatiegerechtigde) een uitkering tot levensonderhoud toekennen, te betalen door de andere echtgenoot (de alimentatieplichtige). Deze verplichting om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij eindigt op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wanneer de alimentatiegerechtigde (1) opnieuw in het huwelijk treedt, (2) een geregistreerd partnerschap aangaat, dan wel (3) is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

4.2. Volgens de algemene bewijsregel van het burgerlijk procesrecht draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van bewijslast voortvloeit (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In de praktijk zal het veelal de alimentatieplichtige zijn die zich erop beroept - en dus in beginsel dient te bewijzen - dat hij of zij niet langer tot betaling van alimentatie verplicht is omdat zich één van de hierboven genoemde gevallen van artikel 1:160 BW voordoet. In de eerste twee gevallen is bewijslevering van de gewijzigde burgerlijke staat van de alimentatiegerechtigde relatief eenvoudig. Aanzienlijk lastiger is het om vast te stellen dat iemand is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd. Het is met name het leveren van dit bewijs dat in de praktijk tot problemen leidt.

4.3. Wanneer de alimentatiegerechtigde betwist dat er sprake is van een ‘samenleven met een ander als waren zij gehuwd’, ontkomt de alimentatieplichtige - teneinde het bewijs van dat samenleven te kunnen leveren - bijna niet aan het (laten) observeren van de alimentatiegerechtigde. Daarbij zullen tevens de woning waarin beweerdelijk wordt samengewoond en de vermoedelijke nieuwe partner onderwerp van de observatie zijn. Veelal zal de observatie, om tot resultaat te kunnen leiden, heimelijk moeten geschieden

4.4. Indien het observeren door een particulier onderzoeksbureau wordt verricht, dient het handelen van dat bureau in overeenstemming zijn met hetgeen van een particuliere onderzoeksbureau in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht. Hierbij geldt dat van particuliere onderzoeksbureaus in het kader van hun beroepsuitoefening een grote mate van zorgvuldigheid mag worden verwacht. Op het handelen van een particuliere onderzoeksbureau zijn – naast de algemene zorgvuldigheidsnormen waarvoor artikel 6:162 BW beoogt bescherming te verlenen en de normen die voortvloeien uit de Wet Bescherming Persoonsgegevens – in het bijzonder van toepassing de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, alsmede de (bij - nadere - Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus vastgestelde) Privacygedragscode particuliere onderzoeksbureaus (hierna: ‘de gedragscode’). In de gedragscode is – voor zover voor het onderhavige geschil van belang – het volgende opgenomen:

1.3 Particuliere onderzoeksbureaus hebben enerzijds te maken met de belangen van de opdrachtgever en anderzijds met de belangen van de onderzochte perso(o)n(en). De belangen van de laatste(n) zullen doorgaans anders liggen dan de belangen van de opdrachtgever. Het feitenonderzoek maakt in voorkomende gevallen in meer of mindere mate inbreuk op de grondrechten van de onderzochte perso(o)n(en);

(…)

7. Methoden van gegevensvergaring

(…)

Het gebruik maken van particuliere onderzoeksmethoden- en middelen betekent in voorkomende gevallen dat inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de onderzochte persoon. Om die reden is normering van onderzoeksmethoden- en middelen noodzakelijk.

(…)

7.4 Observatie

Algemeen

Observatie vindt plaats indien gedragingen van iemand of hetgeen bekend moet worden om onderzoekstechnische redenen niet rechtsreeks aan de onderzochte persoon of een derde gevraagd kan worden. (…)

Sectornormering

1. Naarmate de observatie meer in het openbaar plaatsvindt, zal er minder snel van inbreuk op de privacy sprake zijn en is observatie in beginsel toegelaten;

2. Indien de observatie – ook in het openbaar – langdurig en systematisch (dynamisch volgen) plaatsvindt is de observatie slechts onder bijzondere omstandigheden toegestaan;

3. de sector particuliere onderzoeksbureaus onthoudt zich, van observatie van personen indien deze personen verkeren in situaties, waarin zij er aanspraak op moeten kunnen maken onbevangen zichzelf te zijn;

4. een rapport inzake observatie beperkt zich tot de waarneming van die gedragingen die relevant zijn voor de opdrachtgever.

Toelichting:

(…) In de regel zal observatie heimelijk zijn. Dit betekent dat personen worden gadegeslagen zonder dat zij hiervan op de hoogte zijn.

(…)

Ook de duur van de observatie in combinatie met de frequentie kan er toe leiden dat een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van iemands leven, waardoor een niet toegestane inbreuk op de privacy wordt gemaakt.

Bij de onder drie genoemde norm wordt gesproken over situaties waarbij geobserveerde personen er aanspraak op moeten kunnen maken onbevangen zichzelf te zijn. In dit kader kan gedacht worden aan woningen, hotelkamers, badhokjes in zwembaden, paskamers in winkels, relaxinrichtingen en toiletruimten. Daarbij wordt opgemerkt dat het gedurende enkele momenten met het blote oog vanaf de openbare weg gadeslaan van iemand die zich in een woning bevindt, terwijl de ramen niet zijn afgeschermd, niet onder de beperking van de norm valt.

4.5. Hoewel begrijpelijk is dat er behoefte bestaat aan observatie van een alimentatiegerechtigde indien deze betwist dat er sprake is van een ‘samenwonen als waren zij gehuwd’, dienen daarbij uiteraard wel de toepasselijke zorgvuldigheidsnormen in acht te worden genomen. Dat het bewijs bezwaarlijk op andere wijze kan worden vergaard dan middels observatie, doet daaraan niet af.

4.6. In het onderhavige geval heeft Detectiveburo De Rijk [A] en haar leefomgeving, waaronder de woning van [eiser], gedurende ruim tien maanden met grote regelmaat geobserveerd. In totaal heeft Detectiveburo De Rijk – naar eigen zeggen – 110 uur geobserveerd, waarvan 20 uur de woning van [eiser]. De rapportages die Detectiveburo De Rijk daarvan heeft opgemaakt, geven een (soms zeer) gedetailleerd verslag van de feitelijke handelingen die [A] en [eiser] in de woning van [eiser] verrichten.

4.7. Volgens Detectiveburo De Rijk c.s. zijn de observaties altijd met het blote oog verricht en is bovendien in zeer terughoudende mate geobserveerd, zodat de observaties binnen de geldende norm valt. De voorzieningenrechter deelt die mening niet. Gezien de duur en frequentie van de observaties, alsmede de gedetailleerde inhoud van rapportages, moet er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake zijn geweest van méér dan ‘enkele momenten met het blote oog vanaf de openbare weg gadeslaan’ als bedoeld in de toelichting bij de gedragscode, hetgeen in casu een niet toelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van ([A] en) [eiser] oplevert. Daarbij is mede van belang dat een aanzienlijk deel van de observaties situaties betreffen waarin [eiser] er aanspraak op moet kunnen maken onbevangen zichzelf te kunnen zijn.

4.8. [eiser] vordert onder meer een verbod op een verdere inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. De voorzieningenrechter overweegt te dien aanzien als volgt.

4.9. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat tussen partijen vast dat er sinds 24 januari 2009 geen observaties meer zijn verricht. Ter zitting heeft Detectiveburo De Rijk c.s. daarnaast een emailbericht van de opdrachtgever van Detectiveburo De Rijk overgelegd, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:

Voor jouw informatie deel ik je mede, dat ik eerder deze week met mijn ex, mevrouw [A], ben overeen gekomen, dat de partner-alimentatie per 1 april 2010 wordt beëindigd. (…) Dank voor alles en ik wens je veel succes bij al je verdere werk.

Met de overeenkomst tussen de opdrachtgever van Detectiveburo De Rijk en [A] is het doel van de opdracht bereikt, aldus Detectiveburo De Rijk c.s., zodat er in de toekomst geen verdere observaties meer zullen worden verricht.

4.10. De advocaat van [eiser] heeft de bovenstaande email, althans de staking van de opdracht tot observatie, bij gebrek aan wetenschap betwist.

4.11. Als er, zoals Detectiveburo De Rijk c.s. stelt, overeenstemming is bereikt tussen de opdrachtgever van Detectiveburo De Rijk en [A] over een beëindiging van de partner-alimentatie, dan kan het naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeilijk anders dan dat [eiser] daarvan op de hoogte is. In dat geval komt het voor risico van [eiser] dat hij daarover zijn advocaat niet heeft ingelicht. Daar [eiser] bovendien niet ter zitting aanwezig was om de algemene betwisting door zijn advocaat zelf inhoudelijk nader te onderbouwen, gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat de inhoud van het door Detectiveburo De Rijk c.s. overgelegde emailbericht juist is. Op grond daarvan zal de vordering van [eiser] – voor zover die ziet op beëindiging van de observatie en een verbod op hervatting daarvan – wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

4.12. [eiser] heeft tevens betaling gevorderd van Detectiveburo De Rijk van een voorschot op de (immateriële) schadevergoeding als gevolg van de door Detectiveburo De Rijk gemaakte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser]. Gezien de langdurige en intensieve observatie van [eiser] door Detectiveburo De Rijk acht de voorzieningenrechter niet onaannemelijk dat de bodemrechter een vordering tot betaling van (immateriële) schadevergoeding zal honoreren. Vooruitlopend daarop zal de voorzieningenrechter een voorschot daarop toekennen.

4.13. Bij de begroting van de hoogte van het voorschot heeft de voorzieningenrechter rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder enerzijds de duur en de intensiteit van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en anderzijds het feit dat [eiser] pas ná het beëindigen ervan op de hoogte is gekomen van de observaties. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter bij de begroting tevens gelet op de bedragen die door Nederlandse (bodem)rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen. Op grond van het voorgaande zal de hoogte van het toe te kennen voorschot op (immateriële) schadevergoeding worden bepaald op EUR 2.500,--.

4.14. De Rijk c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.163,98

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt De Rijk c.s. om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 2.500,00 (tweeduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6: 119 BW vanaf 22 juni 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt De Rijk c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.163,98,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. S.M.P. Langeveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2009