Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ3023

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
158511 - KG ZA 09-317
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing loonbeslag wegens gewijzigde omstandigheden. Artikel 475d lid 6 en 7 Rv.

Voor zover eiser als schuldenaar heeft aangetoond dat zijn loon wegens wijziging van omstandigheden de daardoor verhoogde beslagvrije voet niet meer overtreft, is het ingevolge artikel 475d lid 7 Rv aan gedaagde als beslaglegger om de werkgever van eiser daarvan op de hoogte te stellen. Nu gedaagde dat heeft geweigerd, heeft eiser voldoende belang zich op de voet van artikel 438 lid 2 tot de voorzieningenrechter te wenden.

Ingevolge artikel 476d lid 6 Rv wordt de beslagvrije voet verminderd met de voor beslag vatbare periodieke inkomsten van de schuldenaar waarop geen beslag ligt, waaronder tevens de maandelijks door eiser wegens zijn alimentatieverplichtingen te ontvangen belastingteruggave dient te worden begrepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158511 / KG ZA 09-317

Vonnis in kort geding van 16 juli 2009

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Assendelft,

eiser,

advocaat mr. M.M. Vloedbeld,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Krommenie,

gedaagde,

advocaat mr. P.H. Visser.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 20 augustus 1982 met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op 9 september 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 31 mei 2005 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren: [A], geboren op 18 april 1983, [B], geboren op 16 april 1987 en [C], geboren op 6 november 1991.

2.3. [eiser] onderhoudt thans een lat-relatie met [D] te ’s-Gravenhage. Uit deze relatie is op 26 januari 2007 geboren [E]. [D] ontvangt een bijstandsuitkering.

2.4. Bij beschikking van 31 mei 2005 heeft deze rechtbank bepaald dat [eiser] EUR 135,- per kind per maand dient te betalen aan [gedaagde] voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen. Dat geldt thans alleen nog voor [C]. Voorts is bij voornoemde beschikking bepaald dat [eiser] een bedrag van EUR 1.150,- per maand aan partneralimentatie aan [gedaagde] dient te betalen. De beschikking van de rechtbank is bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 11 mei 2006 bekrachtigd.

2.5. Op 5 maart 2007 heeft [gedaagde] loonbeslag gelegd onder Forbo Linoleum B.V. te Assendelft (hierna: Forbo), de werkgever van [eiser], ter incassering van voornoemde door [eiser] verschuldigde alimentatie.

2.6. Het netto-maandloon van [eiser] bij Forbo in maart en april 2009 bedroeg EUR 1.673,71. Na aftrek van het loonbeslag ad EUR 1.319,91 (en onder aftrek premie ongevallenverzekering en bijtelling van reiskostenvergoeding), is aan hem netto uitbetaald een bedrag van EUR 393,05 per maand.

2.7. [eiser] heeft bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de alimentatie.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert de opheffing van het op 5 maart 2007 door [gedaagde] gelegde loonbeslag onder Forbo, althans de opschorting van dat beslag totdat uitspraak is gedaan in de verzoekschriftprocedure tot wijziging van de alimentatie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,- voor elke keer dat [gedaagde] in weerwil van het gevorderde belag legt ten laste van [eiser].

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het door [gedaagde] gelegde loonbeslag op grond van artikel 475b Rv niet (meer) geldig is omdat het loon van [eiser] de beslagvrije voet niet overtreft. [eiser] had ten tijde van het leggen van het loonbeslag ook inkomsten uit zijn eigen onderneming, maar deze onderneming heeft hij per 1 januari 2009 gestaakt. Volgens [eiser] moet voorts worden uitgegaan van de beslagvrije voet voor een alleenstaande ouder, nu sprake is van een co-ouderschap voor [E] samen met zijn vriendin, en [E] voor de helft van de tijd bij hem verblijft. [eiser] heeft daarnaast betoogd dat hij momenteel rondkomt van zijn vakantiegeld en leningen bij vrienden, maar dat deze situatie onhoudbaar is.

4.2. [gedaagde] heeft primair als verweer gevoerd dat, voor zover sprake is van wijziging van omstandigheden aan de zijde van [eiser] die gevolgen heeft voor de beslagvrije voet, hij zich dient te wenden tot zijn werkgever die vervolgens een nieuwe derdenverklaring met de toepasselijke beslagvrije voet dient in te vullen, waarna de deurwaarder zonodig het beslag zal aanpassen of opheffen. Ook kan [eiser] zich rechtstreeks tot de deurwaarder wenden, aldus [gedaagde]. In zoverre zou [eiser] niet-ontvankelijk zijn in zijn vordering.

4.3. Subsidiair heeft [gedaagde] tegen de stellingen van [eiser] het verweer gevoerd dat van het netto-loon van [eiser] na aftrek van de voor hem geldende netto alimentatiedruk nog steeds een maandbedrag resteert boven de beslagvrije voet, nog los van wat hij ontvangt aan dertiende maand, vakantiegeld en verdere emolumenten. Volgens [gedaagde] geldt voor [eiser] de beslagvrije voet voor een alleenstaande vanaf 21 jaar met een netto feitelijk inkomen hoger dan EUR 906,55 per maand. Deze beslagvrije voet bedraagt EUR 815,90 per maand. [gedaagde] heeft daarnaast betoogd dat [eiser] nog neveninkomsten heeft uit zijn onderneming. Zij acht niet aannemelijk dat [eiser] zijn onderneming heeft gestaakt.

4.4. Het primaire verweer van [gedaagde] slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet. Ingevolge artikel 475d lid 7 Rv dient [gedaagde] als beslaglegger onverwijld rekening te houden met wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen en is zij verplicht aan Forbo, degene die de periodieke betaling aan [eiser] moet verrichten, kennis van de verhoging te geven onmiddellijk nadat de reden daarvoor is aangetoond aan [gedaagde], haar advocaat of de deurwaarder. Voor zover [eiser] heeft aangetoond dat zijn loon de (verhoogde) beslagvrije voet niet overtreft, is het derhalve aan [gedaagde] de werkgever van [eiser] daarvan op de hoogte te stellen. Nu [gedaagde] dat heeft geweigerd, heeft [eiser] voldoende belang zich op de voet van artikel 438 lid 2 Rv tot de voorzieningenrechter te wenden. [eiser] is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.

4.5. Gelet op het voorgaande staat thans ter beoordeling of [eiser] heeft aangetoond dat zijn loon inderdaad de beslagvrije voet niet overtreft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] daarin niet is geslaagd. De voorzieningenrechter stelt daartoe voorop dat moet worden uitgegaan van een beslagvrije voet ex artikel 475d lid 1 Rv voor een alleenstaande met een netto feitelijk inkomen hoger dan of gelijk aan EUR 906,55 per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat deze beslagvrije voet per 1 juli 2009 EUR 815,90 per maand bedraagt. Het betoog van [eiser] dat moet worden uitgegaan van een beslagvrije voet voor een alleenstaande ouder slaagt niet, nu [gedaagde] heeft betwist dat [E] voor de helft van de tijd bij [eiser] verblijft en [eiser] daarvan geen nadere onderbouwing heeft gegeven. Bovendien heeft [eiser] ter zitting verklaard dat hij en [D] financieel onafhankelijk van elkaar leven, zodat er vanuit dient te worden gegaan dat [D] reeds een bijstandsuitkering ontvangt als alleenstaande ouder en geacht wordt daarvan de lasten voor [E] te kunnen voldoen.

4.6. Voorts heeft [gedaagde] gesteld, en is door [eiser] niet betwist, dat [eiser] op de door hem betaalde kinderalimentatie een belastingteruggave van ongeveer EUR 47,- per maand ontvangt en op de door hem betaalde partneralimentatie een belastingteruggave van ongeveer EUR 460,- per maand. Ingevolge artikel 475d lid 6 Rv wordt de beslagvrije voet derhalve verminderd met een bedrag van EUR 507,-, waarmee de beslagvrije voet moet worden vastgesteld op een bedrag van EUR 308,90. Uitgaande van het netto-maandloon van [eiser] bij Forbo van EUR 1.673,71, waarop het loonbeslag ad EUR 1.319,91 terzake zijn alimentatieverplichtingen in mindering wordt gebracht, resteert [eiser] een netto-maandloon bij Forbo van EUR 353,80. Daarmee is het netto-maandloon van [eiser] reeds hoger dan de voor hem geldende beslagvrije voet.

4.7. [eiser] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat uitsluitend rekening moet worden gehouden met zijn netto-maandloon zoals hij dat van Forbo ontvangt. Ingevolge artikel 476d lid 6 Rv wordt de beslagvrije voet immers verminderd met de voor beslag vatbare periodieke inkomsten van de schuldenaar waarop geen beslag ligt, waaronder tevens de maandelijks door [eiser] wegens zijn alimentatieverplichtingen te ontvangen belastingteruggave dient te worden begrepen.

4.8. Uit het voorgaande volgt reeds dat de stelling van [eiser] dat het ten laste van hem gelegde loonbeslag niet geldig is, omdat zijn inkomen de beslagvrije voet niet overtreft, niet slaagt. De stelling van [eiser] dat hij geen inkomsten meer heeft uit zijn onderneming en het daarop door [gedaagde] gevoerde verweer kunnen derhalve onbesproken blijven.

4.9. Voor zover [eiser] tevens heeft bedoeld te betogen dat hij als gevolg van het door [gedaagde] gelegde loonbeslag thans in een noodsituatie is komen te verkeren en op die grond het beslag dient te worden opgeheven, slaagt dat betoog evenmin. [eiser] heeft zijn stellingen op dit punt niet onderbouwd. In het bijzonder heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat hij de door hem gestelde leningen heeft afgesloten. Voorts is gesteld noch gebleken dat wegens uitzonderlijke omstandigheden een financiële noodsituatie is ontstaan waardoor hij niet meer in staat zou zijn gestelde leningen terug te betalen.

4.10. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van [eiser] het te zijnen laste gelegde loonbeslag op te heffen, afwijzen.

4.11. Gelet op het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorziening,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer, bijgestaan door mr. J. van der Kluit, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2009.?