Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ2367

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 2869 & 09 / 2870
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het onderzoek van verweerder naar de woonsituatie van verzoekster heeft onvoldoende feitelijke grondslag opgeleverd voor verweerders stelling dat verzoekster vanaf 16 maart 2009 een gezamenlijke huishouding voert met (-). Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 2869 en 09-2870 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juli 2009

in de zaken van:

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2009 heeft verweerder verzoeksters uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) per 29 mei 2009 beëindigd en deze uitkering per 16 maart 2009 ingetrokken, omdat verzoekster sinds 16 maart 2009 een gezamenlijke huishouding voert met de heer[naam] (hierna: [naam]). Voorts heeft verweerder bij dit besluit een bedrag van € 1.610,59 van verzoekster teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 4 juni 2009 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 11 juni 2009 heeft verweerder verklaard te stoppen met de behandeling van de op diezelfde datum gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een WWB-uitkering, omdat verzoekster haar aanvraag heeft ingetrokken.

Hiertegen heeft verzoekster op 12 juni 2009 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 15 juni 2009 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Omdat sprake is van twee afzonderlijke beslissingen, is eveneens sprake van twee verzoeken om voorlopige voorziening.

De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 3 juli 2009, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijstaan door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door R. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem. Tevens waren ter zitting aanwezig S. Azouagh en R.J. Kervel, beiden werkzaam ten kantore van mr. Fischer.

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster ontvangt van verweerder vanaf mei 1999 een bijstandsuitkering. Zij heeft kinderen die door [naam] zijn erkend. Naar aanleiding van een melding dat verzoekster een gezamenlijke huishouding zou voeren met [naam], heeft verweerder een nader onderzoek ingesteld. In de periode van 16 maart 2009 tot en met 28 april 2009 hebben medewerkers van verweerder waarnemingen gedaan bij verzoeksters woning. Op 28 april 2009 heeft vervolgens een gesprek met verzoekster plaatsgevonden. Na het gesprek met verzoekster hebben medewerkers van verweerder in verzoeksters woning een huisbezoek uitgevoerd. Daarnaast is een buurtonderzoek uitgevoerd. Op grond van de bevindingen uit het onderzoek heeft verweerder het bestreden besluit van 28 mei 2009 genomen.

2.2 Verzoekster voert aan dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, omdat zij geen inkomsten heeft en haar vier kinderen moet onderhouden. Zij stelt zich op het standpunt dat verweerder er ten onrechte van uitgaat, dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [naam] die zijn hoofdverblijf heeft in Amsterdam. Ook wijst verzoekster erop dat zij een kind heeft met gezondheidsproblemen. Daarom roept zij wel eens de hulp van [naam] in. Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd dat niet blijkt dat verweerder de belangen van verzoeksters kinderen heeft meegewogen. Volgens verzoekster bestond er geen wettelijke grondslag voor de waarnemingen, terwijl er geen gegronde reden was voor een huisbezoek. Ook voert zij aan dat de verklaringen van de buren onvoldoende feitelijk zijn en dat het besluit van 28 mei 2009 feitelijke grondslag ontbeert. Ten onrechte heeft verweerder de woonsituatie van [naam] niet onderzocht, aldus verzoekster. Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening geregistreerd onder nr. AWB 09-2870 ter zitting ingetrokken.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de WWB-uitkering van verzoekster terecht en op goede gronden is beëindigd en ingetrokken, omdat verzoekster met [naam] een gezamenlijke huishouding voert. Ter zitting heeft verweerder hierover verklaard dat zijn onderzoek een voldoende feitelijke grondslag heeft opgeleverd om het beëindigings- en intrekkingsbesluit op te kunnen baseren. Verweerder verwijst naar de verklaringen van de buren, de verklaring van verzoekster, de waarnemingen en de bevindingen van het huisbezoek. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat verweerder de WWB-aanvraag van verzoekster van 11 juni 2009 daadwerkelijk in behandeling heeft genomen.

2.4 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.5 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.6 Een gezamenlijke huishouding wordt op grond van artikel 3, vierde lid, onder b, WWB in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

2.7 Verweerder heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat hij de op 11 juni 2009 gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een WWB-uitkering in behandeling heeft genomen. Op grond van deze verklaring heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening met reg. nr. AWB 09-2870, gericht tegen de brief van 11 juni 2009, ter zitting ingetrokken, zodat hierop niet meer behoeft te worden beslist. De voorzieningenrechter zal dan ook uitsluitend beslissen op het verzoek met reg. nr. AWB 09-2869, gericht tegen het besluit van 28 mei 2009.

2.8 Aangezien [naam] kinderen van verzoekster heeft erkend, is sprake van een gezamenlijke huishouding, indien verzoekster en [naam] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.

2.9 Het bestreden besluit van 28 mei 2009 vermeldt geen feitelijke grondslag voor verweerders in dit besluit neergelegde stelling dat verzoekster sinds 16 maart 2009 een gezamenlijke huishouding voert met [naam]. Dit is in strijd met de artikelen 3:46 en 3:47 Algemene wet bestuursrecht (Awb). In deze artikelen is immers onder meer bepaald dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering en dat de motivering bij de bekendmaking van het besluit wordt vermeld.

2.10 Het gaat hier om een voor verzoekster belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. In dat geval rust de bewijslast met betrekking tot de stelling dat verzoekster en [naam] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning op verweerder. Verzoekster heeft dit hoofdverblijf uitdrukkelijk ontkend. Voorts heeft verzoekster verklaard dat als de auto van [naam] bij haar voor de deur staat, [naam] dan bij haar in de woning verblijft.

2.11 Verweerder baseert zijn standpunt dat verzoekster en [naam] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning onder meer op de bevindingen die zijn voortgevloeid uit de waarnemingen. Bij deze waarnemingen, die hebben plaatsgevonden van 16 maart 2009 tot en met 28 april 2009 (ruim zes weken) en op 10 juni 2009, hebben medewerkers van verweerder [naam] in totaal twee keer in de vroege ochtend uit de woning van verzoekster zien komen. Daarnaast is het tijdens de waarnemingen twee keer voorgekomen dat de auto van [naam] van verzoekster ’s avonds bij verzoeksters woning geparkeerd stond en dat deze daar de volgende ochtend vroeg nog steeds stond. Dit alles wettigt de conclusie dat [naam] gedurende de waarnemingenperiode van zes weken in ieder geval vier keer in verzoeksters woning heeft overnacht. Daarnaast is de auto van [naam] in de waarnemingenperiode negen keer in de buurt van verzoeksters woning aangetroffen, terwijl deze auto daar in totaal zeven keer niet is waargenomen. Als de auto wordt waargenomen, dan is dat meestal in de avond. Dit laatste kan niet zonder meer leiden tot de conclusie dat [naam] dan ook vervolgens in verzoeksters woning de nacht heeft doorgebracht, omdat niet is waargenomen dat de auto er de volgende ochtend nog steeds stond. Over een periode van zes weken is dus van slechts vier nachten komen vast te staan dat [naam] in de woning van verzoekster heeft overnacht. De waarnemingen leveren dan ook onvoldoende feitelijke grondslag op voor verweerders standpunt, dat [naam] vanaf 16 maart 2009 zijn hoofdverblijf had in de woning van verzoekster.

2.12 Verweerder heeft in dit verband ook gewezen op de verklaringen van buren van verzoekster. Aan de verklaring van [naam a] komt in dit verband geen betekenis toe, omdat deze verklaring is afgelegd in februari 2006 en dus niet ziet op de in geding zijnde periode. [naam b] heeft op 15 mei 2009 onder meer het volgende verklaard: “Ik zie de man met een busje met daarop de tekst “[tekst]” thuiskomen. In het begin zag ik hem niet iedere dag. Sinds een half jaar zie ik hem met meer regelmaat, het merendeel van de week. Ik zie ze met het hele gezin weleens in het busje weggaan”. Op eveneens 15 mei 2009 heeft [naam c] onder meer het volgende verklaard: “Ik weet niet zeker of de man er 5 jaar geleden meteen tegelijk met de vrouw is komen wonen. In ieder geval woont hij er sinds de tweeling is geboren, daarvoor al. Ik weet dat de man er woont, omdat hij ’s ochtends naar zijn werk gaat en ’s avonds thuis komt. Hij rijdt in een witte bedrijfsbus met oranje letters. Ik zie het gezin wel eens gezamenlijk in de auto weggaan. Dit was niet in de bedrijfsauto. (………) Als ik wel eens aanbel doet de man soms open.” Op 8 mei 2009 heeft [naam d] onder meer de volgende verklaring afgelegd: “De man komt iedere dag thuis in een witte bus. ’s Ochtends zie ik hem niet, hij komt ’s avonds op verschillende tijden thuis. (………) De man zie ik zo goed als dagelijks.”

2.13 Uit de hiervoor weergegeven verklaringen kan worden opgemaakt dat [naam] regelmatig bij de woning van verzoekster wordt gezien. Echter, de verklaringen zijn onvoldoende specifiek om op grond hiervan te kunnen komen tot de conclusie dat [naam] daar ook zijn hoofdverblijf heeft. Hiervoor is immers vereist dat uit de verklaringen tenminste blijkt dat [naam] het merendeel van de week in de woning van verzoekster overnacht. De verklaringen bevatten daarvoor onvoldoende concrete informatie.

2.14 Verweerder heeft ook de bevindingen van het huisbezoek ten grondslag gelegd aan zijn standpunt dat verzoekster met [naam] een gezamenlijke huishouding voert. Uit het verslag dat van het huisbezoek is opgemaakt blijkt, dat in de woning van verzoekster papieren zijn aangetroffen die betrekking hebben op het werk van [naam]. In de bij de woning behorende schuur is gereedschap van [naam] aangetroffen. In dit verband kan er echter niet aan worden voorbijgegaan dat bij het huisbezoek in verzoeksters woning geen persoonlijke spullen van [naam] zijn aangetroffen (kleding, toiletartikelen of privéadministratie). Op grond hiervan kunnen de bevindingen van het huisbezoek niet bijdragen tot de conclusie dat bij [naam] zijn hoofdverblijf had in de woning van verzoekster. Hier komt dan nog bij dat verweerder heeft nagelaten onderzoek te doen naar de woonsituatie van [naam] in Amsterdam.

2.15 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerders zijn standpunt dat verzoekster vanaf 16 maart 2009 met [naam] een gezamenlijke huishouding voert, onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Om die reden zal het bestreden besluit van 28 mei 2009, naar mag worden aangenomen, in bezwaar geen stand houden.

2.16 Uit het voorgaande volgt dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter zal het verzoek daartoe dan ook op de hierna te vermelden wijze toewijzen.

2.17 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Nu ten behoeve van verzoekster een toevoeging is afgegeven krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het bestreden besluit van 28 mei 2009 met ingang van 15 juni 2009 tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

3.3 draagt verweerder op om binnen drie werkdagen na verzending van deze uitspraak, over te gaan tot betaling aan verzoekster van een WWB-uitkering naar de voor haar geldende bijstandsnorm;

3.4 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--, welk bedrag de gemeente Haarlem dient te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.5 gelast dat de gemeente Haarlem het door verzoekster betaalde griffierecht van € 41,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, en op

7 juli 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.