Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ2157

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
09-07-2009
Zaaknummer
373193 - CV EXPL 08-1713
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontbinding huurovereenkomst op de grond dat huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Na bewijsvoering wijst de kantonrechter de vordering af.

Bij de beantwoording van de vraag of de huurder zijn hoofdverblijf in de woning heeft, is van belang of hij daar werkelijk woont, daar zijn zetel van zijn fortruin heeft, daar zijn zaken behartigt, zijn goederen en eigendommen beheert en in die woning regelmatig ’s nachts slaapt.

Gelet op het feit dat de huurder op 1 juli 2009 80 jaar oud wordt en een slechte gezondheid heeft, is de kantonrechter van oordeel dat het te leveren bewijs eerder aanwezig moet worden geacht dan in het geval waarin sprake is van een jongere en gezonde huurder.

Uit de afgelegde getuigenverklaringen blijkt in ieder geval dat de huurder in de onderhavige woning ’s nachts slaapt en dat zich in die woning meubilair van hem bevindt. Voorts blijkt uit de door de huurder na afloop van het getuigenverhoor nog overgelegde schriftelijke stukken dat hij op het onderhavige adres door een medewerker van de trombosedienst wordt bezocht in verband met zijn medicijngebruik.

Dat de huurder overdag veel afwezig is en bij familie eet en/of verblijft, maakt geen verschil. De huurder is immers op hulp van anderen aangewezen in verband met zijn ziekte.

Het feit dat de huurder hulpbehoevend is en daarom, zoals de verhuurder ook heeft gesteld, niet zelfstandig kan wonen, maakt evenmin verschil uit. Ook bij huurders die in een verpleeghuis zijn opgenomen, wordt immers de huurovereenkomst ook dan pas beëindigd indien op grond van medische verklaringen vaststaat dat de betrokkene nimmer meer in de woning zal kunnen terugkeren. Daarvan is hier geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 373193/CV EXPL 08-1713

datum uitspraak: 27 mei 2009

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de stichting Stichting Ymere

te Amsterdam

eisende partij

hierna te noemen Ymere

gemachtigde mr. R. van der Hoeff

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde mr. A.C. Mens

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk¬ken:

- het door de kantonrechter tussen partijen gewe¬zen en op 21 mei 2008 uitgesproken tussenvonnis,

- het proces-verbaal van het ingevolge dat vonnis op 27 augustus 2008 gehouden getuigenverhoor,

- de akte van Ymere van 27 augustus 2008,

- de antwoordakte van [gedaagde] van 24 september 2008,

- de door de kantonrechter gegeven en op 8 oktober 2008 uitgesproken rolbeschikking,

- de processen-verbaal van de op 7 januari 2009, 11 maart 2009 en 2 april 2009 gehouden getuigenverhoren,

- de akte overlegging productie van Ymere,

- de akte houdende overlegging producties van [gedaagde],

- de conclusie na enquête van [gedaagde],

- de conclusie na enquête van Ymere.

De verdere beoordeling van het geschil

1. Bij het vonnis van 21 mei 2008 was [gedaagde] toegelaten te bewijzen dat hij zijn hoofdverblijf heeft in de woning aan de [adres] te [woonplaats].

2. Ter voldoening aan zijn bewijsopdracht heeft [gedaagde] negen getuigen doen horen, waarna hij bij akte van 15 april 2009 nog schriftelijke bewijsstukken in het geding heeft gebracht.

3. In tegenverhoor heeft Ymere vier getuigen doen horen, waarna zij bij akte van

15 april 2009 schriftelijk bewijs heeft overgelegd.

4. Voor zover Ymere in haar conclusie na enquête nog ingaat op stellingen van [gedaagde] “die in de procedure naar voren zijn gekomen”, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Daarvoor heeft Ymere voorafgaande aan het vonnis van 21 mei 2008 immers al de gelegenheid gehad. De kantonrechter zal zich daarom (moeten) beperken tot datgene wat Ymere in die conclusie met betrekking tot het door [gedaagde] aangedragen bewijs naar voren heeft gebracht.

5. Zoals in het vonnis van 21 mei 2008 al is overwogen, is bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde] zijn hoofdverblijf in de woning heeft van belang of [gedaagde] daar werkelijk woont, daar zijn zetel van zijn fortruin heeft, daar zijn zaken behartigt, zijn goederen en eigendommen beheert en in die woning regelmatig ’s nachts slaapt.

6. Gelet op het feit dat [gedaagde] op 1 juli 2009 80 jaar oud wordt en een slechte gezondheid heeft, is de kantonrechter van oordeel dat het te leveren bewijs eerder aanwezig moet worden geacht dan in het geval waarin sprake is van een jongere en gezonde huurder.

7. In het licht van wat onder 5. en 6. is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] in zijn bewijslevering is geslaagd.

8. Uit de afgelegde getuigenverklaringen blijkt in ieder geval dat [gedaagde] in de onderhavige woning ’s nachts slaapt en dat zich in die woning meubilair bevindt van [gedaagde]. Voorts blijkt uit de door [gedaagde] na afloop van het getuigenverhoor nog overgelegde schriftelijke stukken dat hij op het onderhavige adres door een medewerker van de trombosedienst wordt bezocht in verband met zijn medicijngebruik.

9. Dat [gedaagde] overdag veel afwezig is en bij familie eet en/of verblijft, staat aan het vorenstaande niet in de weg. [gedaagde] is immers op hulp van anderen aangewezen in verband met zijn ziekte.

10. Het feit dat [gedaagde] hulpbehoevend is en daarom, zoals Ymere ook heeft gesteld, niet zelfstandig kan wonen, doet evenmin aan het vorenstaande af. Ook bij huurders die in een verpleeghuis zijn opgenomen, wordt immers de huurovereenkomst ook dan pas beëindigd indien op grond van medische verklaringen vaststaat dat de betrokkene nimmer meer in de woning zal kunnen terugkeren. Daarvan is hier geen sprake.

11. Het vorenstaande leidt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft in de woning [adres] te [woonplaats].

12. Dit brengt met zich dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning moeten worden afgewezen. Ook de daarmee samenhangende vorderingen tot betaling van de huur tot de datum van ontruiming en van een gebruiksvergoeding tot de datum van de daadwerkelijke ontruiming moeten worden afgewezen.

13. Ymere zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt Ymere in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op €1.000,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.