Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ1774

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
07-07-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 2428 & 09 / 2576
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeksters recht op uitkering terecht en op goede gronden ingetrokken, omdat verzoekster geen duidelijkheid heeft verschaft over haar vermogenspositie. Zo heeft verzoekster geen verklaring kunnen geven voor een groot aantal stortingen op haar rekening en evenmin voor een kasopname van een groot bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 2428 en 09-2576 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2009

in de zaken van:

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 14 mei 2009 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen verweerders weigering om een besluit te nemen over verzoeksters recht op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij brief van eveneens 14 mei 2009 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. AWB 09-2428 WWB.

Bij besluit van 22 mei 2009 heeft verweerder verzoeksters recht op een WWB-uitkering ingetrokken per 1 juni 2008, omdat verzoekster geen gevolg heeft gegeven aan de oproep om gegevens te verstrekken die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering. Ook heeft verweerder een bedrag van € 1583,45 van verzoekster teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 25 mei 2009 bezwaar gemaakt.

Bij brief van eveneens 25 mei 2009 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. AWB 09-2576 WWB.

De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 8 juni 2009, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas en door mr. J.H. Kruseman, werkzaam ten kantore van mr. Klaas. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. Tevens was ter zitting aanwezig S. van Dijck, eveneens werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster was aanvankelijk gehuwd met [naam] (hierna: de ex-echtgenoot). Zij exploiteerde samen met de ex-echtgenoot een snackbar. Deze is eind december 2007 op naam van de ex-echtgenoot gezet. Verzoekster is op 15 december 2007 door haar ex-echtgenoot verlaten. Op 11 november 2008 is tussen verzoekster en haar ex-echtgenoot de echtscheiding uigesproken. Deze is op 11 december 2008 ingeschreven.

2.2 In april 2008 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag om toekenning van een WWB-uitkering ingediend. Deze aanvraag is door verweerder buiten behandeling gelaten, omdat verzoekster te weinig financiële gegevens (bankafschriften) had overgelegd. In juni 2008 heeft verzoekster opnieuw bij verweerder een aanvraag om toekenning van een WWB-uitkering ingediend. Verweerder heeft deze uitkering vervolgens bij besluit van 13 juni 2008 aan verzoekster toegekend. Omdat toen de echtscheidingsprocedure nog liep, is er geen vermogen vastgesteld. Om die reden heeft verweerder de bijstand verstrekt onder verband van een lening.

2.3 In het kader van een heronderzoek heeft verweerder verzoeksters uitkering bij besluit van 30 januari 2009 per 1 december 2008 opgeschort, omdat gebleken was dat verzoekster bij haar aanvraag in juni 2008 niet alle bank- en girorekeningen had opgegeven. Tegen dit opschortingsbesluit heeft verzoekster geen rechtsmiddel aangewend. Bij dit besluit heeft verweerder verzoekster ook in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 9 februari 2009 nadere stukken aan verweerder over te leggen. Verweerder heeft vervolgens, na onderzoek, verzoeksters recht op uitkering met terugwerkende kracht ingetrokken en een bedrag van € 1583,45 van verzoekster teruggevorderd.

2.4 Verzoekster kan zich niet met de beëindiging van haar recht op een WWB-uitkering verenigen. Zij stelt zich op het standpunt dat zij alle informatie waarover zij de beschikking heeft, bij verweerder heeft ingeleverd. Verweerder had de uitkering dan ook niet mogen intrekken. Ter zitting heeft verzoekster het verzoek, geregistreerd onder nr. AWB 09-2428 WWB, ingetrokken. Voorts heeft verzoekster erop gewezen dat zij met haar brief van 9 februari 2009 een afdoende verklaring heeft gegeven voor de stortingen op eigen rekening. Volgens verzoekster berust het bestreden besluit van 22 mei 2009 op een onvolledig dossier. Op grond hiervan heeft verweerder niet tot beëindiging van verzoeksters uitkering kunnen overgaan. Verzoekster heeft ter zitting het verzoek gewijzigd in die zin, dat zij vraagt om toekenning van voorschotten.

2.5 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.6 Nu verzoekster ter zitting het verzoek geregistreerd onder nr. AWB 09-2428 WWB heeft ingetrokken, behoeft op dit verzoek niet meer te worden beslist. De voorzieningenrechter zal dan ook uitsluitend beslissen op het verzoek met reg. nr. AWB 09-2576 WWB.

2.7 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.8 Blijkens het eerste lid van artikel 17 WWB moet de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doen aan het college van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Uit artikel 54, derde lid, van de WWB volgt dat indien de belanghebbende zijn verplichting op grond van artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk nakomt en dat heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, het college het besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken. Op grond van artikel 58 WWB kan het college in een dergelijk geval, of in andere situaties waarin de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de kosten van bijstand terugvorderen.

2.9 Bij besluit van 30 januari 2009 heeft verweerder aan verzoekster verzocht een aantal bewijsstukken te overleggen die betrekking hebben op (de afwikkeling van) verzoeksters echtscheiding en op verzoeksters vermogenspositie. Het gaat in dit verband mede om afschriften van bank- en girorekeningen die op naam staan van verzoekster. De voorzieningenrechter is in dit verband van oordeel dat de door verweerder gevraagde bewijsstukken alle van belang zijn voor het vaststellen van verzoeksters recht op bijstand.

2.10 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vermogenspositie van verzoekster niet is vast te stellen, omdat zij te weinig gegevens heeft verstrekt. Om die reden is tevens het recht op bijstand niet vast te stellen. Niet alle benodigde bankafschriften zijn overgelegd en voorts is niet duidelijk geworden of verzoekster haar vermogen verantwoord had ingeteerd in de periode voor de toekenning van 13 juni 2008. In dat verband heeft verweerder nog gewezen op een kasopname van € 6700,-- uit april 2008 waarvoor geen afdoende verklaring is gegeven. Bovendien bestaat – ondanks de verklaring van verzoekster van 9 februari 2009 – nog immer onduidelijkheid omtrent de achtergrond van een aantal stortingen op rekeningen van verzoekster.

2.11 De voorzieningenrechter is dan ook voorshands van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden toepassing heeft gegeven aan artikel 54, derde lid, WWB, omdat verzoekster niet (volledig) heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenplicht.

2.12 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

2.13 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, en op

24 juni 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.