Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ1038

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
149388-08-3046
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontzegging omgang / contactverbod

De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een contactverbod als zodanig onder de reikwijdte van artikel 827, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering kan vallen, in aanmerking genomen het klaarblijkelijke verband tussen de echtscheiding en de verhouding waarin de man en de kinderen na de ontbinding van het huwelijk tot elkaar komen te staan.

In het onderhavige geval is er, afgaande op de ernstig te nemen en onweersproken gebleven gedragsbeschrijving door de vrouw van de man alle aanleiding de minderjarigen te vrijwaren voor contacten met hun vader. Een daartoe strekkend verbod is dan ook in dit geval in hun belang te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

echtscheiding

zaak-/rekestnr.: 149388/08-3046

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 19 mei 2009

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.A. van den Broek, kantoorhoudende te Schiphol-Rijk,

tegen

[naam man],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,

hierna te noemen: de man.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 3 februari 2009 en de daarin vermelde stukken.

1.2 De voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 maart 2009 in aanwezigheid van de vrouw bijgestaan door mr. Van den Broek voornoemd. De man is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen.

2 Verdere beoordeling

2.1 Bij voornoemde beschikking van 3 februari 2009 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Daarnaast is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen bij de vrouw bepaald, is een door de man te betalen kinderbijdrage vastgelegd van € 156,60 per kind per maand, alsmede een partnerbijdrage van € 450 per maand en is beslist ten aanzien van de afwikkeling van de tussen partijen bestaande huwelijkse voorwaarden.

2.2 De zaak is voor wat betreft het navolgende aangehouden:

- het verzoek te bepalen dat tussen de man en de kinderen geen omgang zal plaatsvinden,

- het verzoek te bepalen dat de vrouw de man aan het eind van elk kwartaal per e-mail zal informeren over de minderjarigen ten aanzien van zaken die hun verzorging en opvoeding betreft;

- het verzoek te bepalen dat de man zal nalaten:

a. zich in [plaats] op te houden,

b. aanwezig te zijn op enige plaats waarvan hij weet of kan vermoeden dat de vrouw en / of één of meer van de kinderen daar aanwezig is of op korte termijn zal zijn, daaronder begrepen openbare gelegenheden als scholen, sportfaciliteiten en horecagelegenheden,

c. telefonisch en schriftelijk contact met de vrouw en /of één of meer van de kinderen op te nemen, waaronder tevens contact via MSN, Hyves of anderszins via internet dient te worden begrepen, een en ander op straffe van verbeurte aan de vrouw van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500 per overtreding.

ontzegging omgang

2.3 De vrouw heeft verzocht te bepalen dat er geen omgang zal plaatsvinden tussen de man en de minderjarigen. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat een niet-verzorgende ouder omgang met zijn of haar kinderen heeft. Dit geldt temeer indien – zoals in het onderhavige geval - beide ouders het gezag over de kinderen uitoefenen. De rechter kan echter op grond van artikel 1:253a BW in het belang van een kind een beslissing nemen, die inhoudt dat er (tijdelijk) geen omgang met het kind is toegestaan. Gelet op de overgelegde stukken alsook hetgeen de vrouw ter zitting verklaard heeft - zoals uit het navolgende ook blijkt - ziet de rechtbank in het onderhavige geval aanleiding de man het recht op omgang met zijn kinderen te ontzeggen, zij het dat de man bij substantieel gewijzigde omstandigheden en in elk geval na verloop van een jaar de rechtbank kan verzoeken het recht op omgang andermaal te toetsen.

informatieplicht

2.4 Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij de man aan het eind van elk kwartaal schriftelijk per e-mail zal informeren ten aanzien van zaken die de verzorging en opvoeding van de minderjarigen betreft, zal – nu de man hiertegen geen verweer heeft gevoerd – eveneens worden toegewezen. Temeer nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

contact- en straatverbod

2.5 De vrouw heeft in het kader van het door haar noodzakelijk geachte contact- en straatverbod- in aanvulling op de reeds door haar overgelegde stukken - ter zitting naar voren gebracht, dat zij tezamen met de kinderen, continue in angst leeft voor de man. Met name de kinderen lijden volgens de vrouw onder de situatie, waarbij de man te pas en te onpas in hun omgeving opduikt en intimiderend gedrag vertoont. De kinderen hebben als gevolg hiervan allen hun eigen manier van verwerken. Zo uit zich dit bij de zoon van partijen in onhandelbaar gedrag en bij de twee dochters van partijen in panisch gedrag. Een vertrouwenspersoon van school is hun enige houvast. Daarnaast vertrouwen ze niemand. De man verspreidt angstaanjagende geruchten in de trant van dat hij de vrouw en kinderen te allen tijde “weet te vinden” en dat hij daarbij bovendien in het bezit is van een vuurwapen. Namens de vrouw is zowel schriftelijk als mondeling toegelicht waarom onderhavige verzoeken in de echtscheidingsbeschikking zijn gedaan in plaats van bij dagvaardingsprocedure kort geding. De vrouw woont – sinds haar vertrek bij de man uit [land] – met de kinderen in een kleine [woning] hier te lande, heeft onvoldoende financiële middelen ter beschikking en de betekening van de dagvaarding zal, gelet op het feit dat de man geen bekende woon- of verblijfplaats in binnen- of buitenland heeft, per openbaar exploot dienen te geschieden, hetgeen een langere termijn met zich brengt. Volgens de vrouw is er voldoende samenhang met de echtscheidingsprocedure en heeft zij belang bij een gelijktijdige afdoening.

2.6 De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een contactverbod als zodanig onder de reikwijdte van artikel 827, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering kan vallen, in aanmerking genomen het klaarblijkelijke verband tussen de echtscheiding en de verhouding waarin de man en de kinderen na de ontbinding van het huwelijk tot elkaar komen te staan.

In het onderhavige geval is er, afgaande op de ernstig te nemen en onweersproken gebleven gedragsbeschrijving door de vrouw van de man alle aanleiding de minderjarigen te vrijwaren voor contacten met hun vader. Een daartoe strekkend verbod is dan ook in dit geval in hun belang te achten. Hetgeen in de slotzin onder 2.3 is opgemerkt doet zich ook hier gelden. Gelet op de aard van een contactverbod bestaat aan een afzonderlijk straatverbod, zoals gevraagd, geen behoefte.

dwangsom

2.7 De rechtbank ziet – alle omstandigheden in aanmerking genomen – op dit moment geen aanleiding reeds op voorhand een dwangsom op te leggen. Het verzoek van de vrouw terzake zal dan ook worden afgewezen.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Ontzegt de man het recht op omgang met de minderjarigen [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] in de gemeente [plaats],

- [naam kind 2], geboren op [datum] in de gemeente [plaats],

- [naam kind 3], geboren op [datum] in de gemeente [plaats].

3.2 Bepaalt dat de vrouw de man aan het eind van elk kwartaal schriftelijk per e-mail zal informeren ten aanzien van zaken die de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen betreft.

3.3 Verbiedt de man contacten, in welke vorm ook, met evengenoemde minderjarigen aan te gaan of te onderhouden.

3.4 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.5 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Flohil, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. A.E. Muller, griffier, op 19 mei 2009.

Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.