Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ0445

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-06-2009
Datum publicatie
26-06-2009
Zaaknummer
AWB 09-1764
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het plichtsverzuim verzoeker wordt verweten, is niet of onvoldoende komen vast te staan. Het gedeelte van het plichtsverzuim dat wel vaststaat, is onvoldoende zwaarwegend om een onvoorwaardelijk strafontslag te rechtvaardigen. Het subsidiaire ongeschiktheidsontslag kan de toets der rechterlijke kritiek ook niet doorstaan, omdat aan verzoeker geen verbetertraject is geboden.

Hierop volgt schorsing van het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 1764 AW

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2009

in de zaak van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. X.M.C.I. Wakim, advocaat te Baarn,

tegen:

de korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft verweerder primair aan verzoeker per 1 maart 2009 wegens ernstig en verwijtbaar plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, zoals bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Bij dit besluit heeft verweerder verzoeker subsidiair eervol ontslagen op grond van artikel 94, eerste lid, onder g, Barp, vanwege onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door verzoeker beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 16 maart 2009 bezwaar gemaakt. Bij brief van 2 april 2009 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 mei 2009, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C. Tomas, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L. Seinen, werkzaam bij de politieregio Zaanstreek-Waterland. Tevens was ter zitting aanwezig C.C. Kortland, eveneens werkzaam bij de politieregio Zaanstreek-Waterland.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker is sinds 1 juli 1985 bij (de voorganger van) verweerder aangesteld als politieambtenaar, laatstelijk sinds 1994 in de functie van [functie]. Op 12 maart 2008 heeft verweerder een brief ontvangen, waarin een buurtbewoner klaagde over het gedrag van verzoeker in diens privétijd en woonomgeving. Deze klacht is vervolgens onderzocht door een medewerker van de politieregio Noord-Holland-Noord. Deze klacht vormde voor verweerder aanleiding om per 11 juni 2008 een integriteitsonderzoek te laten uitvoeren naar verzoeker. Bij besluit van 16 juni 2008 heeft verweerder verzoeker aangezegd dat een disciplinair onderzoek zal worden ingesteld. Dit onderzoek is uitgevoerd door de afdeling Integriteitsonderzoeken van de politieregio Noord-Holland-Noord. In het kader van dit onderzoek zijn onder meer door verschillende buurtbewoners verklaringen afgelegd. Het onderzoek is op 18 augustus 2008 afgerond. Verweerder heeft verzoeker bij besluit van 2 september 2008 buiten functie gesteld. Bij besluit van 12 december 2008 heeft verweerder verzoeker geschorst. Verweerder heeft verzoeker bij besluit van 27 november 2008 het voornemen kenbaar gemaakt om primair over te gaan tot het opleggen van de disciplinaire staf van ontslag en subsidiair tot het verlenen van een ongeschiktheidsontslag. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit dit voornemen ten uitvoer gelegd.

2.2 Verzoeker kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hij stelt allereerst een spoedeisend belang te hebben bij een voorlopige voorziening, omdat zijn financiële situatie aanzienlijk is verslechterd. Voorts stelt verzoeker dat het bestreden besluit een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert. Verzoeker betwist dat hij zogeheten tactische informatie heeft gelekt of aan derden informatie heeft verstrekt over lopende onderzoeken. Ook heeft verzoeker niet aan derden verteld dat hij beschikte over [apparatuur]. Voorts hoort het bij verzoekers functie dat hij zo nu en dan kentekens van auto’s natrekt. In dit verband wijst hij op het [plan] van de groep [naam groep]. Ook wijst verzoeker erop dat het bestreden besluit is gebaseerd op verklaringen van buurtbewoners met wie verzoeker geen goede verstandhouding had. Hierdoor hebben zij extra negatief over verzoeker verklaard. Verzoeker ontkent onjuist te hebben gehandeld. Er is dus geen sprake van plichtsverzuim, zodat er geen grond is voor strafontslag. Voorts stelt verzoeker dat er ook geen grond is voor een ongeschiktheidsontslag, omdat aan verzoeker geen verbetertraject is aangeboden. Ter zitting heeft verzoeker benadrukt dat de verweerder ten onrechte uitgaat van de juistheid van de verklaringen van omwonenden.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van het onderzoek voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Dit rechtvaardigt een onvoorwaardelijk strafontslag. Voor zover dit juridisch niet houdbaar zou blijken, is bij verzoeker sprake van ongeschiktheid voor het vervullen van zijn functie. Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat verzoeker door zijn wijze van handelen de veiligheid van zijn collega’s in gevaar heeft gebracht. Dit is in strijd met het zogeheten [plan]. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat verzoeker over een zodanige mentaliteit en over zodanige eigenschappen beschikt, dat hij hierdoor ongeschikt is voor welke functie dan ook binnen de politieorganisatie.

2.4 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.5 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.6 Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder verzoeker de volgende gedragingen verwijt:

- Verzoeker heeft zijn (vertrouwens)positie misbruikt door onzedelijke handelingen te verrichten met zijn minderjarige buurmeisje [naam buurmeisje].

- Verzoeker heeft door zijn feitelijke handelingen en gedragingen aan burgers tactische informatie prijsgegeven (gelekt) onder andere over de werkwijze van het [dienst] en het verstrekken van informatie over lopende onderzoeken.

- Verzoeker heeft een buurtonderzoek gedaan dan wel kentekens bevraagd voor privédoeleinden en deze informatie gedeeld met burgers.

- Verzoekers mededelingen over het voorgaande aan burgers en het feit dat verzoeker die burgers heeft medegedeeld uit veiligheidsoverwegingen de dienstauto niet voor de deur te parkeren, hebben een groot gevoel van onveiligheid bij deze burgers veroorzaakt.

Verweerder baseert zich in dit verband voornamelijk op door getuigen afgelegde verklaringen.

2.7 Wat het eerste verwijt betreft, staat mede op basis van verzoekers eigen verklaring vast, dat hij [naam buurmeisje] heeft gemasseerd en dat hij met haar heeft gezoend, terwijl zij beiden een ontbloot bovenlijf hadden. Verzoeker ontkent echter ten aanzien van [naam buurmeisje] verdergaande (onzedelijke) handelingen te hebben verricht. Dit laatste verwijt is op basis van het verrichte onderzoek niet aannemelijk geworden.

2.8 Voorts is op basis van het ingestelde onderzoek komen vast te staan, dat burgers die bij verzoeker in de buurt wonen, ervan op de hoogte zijn geraakt dat verzoeker werkte bij een bijzondere dienst van de politie, dat hij van een onopvallende dienstauto gebruikmaakte, waarvan de [onderdeel] konden worden verwisseld en waarop [ander onderdeel] konden worden aangebracht. Dat verzoeker aan burgers informatie heeft verstrekt over lopende onderzoeken, is op basis van het onderzoek niet komen vast te staan. Verzoeker heeft dit ontkend. Daartegenover staan geen verklaringen van getuigen die hebben verklaard over concrete informatie die verzoeker in dit verband zou hebben verstrekt. De enkele verklaring dat verzoeker informatie heeft verstrekt, zonder dat duidelijk wordt om welke informatie het dan ging, is in dit verband onvoldoende. Verschillende getuigen hebben verklaard dat verzoeker regelmatig spannende verhalen over zijn werk vertelde. Verzoeker ontkent dat hij daarbij informatie over lopende onderzoeken aan derden heeft verstrekt. Ook in dit verband zijn de verklaringen onvoldoende concreet om te kunnen concluderen, zoals verweerder doet, dat verzoeker tactische informatie heeft prijsgegeven over lopende onderzoeken en over de werkwijze van zijn eenheid. Uit de verklaringen wordt immers geenszins duidelijk wat de getuigen verstaan onder “spannende verhalen over het werk” van verzoeker. Van het tweede verwijt dat verweerder verzoeker maakt, is slechts komen vast te staan dat buurtbewoners hebben gezien dat verzoeker gebruik maakte van een dienstauto waarvan de [onderdeel] konden worden verwisseld en waarop [ander onderdeel] konden worden aangebracht.

2.9 Wat het derde verwijt betreft, is op basis van het verrichte onderzoek uitsluitend komen vast te staan dat verzoeker een vriend van [naam buurmeisje] heeft nagetrokken en dat hij vervolgens tegen [naam buurmeisje] en haar moeder heeft gezegd dat het wel goed zat. Dat verzoeker voor privédoeleinden een buurtonderzoek heeft gedaan, is niet komen vast te staan. Het is weliswaar zo dat enkele omwonenden dit hebben verklaard, maar verzoeker heeft dit ontkent en verweerder heeft voor deze verklaringen geen bevestiging kunnen vinden in de politiesystemen.

2.10 Tot slot is op grond van de afgelegde verklaringen van de buurtbewoners voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker door zijn parkeergedrag met de dienstauto in de buurt waar hij woont en door de verhalen die hij over zijn functie heeft verteld, irritatie en een gevoel van onveiligheid heeft opgeroepen bij de omwonenden.

2.11 Verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit is gebaseerd op verklaringen van buurtbewoners met wie verzoeker geen goede verstandhouding had en dat deze buurtbewoners om die reden extra negatief over verzoeker hebben verklaard. Dit laatste is echter niet aannemelijk, aangezien de verklaringen van de verschillende buurtbewoners redelijk met elkaar overeenstemmen.

2.12 Hetgeen op grond van het bovenstaande aannemelijk is geworden, levert ernstig plichtsverzuim op in de zin van artikel 76 Barp. Dit plichtsverzuim kan verzoeker worden toegerekend. Met name kan verzoeker worden aangerekend dat hij heeft gehandeld in strijd met het [plan]. Kenmerkend voor verzoekers functie van [functie] is, zoals verweerder heeft aangegeven, dat verzoeker in de uitoefening hiervan niet opvalt. Verzoeker heeft echter door zijn wijze van optreden juist wel de aandacht van de omwonenden getrokken. Nu sprake is van ernstig plichtsverzuim, is verweerder in principe bevoegd aan verzoeker een disciplinaire sanctie op te leggen.

2.13 Het hierboven als vaststaand aangemerkte plichtsverzuim is echter onvoldoende ernstig om een onvoorwaardelijk strafontslag te kunnen rechtvaardigen. Uit het door verweerder ingestelde onderzoek komt van verzoeker het beeld naar voren, dat hij indruk heeft willen maken op zijn omgeving met zijn werk bij de politie. Daardoor heeft hij uit het oog verloren dat hij dit, gelet op zijn specifieke functie, nu juist niet behoorde te doen. Het is niet komen vast te staan dat verzoeker opzettelijk vertrouwelijke informatie naar buiten heeft gebracht. Er is bij verzoeker eerder sprake van door een stoere houding en door stoer gedrag veroorzaakte onbezonnenheid en onvoorzichtigheid. Verder is niet aannemelijk geworden, dat blijkt immers nergens uit, dat verzoeker zichzelf of zijn collega’s door dit gedrag in gevaar heeft gebracht. Uitsluitend is komen vast te staan dat zijn handelwijze bij zijn buurtbewoners irritatie en bij de ouders van [naam buurmeisje] bovendien bezorgdheid heeft opgeroepen. Het zoenen van verzoeker met de minderjarige [naam buurmeisje] is volstrekt ongepast. Gelet op wat daarover op basis van de verklaringen van verzoeker en [naam buurmeisje] is komen vast te staan, levert deze gebeurtenis echter onvoldoende grondslag op, ook niet in combinatie met de andere verwijten, voor een onvoorwaardelijk strafontslag.

2.14 Verweerder heeft zich ten aanzien van het subsidiair opgelegde ongeschiktheidsontslag, op het standpunt gesteld, dat verzoeker ongeschikt is voor een functie binnen de politieorganisatie. Verzoeker heeft echter terecht gewezen op de ter zake vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Deze jurisprudentie houdt in, dat de ongeschiktheid, zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn, moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar en dat van ontslag in het algemeen niet eerder sprake zal kunnen zijn, dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.

2.15 Uit hetgeen hierboven is overwogen, blijkt in voldoende mate dat verzoeker, gelet op zijn gedragingen, ongeschikt is voor het vervullen van de functie van [functie]. Begrijpelijk is dat door de onvoorzichtige wijze waarop verzoeker is omgegaan met de veiligheidseisen die voor zijn onderdeel gelden, er geen vertrouwen meer bestaat in zijn functioneren in deze functie. Ter zitting liet verzoeker merken dit zelf ook wel te begrijpen. Niet valt echter in te zien dat verzoeker in een andere functie niet zou kunnen worden gecorrigeerd op het gedrag dat hem door verweerder wordt verweten. Het gedrag van verzoeker dat aannemelijk is geworden, is niet van dien aard dat op voorhand vaststaat dat een traject, gericht op verbetering van verzoekers gedrag, niet zou kunnen leiden tot een voldoende functioneren in een functie bij een andere politieonderdeel [dienst]. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat verzoeker gedurende een lange periode, naar aangenomen moet worden onberispelijk, bij de politie heeft gefunctioneerd. Omdat verzoeker nog niet in de gelegenheid is gesteld zijn gedrag te verbeteren, is verweerder niet bevoegd over te gaan tot ontslag wegens ongeschiktheid.

2.16 Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Ter zitting heeft hij aangegeven door het ontslag te zijn geconfronteerd met een achteruitgang van het gezinsinkomen van ongeveer dertienhonderd euro per maand. Gelet op de betrokken belangen en het spoedeisend belang is er aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek daartoe dan ook toewijzen. Het bestreden besluit zal worden geschorst. Hierdoor herleeft verweerders schorsingsbesluit van 12 december 2008.

2.17 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Naast de proceskosten in verband met beroepsmatig verleende rechtsbijstand komt een bedrag van € 19,10 aan reiskosten voor vergoeding in aanmerking.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het bestreden besluit tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar;

3.3 veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 663,10, welk bedrag de politieregio Zaanstreek-Waterland aan hem dient te betalen;

3.4 gelast dat de politieregio Zaanstreek-Waterland het door verzoeker betaalde griffierecht van € 150,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, en op

15 juni 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.