Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ0410

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
26-06-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 6210 & 08 / 6211
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

In deze zaak gaat het om de vraag of bij eiseres sprake is van zorgbehoefte zoals bedoeld in artikel 3, aanhef en onder a, WWB. De voorzieningenrechter heeft ter beantwoording van deze vraag een psychiater als deskundige benoemd. Op grond van diens bevindingen concludeert de voorzieningenrechter dat bij eiseres sprake is van zorgbehoefte. Hierop volgt vernietiging van de beslissing op bezwaar en herroeping van het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 6210 en 08-6211 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juni 2009

in de zaken van:

[naam eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2008, verzonden op 2 juli 2008, heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 juni 2008 beëindigd, omdat eiseres een gezamenlijke huishouding voert.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 4 juli 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 september 2008, verzonden op 3 september 2008, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 september 2008 beroep ingesteld. Bij brief van eveneens 26 september 2008 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 oktober 2008, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. Tevens was ter zitting aanwezig M.J.M. Willems, indicatiesteller bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).

Na sluiting van het onderzoek heeft de voorzieningenrechter op 13 oktober 2008 het onderzoek ter zitting heropend, omdat hij het voor een goede beoordeling van de zaak noodzakelijk acht een deskundige, in dit geval een psychiater, te benoemen die de opdracht zal krijgen eiseres te onderzoeken, zijn bevindingen neer te leggen in een rapport en advies uit te brengen aan de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens dr. R. Tonneijck, psychiater, als deskundige benoemd. Op 29 oktober 2008 heeft hij de onderzoeksvraagstelling toegezonden gekregen.

De voorzieningenrechter heeft op 16 maart 2009 het rapport en advies van voormelde deskundige ontvangen. Bij brief van 7 april 2009 heeft verweerder hierop gereageerd.

De behandeling van het verzoek is ter zitting van 11 mei 2009 voortgezet, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. Bonsen-Lemmers, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. Tevens was ter zitting aanwezig [naam vrijwilligster], vrijwilligster.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek gesloten en bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het nu voorliggende geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Eiseres woonde aanvankelijk in [plaatsnaam]. Tot 17 oktober 2005 heeft zij van de gemeente [plaatsnaam] een bijstandsuitkering ontvangen. Per 17 oktober 2005 is eiseres, samen met haar meerderjarige zoon, gaan wonen in [woonplaats] in het huis van haar zus, [naam zus] (hierna: de zuster van eiseres). Vervolgens heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van een WWB-uitkering. Verweerder heeft haar deze uitkering vervolgens toegekend.

2.3 Bij besluit van 11 april 2007 heeft verweerder de uitkering van eiseres per 2 april 2007 beëindigd, omdat eiseres een gezamenlijke huishouding voert. Bij besluit van 6 augustus 2007 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 26 november 2007 het tegen deze beslissing op bezwaar gerichte beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, onder meer wegens strijd met artikel 3:9 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het primaire besluit van 11 april 2007 herroepen. Verweerder heeft in deze uitspraak berust en de uitkering van eiseres vanaf 2 april 2007 na- en doorbetaald.

2.4 Verweerder heeft vervolgens het CIZ ingeschakeld om te onderzoeken of bij eiseres sprake is van zorgbehoefte in de zin van artikel 3, tweede lid, onder a, WWB. Op 24 maart 2008 heeft het CIZ zijn onderzoek afgerond. Verweerder heeft vervolgens onder verwijzing naar de rapportage van het CIZ het primaire besluit genomen, dat in bezwaar is gehandhaafd.

2.5 Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Hieruit blijkt immers niet dat het CIZ de behandelaars van eiseres heeft geconsulteerd. Eiseres is van mening dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat de zorgbehoefte van eiseres niet zodanig is, dat inwoning bij haar zuster noodzakelijk is. Ook stelt eiseres dat verweerder haar meerderjarige zoon ten onrechte een belangrijke rol toekent. Het CIZ heeft echter nagelaten een onderzoek in te stellen naar de medische situatie van deze zoon, zodat verweerders aanname op dit punt feitelijke grondslag mist. Volgens eiseres is sprake van een zorgbehoefte in de zin van artikel 3, tweede lid, onder a, WWB. Ter zitting van 11 mei 2009 heeft eiseres benadrukt dat zij is aangewezen op intensieve zorg van anderen. Ook heeft zij erop gewezen dat een eventuele plaatsing in een psychiatrische setting na verloop van een jaar wordt bekostigd via de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ).

2.6 Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de rapportage van het CIZ weliswaar blijkt van enige zorgbehoefte bij eiseres, maar dat deze zorgbehoefte niet zodanig groot is dat hiervoor inwoning dan wel samenwoning noodzakelijk is. Hierdoor is geen sprake van zorgbehoefte in de zin van artikel 3, tweede lid, onder a, WWB. Voorts is verweerder van mening dat de rapportage van het CIZ op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat voldaan is aan het vereiste in artikel 3:9 Awb. Ter zitting van 11 mei 2009 heeft verweerder erop gewezen dat hij zich stelt achter de reactie van M.J.M. Willems in de brief van 7 april 2009. Voorts is verweerder van mening dat het advies van de deskundige te zeer is gebaseerd op de hypothese wat zou er met eiseres zou gebeuren als haar zuster zou wegvallen. In dit verband wijst verweerder erop dat de zoon van eiseres er dan nog wel is. Hij kan ook de nodige ondersteuning bieden, aldus verweerder.

2.7 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.8 Artikel 3 van de WWB luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij een van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte.”

Ingevolge het bepaalde in het derde lid van artikel 3 WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding, als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.9 In het nu voorliggende geschil staat de vraag centraal of bij eiseres sprake is van zorgbehoefte zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, WWB.

Hierbij ziet de voorzieningenrechter zich echter allereerst gesteld voor de vraag, wat onder het begrip “zorgbehoefte” moet worden verstaan. Voor de beantwoording van deze vraag is richtinggevend de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 september 2007, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BB6205. In deze uitspraak heeft de CRvB over het begrip “zorgbehoefte” onder meer het volgende overwogen: “ Blijkens de gedingstukken heeft appellant (…….) beoordeeld of de broer van betrokkene ten tijde hier van belang aanspraak zou kunnen maken op een plaats in een AWBZ-instelling, maar daar om hem moverende redenen van heeft afgezien of op een wachtlijst daarvoor is geplaatst. Tevens is bezien of deze broer vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren, daar hij is aangewezen op intensieve zorg van anderen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant het begrip zorgbehoefte aldus niet onjuist geïnterpreteerd.”

2.10 Ter beantwoording van de hiervoor onder 2.9 vermelde vraag, heeft de voorzieningenrechter dr. R. Tonneijck, psychiater te Haarlem, als deskundige benoemd en hem ter beantwoording de volgende vragen voorgelegd:

1. Welke beperkingen had verzoekster op de in deze zaak van belang zijnde datum, te weten 1 juni 2008 ?

2. Zijn deze beperkingen naar algemeen aanvaard (actueel) wetenschappelijk inzicht een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van een ziekte of gebrek? Zo ja, welke?

Onderstaande vragen alleen bij psychische klachten of moeilijk objectiveerbare klachten:

3. Voorts verzoek ik u de volgende vragen te beantwoorden:

a. Is er bij verzoekster sprake van stoornissen op het niveau van het lichamelijke en/of geestelijk functioneren, en zo ja, waar bestaan deze stoornissen uit?

b. Is er bij verzoekster sprake van beperkingen op het niveau van gedragingen en/of activiteiten, en zo ja, waar bestaan deze beperkingen uit?

c. Is er bij verzoekster sprake van handicaps op het niveau van sociale rolvervulling en zo ja, waar bestaan deze handicaps uit?

d. Voor zover bij verzoekster sprake is van stoornissen, beperkingen en handicaps, hangen deze dan consistent samen?

e. Als verzoeksters zus, [naam zus], zou wegvallen, zou verzoekster zich dan zelfstandig staande kunnen houden ? Zo nee, waarom niet ?

4. Hebben zich na 1 juni 2008 nog relevante ontwikkelingen in de medische situatie van verzoekster voorgedaan? Zo ja, welke ?

5. Kunt u zich , gelet op uw antwoorden op de voorgaande vragen, verenigen met de volgende conclusie van de indicatiesteller van het CIZ, zoals opgenomen in zijn rapportage van 15 mei 2008:

“Er kan gesteld worden dat er sprake is van een zorgbehoefte; bij het wegvallen van de zus van mevrouw zal een opname in een AWBZ-instelling niet noodzakelijk zijn. (……………) ”

In dit verband wijs ik u op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 september 2007 (LJN: BB6205), in welke uitspraak de CRvB het wettelijk begrip “zorgbehoefte” nader uitlegt. Een kopie van deze uitspraak treft u bij deze opdracht aan.

6. Acht u ter beantwoording van bovenstaande vragen een onderzoek door een of meer andere deskundigen/specialisten gewenst? Zo ja, waarom en op welk gebied?

7. Raadt u kennisneming door verzoekster van uw verslag af met het oog op de geestelijke en/of lichamelijke gezondheid van verzoekster ?

2.11 De deskundige heeft de hiervoor vermelde vragen als volgt beantwoord, waarbij hij eiseres ook als “betrokkene” aanduidt:

“ad. 1: Betrokkene heeft beperkingen in het sociaal functioneren. Zij is zorgbehoeftig met beperkingen om in haar dagelijkse levensbehoefte te voorzien, beperkingen in het huishoudelijk functioneren en er is sociaal isolement. Deze beperkingen komen voort uit en depressieve stoornis en paniekstoornis met agorafobie bij een vrouw met beperkte intellectuele vermogens en een zeer beperkt copingsmechanisme.

ad. 2: Deze beperkingen zijn naar algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en gebrek.

ad. 3a. Bij verzoekster is sprake van een stoornis op het niveau van geestelijk functioneren, zodat zij niet autonoom kan functioneren, maar afhankelijk is van zorg van anderen, een paniekstoornis heeft met agorafobie, waardoor zij zeer weinig stressbestendig is en vanuit haar voorgeschiedenis zeer slecht alleen kan zijn.

ad. 3b. Er zijn beperkingen op het niveau van gedragingen: vanuit haar depressieve stoornis neigt betrokkene tot terugtrekgedrag en sociaal isolement en komt zij nauwelijks tot enige activiteiten door de paniekstoornis en de depressieve stoornis.

ad. 3c. Op het niveau van sociale rolvervulling is betrokkene zeer beperkt, omdat zij vanuit haar depressieve en paniekstoornis nauwelijks in staat is tot het aangaan van contacten.

ad. 3d. Deze stoornissen en beperkingen hangen consistent samen.

ad. 3 e Als de zus van betrokkene zou wegvallen, is de kans groot dat betrokkene zich niet zelfstandig kan handhaven. Zie voor argumentatie mijn overwegingen bovengenoemd.

ad. 4. Er hebben zich na 1 juni 2008 geen relevante ontwikkelingen in de medische situatie van verzoekster voorgedaan.

ad. 5. Zoals ik in mijn overwegingen reeds gesteld heb, kan ik mij niet verenigen met de conclusie van de indicatiesteller van het CIZ, als opgenomen in de rapportage van 15 mei 2008, omdat deze slechts uitgaat van de situatie zoals die bij betrokkene is met zus en zoon. Uit de huidige situatie blijkt dat betrokkene niet zodanig zorgbehoeftig is dat zij zonder zus en zoon opgenomen zou moeten worden in een AWBZ-instelling. Echter, zoals ik reeds stelde, zal vanuit haar beperkte copingsmechanisme en haar voorgeschiedenis er zich een dusdanige dynamiek gaan ontwikkelen dat betrokkene in een psychiatrisch ernstige toestand komt, die dusdanig is dat zorgbehoefte van een instelling wel noodzakelijk is. Ook de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 18-09-2007 gaan eveneens nietuit van de dynamiek die ontstaat ten gevolge van het eventueel wegvallen van zus of zoon.

ad. 6. Ik acht ter beantwoording van bovenstaande vragen geen onderzoek door een of meer andere deskundigen gewenst.

ad. 7. Ik raad kennisneming van betrokkene van mijn verslag met het oog op de geestelijke en lichamelijke toestand van haar niet af.”

2.12 De indicatiesteller Willems heeft in de brief van 7 april 2009 onder meer de volgende reactie gegeven op de antwoorden die de deskundige op voormelde vragen heeft gegeven: “ Het rapport van dr. Tonneijck is uitgebreid en goed omschreven wat er aan de hand is met mevrouw, haar zus en zoon. (………..) Echter, bij vraag 3 e heb ik wel een opmerking en ook op het antwoord van dr. Tonneijck. Bij mijn huisbezoeken van 19-02-2008 en 15-05-2008 was het niet de vraag of er sprake zou zijn van een opname in een AWBZ-instelling, maar of er sprake was van een gezamenlijk huishouden en welke zorgbehoefte er is. Het CIZ indiceert AWBZ-zorg op de huidige zorgvraag, stoornissen en beperkingen en inventariseert of deze klachten een chronisch karakter hebben of deze nog zullen verbeteren e.d. (cure en care). We gaan ook niet uit van een hypothese (het zou wel eens kunnen zijn dat) en ook een aanvraag uit voorzorg is niet mogelijk (een plaatsing op een wachtlijst uit voorzorg). Ik ben het wel met dr. Tonneijck eens dat als mw. alleen zou zijn of komen te staan, zij gezien het psychiatrische beeld w.s. zou decompenseren en dat opname in een psychiatrische instelling het gevolg zou kunnen zijn; echter, dit is dan niet indicatieplichtig (opname in een psychiatrische instelling is geen AWBZ-zorg). (…….)”

2.13 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de rapportage van de deskundige en uit diens antwoorden op de gestelde vragen, dat bij eiseres sprake is van objectief aangetoonde psychiatrische problematiek. Anders dan de indicatiesteller van het CIZ aangeeft, is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat het in het specifieke geval van eiseres niet strijdig is met de wijze waarop in de regel zorgbehoefte wordt geïndiceerd, door in haar geval bij deze indicatie uit te gaan van een hypothetische situatie. Wat zal er gebeuren als eiseres alleen komt te staan ? Uit de rapportage van de deskundige blijkt, en de indicatiesteller van het CIZ onderschrijft dit, zal vanuit het beperkte copingsmechanisme van eiseres en haar voorgeschiedenis zich een dusdanige dynamiek gaan ontwikkelen, dat eiseres in een psychiatrisch ernstige toestand komt, die dusdanig is dat zorgbehoefte van een instelling noodzakelijk is. Dit duidt erop dat er ook nu sprake is van een zorgbehoefte, waarin op dit moment de zuster van eiseres voorziet.

2.14 Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter de zorgbehoefte zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, WWB voldoende aangetoond. Het beroep is gegrond. Gelet hierop kan het bestreden besluit niet in stand blijven en het zal worden vernietigd wegens strijd met voormeld artikel van de WWB en met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van 25 juni 2008 te herroepen. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

2.15 Voorts bestaat, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 Awb, aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Die kosten (voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand) dienen krachtens het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld te worden op € 1127,-- (een punt voor het indienen van het beroepschrift, een punt voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening en anderhalve punt voor het verschijnen ter zitting). De zaken zijn gemiddeld qua zwaarte. Nu ten behoeve van eiseres een toevoeging is afgegeven ingevolge de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 2 september 2008;

3.3 herroept het primaire besluit van 25 juni 2008;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.5 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1127,--, welk bedrag de gemeente Haarlemmermeer dient te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.6 gelast dat de gemeente Haarlemmermeer het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 78,-- aan haar vergoedt;

3.7 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, en op 2 juni 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.