Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ0248

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
26-06-2009
Zaaknummer
152276 - HA ZA 08-1506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeerde partijen gedagvaard. Vordering tegen advocaten persoonlijk is niet ontvankelijk nu maatschap gedagvaard had moeten worden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/532
Prg. 2009, 127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152276 / HA ZA 08-1506

Vonnis van 24 juni 2009 (bij vervroeging)

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Amsterdam,

eiser,

advocaat mr. drs. J.E. van de Wint,

tegen

1. [Gedaagde 1], H.O.D.N. NAGTEGAAL & JONG ADVOCATEN,

kantoorhoudende te Zaandam, gemeente Zaanstad,

2. [Gedaagde 2], H.O.D.N. NAGTEGAAL & JONG ADVOCATEN,

kantoorhoudende te Zaandam, gemeente Zaanstad,

gedaagden,

advocaat mr. M. Middeldorp.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 januari 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 25 mei 2009

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van 1. primair EUR 146.489, subsidiair EUR 31.489 en voorwaardelijk EUR 115.000 en meer subsidiair EUR 11.489 en voorwaardelijk EUR 135.000, alles vermeerderd met rente,

2. veroordeling tot vergoeding van schade als gevolg van het gelegde beslag, nader op te maken bij staat,

3. veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.

2.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij met [gedaagden] een overeenkomst tot opdracht heeft gesloten en dat zij ernstig zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens hem (onder meer door hem onvoldoende te informeren en hem onjuist te adviseren) waardoor hij schade heeft geleden en nog lijdt.

2.3. [gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Als meest verstrekkende verweer heeft [gedaagden] aangevoerd dat de verkeerde partijen zijn gedagvaard nu [eiser] opdracht heeft verstrekt aan de maatschap Nagtegaal Jong en niet aan [gedaagden] pro se. [gedaagden] zijn geen maten van de maatschap: [gedaagde 1] is in loondienst van de maatschap en [gedaagde 2] is in loondienst bij Asherah B.V. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [gedaagden] gewezen op de aan [eiser] verstuurde opdrachtbevestiging bij brief van 21 februari 2007 en de daarin opgenomen verwijzing naar de algemene voorwaarden.

3.2. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat hij de brief van 21 februari 2007 niet kent en evenmin kennis heeft genomen van de algemene voorwaarden. De juridische entiteit staat niet op het briefpapier, [eiser] heeft steeds [gedaagde 1] persoonlijk op het oog gehad om zijn belangen te behartigen zodat zij persoonlijk contractspartij was en in ieder geval hoofdelijk aansprakelijk, het beding is onredelijk bezwarend en [gedaagde 2] is als werkgever aansprakelijk voor de fouten van de werknemer, aldus [eiser].

3.3. De rechtbank overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of de algemene voorwaarden van toepassing zijn, dienen de maatstaven te worden aangelegd die in het algemeen gelden bij de totstandkoming van overeenkomsten. De toepasselijkheid van algemene voorwaarden kan aldus worden aangenomen indien zij door de gebruiker is voorgesteld en door de wederpartij is aanvaard, waaronder begrepen het geval dat de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt met de toepasselijkheid in te stemmen. Deze aanvaarding of schijn van aanvaarding kan ook uit een stilzwijgen van de wederpartij worden afgeleid. Hierbij is het niet noodzakelijk dat de wederpartij de inhoud van de algemene voorwaarden kent. Voldoende is dat voor of bij het sluiten van de overeenkomst naar de algemene voorwaarden wordt verwezen. Dat [eiser] de brief van 21 februari 2007 zelf niet kent, dient voor zijn eigen rekening te blijven.

3.4. In de algemene voorwaarden is opgenomen dat Nagtegaal Jong Advocaten een maatschap is, dat alle opdrachten uitsluitend worden aanvaard door Nagtegaal Jong Advocaten en dat de werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van Nagtegaal Jong plaatsvinden met uitsluiting van het bepaalde in artikel 7:404 BW.

3.5. De stelling dat [gedaagden] persoonlijk contractspartijen waren van [eiser] mist feitelijke grondslag nu alle correspondentie steeds is ondertekend door Nagtegaal Jong Advocaten. Dat [eiser] zich daarvan wel degelijk bewust is geweest blijkt uit de brief van 29 juli 2008 waarin [eiser] het kantoor aansprakelijk stelt en welke brief overigens ook geadresseerd is aan Nagtegaal Jong. Of de uitsluiting van art. 7:404 BW een onredelijk bezwarend beding vormt, behoeft dan ook geen bespreking. [gedaagde 2] kan evenmin persoonlijk als werkgever worden aangesproken voor de handelwijze van [gedaagde 1] nu [gedaagde 1] in loondienst is van de maatschap en niet van [gedaagde 2]. Als onweersproken staat vast dat [gedaagde 2] niet als natuurlijk persoon maat is doch via een besloten vennootschap. Op grond van het voorgaande moet geconcludeerd worden dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vorderingen jegens [gedaagden]

3.6. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- vast recht EUR 1.148,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 3.990,00

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,

4.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 3.990,00,

4.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers , mr. I.A.M. Tel en mr. J.E. van Praag en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2009.?