Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ0199

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
26-06-2009
Zaaknummer
151175 - HA ZA 08-1338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een geneeskundige behandelingsovereenkomst (informatieplicht na operatie ivm mogelijke heroperatie). Causaal verband met schade wordt slechts gedeeltelijk aangenomen. Immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151175 / HA ZA 08-1338

Vonnis van 3 juni 2009

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Curaçao, Nederlandse Antillen,

eiser,

advocaat mr. A.J.P. Schram,

tegen

1. de stichting

STICHTING RODE KRUIS ZIEKENHUIS,

gevestigd te Beverwijk,

2. [Gedaagde 2],

wonende te Bergen,

gedaagden,

advocaat mr. E.J.C. de Jong.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen hierna Rode Kruis Ziekenhuis en [gedaagde 2] en gezamenlijk Rode Kruis Ziekenhuis c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 december 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 21 april 2009 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit geding het volgende vast:

a. In verband met klachten aan zijn rechterknie heeft [eiser] in 2003 bij Rode Kruis Ziekenhuis een kijkoperatie ondergaan, welke is uitgevoerd door [gedaagde 2]. Rode Kruis Ziekenhuis, althans de behandelend arts, [gedaagde 2], heeft [eiser] geadviseerd een operatie te laten uitvoeren waarbij de lichte x-stand van het rechterbeen van [eiser] zou worden gecorrigeerd. Dit advies is opgevolgd en in mei 2004 heeft [gedaagde 2] een zogenaamde osteotomie-operatie uitgevoerd met gebruikmaking van een zogeheten externe fixatie.

b. In de maanden daarna is het resultaat van de operatie enkele malen poliklinisch gecontroleerd door Rode Kruis Ziekenhuis c.s. Na verwijdering van de externe fixateur heeft [gedaagde 2] in december 2004 [eiser] genezen verklaard en ontslagen uit de behandeling.

c. In februari 2005 is [eiser] onderzocht door dr. [A], de opvolger van [gedaagde 2] die inmiddels niet meer aan het Rode Kruis Ziekenhuis verbonden was. Dr. [A] heeft geconcludeerd dat het rechterbeen van [eiser] vérgaand overgecorrigeerd was van de aanvankelijke lichte X-stand naar een grote O-stand. [A] adviseerde een nieuwe operatie teneinde een en ander te herstellen.

d. [eiser] heeft nadere second opinions ingewonnen van respectievelijk orthopedisch chirurg [B] op 28 april 2005, chirurg [C] te Miami in mei 2005 en dr. [D] te Houston op 8 september 2005.

e. Bij brief van 11 oktober 2005 heeft [eiser] Rode Kruis Ziekenhuis c.s. aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. Bij brief van 4 april 2006 heeft Rode Kruis Ziekenhuis aansprakelijkheid van de hand gewezen.

f. Bij beschikking van 27 december 2006 heeft deze rechtbank op verzoek van [eiser] een voorlopig deskundigenbericht gelast en daarbij prof. dr. [E] benoemd tot deskundige. [E] heeft op 20 juni 2007 in een definitief deskundigenbericht de hem door de rechtbank gestelde vragen beantwoord, daarbij tevens ingaande op de opmerkingen van dr. [F] op het concept-rapport. In het deskundigenbericht merkt [E] onder meer het volgende op:

“De door [gedaagde 2] uitgevoerde osteotomie-techniek is in de literatuur bekend.(..) Hij is een expert op dit gebied. Persoonlijk vind ik wel, dat de osteotomie wat dichter bij de knie uitgevoerd had kunnen worden. Verder liggen de twee distale schroeven wat dichtbij het osteotomievlak, zodat een verschuiving gemakkelijker optreedt(..).. Deze kritiek wil ik echter niet overdrijven (..). Ik denk dan ook, dat de operateur het beste kan beantwoorden of hij de uitvoering van de osteotomie als perfect beoordeelt. (..) Het moet duidelijk zijn dat de dislocatie, anders dan in het dossier vermeld, op een heel vroeg moment, nl. twee weken na de ingreep opgetreden is. Complicaties horen als het ware bij iedere techniek en zijn dan ook (..) niet verwijtbaar. Het moet echter wel zo zijn, dat de operateur als er een complicatie optreedt ook in staat is om de hiervoor nodige maatregelen te nemen. In het onderhavige geval was het zeker geïndiceerd geweest om na het optreden van de verschuiving de fixateur extern opnieuw te plaatsen en de verschuiving op te heffen of wel over te gaan op een interne fixatie.(..) Betrokkene had duidelijk problemen in de fase van het opdraaien (..). De vroeg optredende verschuiving na twee weken is blijkbaar niet opgemerkt, in ieder geval is de patiënt hierover niet geïnformeerd. Als de ‘complicatie’ wel onderkend was, heeft de patiënt recht op volledige informatie en uitleg over wat er verder moet gebeuren.(..) Naar mijn mening heeft de betrokken orthopaedisch chirurg in strijd gehandeld met de voor hem geldende professionele standaard. De indicatie tot heroperatie was al twee weken postoperatief gegeven en als hij van mening was, dat de dislocatie, vooral de antecurvatie, hem geen aanleiding gaf om de fixateur opnieuw te plaatsen, dan had hij de patiënt moeten uitleggen wat de consequenties waren en wat de betrokkene te verwachten had. Als de omstandigheden zodanig zijn, dat een heroperatie niet mogelijk is, dan moet de patiënt erover geïnformeerd worden, dat de genezing van de osteotomie afgewacht wordt en dat later een secundaire ingreep bij de mogelijkheden hoort. Ik kan me dan ook niet voorstellen, dat de behandelaars de ontstane situatie na de dislocatie zonder verdere discussie geaccepteerd hebben. Naar mijn mening bestonden er geen contra-indicaties om de ontstane complicatie adequaat te behandelen om het beoogde resultaat alsnog te bereiken.”

g. In juli/augustus 2007 heeft [eiser] in Zwitserland een heroperatie ondergaan met goede resultaten.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat – hoofdelijke veroordeling van Rode Kruis c.s. tot betaling van EUR 144.181,03, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en proceskosten.

3.2. Rode Kruis Ziekenhuis c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag – zo begrijpt de rechtbank - dat [gedaagde 2], die als arts in dienst was bij Rode Kruis Ziekenhuis, bij de uitvoering van de met [eiser] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht. [eiser] verwijt Rode Kruis Ziekenhuis c.s. met name dat het been van [eiser] verkeerd behandeld is door een overcorrectie toe te passen. Daarnaast verwijt [eiser] Rode Kruis Ziekenhuis c.s. dat dit niet tijdig door hen is onderkend, althans niet tijdig met [eiser] is besproken. Immers, de overcorrectie was reeds in juni 2004 zichtbaar. Er had alsnog in overleg met [eiser] een nieuwe operatie kunnen worden uitgevoerd indien [eiser] dat zou hebben gewenst.

4.2. Rode Kruis Ziekenhuis c.s. hebben als primair verweer aangevoerd, dat er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Daartoe hebben zij gesteld, dat het ontstaan van de verschuivingen in het osteotomievlak niet verwijtbaar is, welke stelling wordt ondersteund door het rapport van [E]. Rode Kruis Ziekenhuis c.s. betwisten dan ook dat de initiële operatie op een wijze is uitgevoerd die te duiden is als een toerekenbare tekortkoming. Voorts betwisten Rode Kruis Ziekenhuis c.s. dat zij toerekenbaar tekort zijn geschoten door de complicatie niet eerder te corrigeren. De mening van [E], die dit in zijn deskundigenbericht tegenspreekt en concludeert dat er wel sprake is van een toerekenbare tekortkoming, mag, zo stellen Rode Kruis Ziekenhuis c.s., niet als de mening van een onafhankelijke deskundige worden gezien. Rode Kruis Ziekenhuis c.s. stellen daartegenover de mening van professor [F] en van dr. [B], die zich op het standpunt stellen – zakelijk weergegeven – dat er geen noodzaak bestond om de overcorrectie te herstellen.

4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Desgevraagd heeft Rode Kruis Ziekenhuis c.s. ter zitting de stelling dat [E] niet als onafhankelijke deskundige kan worden gezien laten varen. [E] schrijft in zijn deskundigenbericht van 20 juni 2007 – zakelijk weergegeven – dat [gedaagde 2] in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende professionele standaard door de consequenties van de na de operatie opgetreden complicatie – te weten: de dislocatie - niet direct na het constateren daarvan met [eiser] te bespreken. De rechtbank volgt de deskundige in dit oordeel en maakt het tot het hare. Dit brengt mee dat de rechtbank tevens de observaties en conclusies van [E] tot de hare maakt. Een en ander voert tot het oordeel dat de osteotomie weliswaar op de juiste wijze is uitgevoerd, maar dat [gedaagde 2] ten onrechte de consequenties van de naar aanleiding van de osteotomie opgetreden complicatie niet met [eiser] heeft besproken. Door dit na te laten heeft [gedaagde 2] bij de uitvoering van de met [eiser] gesloten behandelingsovereenkomst niet de zorgvuldigheid betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mag worden verwacht. [gedaagde 2] is daarom toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiser]. Uit de door Rode Kruis Ziekenhuis c.s. naar voren gebrachte uitlatingen van professor [F] en dr. [B] kan voorts niet worden afgeleid, dat zij een andere mening zijn toegedaan dan [E] ten aanzien van de noodzaak om de ontstane situatie met [eiser] te bespreken. Gelet op art. 7:462 BW is Rode Kruis Ziekenhuis voor deze tekortkoming mede aansprakelijk.

4.4. Rode Kruis Ziekenhuis c.s. hebben als subsidiair verweer aangevoerd, dat geen causaal verband bestaat tussen de tekortkoming en de schade van [eiser]. Daartoe stelt zij dat [eiser] ook zonder de tekortkoming een tweede operatie had laten verrichten alhoewel daartoe geen absolute indicatie bestond.

4.5. De rechtbank oordeelt als volgt. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [eiser] verklaard dat een overcorrectie onaanvaardbaar was. Uit het deskundigenbericht van [E] blijkt dat voor herstel van de overcorrectie een heroperatie noodzakelijk was. Dat betekent dat [eiser] deze kosten ook had moeten maken als de consequenties van de overcorrectie wel tijdig met hem waren besproken door [gedaagde 2]. In het licht van de gemotiveerde betwisting door Rode Kruis Ziekenhuis c.s. heeft [eiser] onvoldoende gesteld om een causaal verband aan te kunnen nemen tussen de onder rechtsoverweging 4.3 bedoelde tekortkoming en de schade die verband houdt met de heroperatie.

4.6. De gestelde schade die verband houdt met het uitvoeren van de tweede operatie komt, nu het vereiste causale verband met de tekortkoming ontbreekt, niet voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft de kosten van de operatie in Zwitserland, de daaraan verbonden reis- en overige kosten en de kosten van begeleiding door de echtgenote van [eiser] bij de terugreis na de operatie. Ook voor de gestelde inkomstenderving geldt dat deze geen causaal verband heeft met de tekortkoming. Genoemde kosten zou [eiser] immers ook hebben gemaakt als er geen sprake was geweest van een toerekenbare tekortkoming.

4.7. Wel neemt de rechtbank causaal verband aan tussen de tekortkoming en het gedeelte van de gestelde schade, dat betrekking heeft op onnodig uitstel van de heroperatie. Indien [eiser] eerder was gewezen op de overcorrectie had hij de heroperatie eerder kunnen laten uitvoeren. De schade van [eiser] die met deze tekortkoming in verband staat, komt in beginsel voor vergoeding in aanmerking.

4.8. [eiser] heeft vergoeding gevorderd van de kosten die hij heeft gemaakt om meerdere second opinions te verkrijgen. Rode Kruis Ziekenhuis c.s. hebben betwist dat deze kosten noodzakelijk waren omdat er een second opinion van dr. [B] beschikbaar was. Voorts stellen Rode Kruis Ziekenhuis c.s. dat de kosten onnodig hoog en onvoldoende onderbouwd zijn.

4.9. De rechtbank is van oordeel dat, nu de second opinion van dr. [B] niet geheel eenduidig was, het op zichzelf niet onredelijk is dat [eiser] een aanvullende deskundige mening heeft gezocht. Dat hij daartoe dr. [C] in Miami heeft aangezocht is, gezien het feit dat [eiser] in die periode op Curaçao woonachtig was, begrijpelijk. Nu [eiser] echter heeft nagelaten om schriftelijke bescheiden over te leggen ter onderbouwing van deze kosten, dient de vordering op dit punt te worden als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen.

4.10. De kosten in verband met het bezoek aan dr. [D] in Houston komen evenmin voor vergoeding in aanmerking. Naar het oordeel van de rechtbank had [eiser] zich na het bezoek aan Miami voldoende voorgelicht moeten achten. Door het bezoek aan Houston voor een aanvullende second opinion heeft [eiser] niet meer aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan. Deze kosten dienen om die reden voor rekening van [eiser] te blijven.

4.11. [eiser] heeft een vergoeding voor geleden immateriële schade gevorderd van EUR 40.000,00, te verhogen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. Hij legt hieraan ten grondslag dat hij zijn hobby’s niet heeft kunnen uitoefenen, slecht liep en aangepast schoeisel droeg. Verder was er sprake van een constant zeurende pijn, kon [eiser] zijn been niet strekken en had hij geen goede nachtrust. Rode Kruis Ziekenhuis c.s. hebben zich verweerd door te verwijzen naar de Smartengeldgids en zijn op grond daarvan van mening dat een smartengeldvergoeding van EUR 2.250,00 redelijk is.

4.12. Rode Kruis Ziekenhuis c.s. hebben niet betwist dat er plaats is voor een immateriële schadevergoeding, zij het dat deze naar haar mening lager dan gevorderd dient te zijn. Ook de rechtbank neemt tot uitgangspunt dat bij [eiser] als gevolg van de tekortkoming sprake is geweest van gederfde levensvreugde zodat een vergoeding hiervoor op zijn plaats is. Gelet op de aard en duur van het letsel en voor de hoogte van het bedrag aansluiting zoekend bij vergelijkbare gevallen komt een bedrag van EUR 5.000,00 de rechtbank billijk voor.

4.13. De vordering tot vergoeding van kosten voor rechtskundige bijstand zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet gesteld dat er werkzaamheden zijn verricht die niet strekken ter instructie van de zaak. Daarmee heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd gesteld dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.14. Gelet op het voorgaande zal een bedrag van EUR 5.000,- worden toegewezen. Ook de gevorderde rente zal – nu deze niet is weersproken - vanaf de dag van dagvaarding worden toegewezen.

4.15. Rode Kruis Ziekenhuis c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten betreffende het deskundigenbericht van [E] worden op grond van art. 6:96 lid 2 BW toegewezen voor zover daarvan bewijsstukken zijn overgelegd (te weten een bedrag van EUR 3.750,-). De kosten aan de zijde van [eiser] worden op basis van het toegewezen bedrag begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- vast recht 3.170,00

- kosten deskundige 3.750,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 7.909,44

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Rode Kruis c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 5.000,00 (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 6 oktober 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Rode Kruis c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 7.909,44,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter, mr. I.A.M. Tel en mr. J.E. van Praag en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2009.?