Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI8570

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
08/3281
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkstelling. Eiser verkeerde niet in een situatie van betalingsonmacht nu hij recht had op teruggaven omzetbelasting.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990
Invorderingswet 1990 36
Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990
Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/43.23 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1310
JOR 2009/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3281

Uitspraakdatum: 15 juni 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiser bij beschikking van 13 november 2007 aansprakelijk gesteld voor niet betaalde aanslagen loonheffingen tot een bedrag van € 128.676.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 maart 2008 de aansprakelijkstelling van eiser gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 6 april 2008, ontvangen bij de rechtbank op 8 april 2008, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

1.5. Bij brief van 15 oktober 2008, ontvangen bij de rechtbank op 28 oktober 2008, heeft eiser de gronden van zijn beroepschrift ingediend. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 4 november 2008. De door verweerder ingediende nadere stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

1.6. De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft de zaak op de zitting van 14 november 2008 verwezen naar de meervoudige kamer.

1.7. Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 18 mei 2009. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen A. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting bij brief van 4 mei 2009 een nader stuk toegezonden naar de rechtbank, waarvan een afschrift naar verweerder is gestuurd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser was bestuurder van B B.V. (hierna: de vennootschap). Tussen partijen staat vast dat de vennootschap over de periode januari tot en met juni 2006 loonheffingen verschuldigd is, doch dat aan de vennootschap – door een systeemfout – geen naheffingsaanslagen zijn opgelegd.

2.2. Tot de stukken van het geding behoort een brief van eiser aan verweerder, op briefpapier van B B.V., met – voor zover relevant – de volgende tekst:

“(…) Melding betalingsonmacht 14 August 2006

Aansluitnummer 000000000; B B.V.

Geachte mevrouw/heer,

Middels dit schrijven deel ik u mede dat B B.V. thans niet in staat is de uit hoofde van haar werknemers verschuldigde bedragen aan de belastingdienst te kunnen voldoen.

Met betrekking tot de omzetbelasting hebben wij op 11 augustus jl. een beschikking ontvangen met aanslagnummer 00.00.000.O.00.0000, waarop een teruggaaf van EUR 17.311 is opgenomen. Ik stel voor deze teruggaaf te verrekenen met het openstaande bedrag uit hoofde van de loonbelasting. (…)”

2.3. Bij brief van 12 september 2006 heeft verweerder de melding van betalingsonmacht niet rechtsgeldig verklaard omdat naar de mening van verweerder de melding niet gedaan is binnen twee weken na de dag waarop de belasting moest worden afgedragen of zijn voldaan.

2.4. De vennootschap is failliet gegaan op 22 september 2006.

2.5. Verweerder heeft eiser bij beschikking aansprakelijkstelling met dagtekening 11 juni 2007 aansprakelijk gesteld voor door de vennootschap niet betaalde omzetbelasting over de maand augustus 2006 ten bedrage van € 4.797 alsmede voor de door de vennootschap niet betaalde loonbelasting over de periode januari tot en met juni 2006 ten bedrage van

€ 132.604.

2.6. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder in zijn uitspraak op bezwaar met dagtekening 24 september 2007 onder meer het volgende vermeld:

“(…) In uw brief van 14 augustus 2006 heeft u melding van betalingsonmacht gedaan. In dit schrijven deelt u mee, dat B B.V. niet in staat is, de uit hoofde van haar werknemers verschuldigde bedragen aan de belastingdienst te voldoen.

Gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, is deze melding van betalingsonmacht voor de tijdvakken loonheffing januari 2006 tot en met juni 2006 door de ontvanger, in zijn beschikking van 12 september 2006 terecht als niet rechtsgeldig aangemerkt.

Concluderend moet worden gesteld dat u niet heeft aangetoond, dat het niet rechtsgeldig melden van de betalingsonmacht niet aan u is te wijten. U komt derhalve niet toe aan het weerleggen van het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Ten aanzien van het tijdvak omzetbelasting augustus 2006 dient de melding als tijdig en rechtsgeldig te worden beoordeeld.

Beslissing op het bezwaar

De aansprakelijkstelling voor het tijdvak omzetbelasting augustus 2006 dient te vervallen. De aansprakelijkstelling voor de tijdvakken loonheffing januari 2006 tot en met juni 2006 blijft in stand. Het bedrag van de aansprakelijkstelling wordt nader vastgesteld op € 132.604 (…)”

2.7. Verweerder heeft bij brief van 25 oktober 2007 met als onderwerp ‘uitspraak op bezwaar’ de aansprakelijkstelling met dagtekening van 11 juni 2007 alsnog ingetrokken:

“(…) Naar aanleiding van uw brief van 22 oktober 2007, waarin u verzoekt om een duplicaataanslag loonheffing voor aanslagnummer 0000000A000000 te verstrekken, heb ik nader onderzoek verricht naar de tijdvakken die hierop betrekking hadden. Naar mij nu is gebleken betrof het hierbij de tijdvakken juli, augustus en september 2007.

Voor deze tijdvakken behoefde, u in verband met het op 22 september 2006 uitgesproken faillissement, geen melding van betalingsonmacht aan de ontvanger toe te zenden.

De aansprakelijkstelling met dagtekening 11 juni 2007 is mitsdien ten onrechte uitgebracht.(…)”

2.8. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 13 november 2007 eiser aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde loonheffingen van de vennootschap voor een bedrag van € 128.676. Blijkens de bijlage bij deze aansprakelijkstelling heeft de aansprakelijkstelling betrekking op de naheffingsaanslag met nummer 00.00.000.A00.0000. Tot de stukken van het geding behoort een duplicaat van de naheffingsaanslag. Tussen partijen is het bedrag van de door de vennootschap verschuldigde loonheffing van € 128.676 niet in geschil. Evenmin is in geschil dat de vennootschap aangiften loonheffing heeft gedaan, en dat het bedrag van € 128.676 voortvloeit uit deze aangiften.

2.9. Tot de stukken van het geding behoort een voorlopige balans met dagtekening 18 mei 2006 van de vennootschap, waarin de vennootschap op 31 december 2005 een bedrag te ontvangen omzetbelasting van € 98.871 heeft verantwoord, en op 31 maart 2006 een bedrag te ontvangen omzetbelasting van € 73.038 heeft verantwoord.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of eiser terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslag loonheffingen van de vennootschap. Eiser stelt niet gehouden te zijn geweest om als bestuurder van de vennootschap betalingsonmacht te melden, aangezien de vennootschap in de periode januari tot en met juni 2006 steeds recht heeft gehad op teruggaaf van omzetbelasting en deze teruggaaf de te betalen loonheffingen overtrof. Aangezien eiser noch de teruggaven omzetbelasting noch naheffingsaanslagen loonheffingen ontving, mocht hij ervan uitgaan dat de aanslagen als bedoeld in artikel 24 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) verrekend zouden worden.

3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 7, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (hierna: Uitvoeringsbesluit IW) (tekst 2006) luidt, voor zover relevant, als volgt:

“1. De mededeling, bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de wet, wordt gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop ingevolge artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan.

2. In geval van betalingsonmacht ter zake van een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, kan, voor zover die omstandigheid niet is te wijten aan opzet of grove schuld van het lichaam, in afwijking van het eerste lid, de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van die aanslag.

(…)”

4.2. Artikel 24 van de IW 1990 (tekst 2006) luidt, voor zover relevant, als volgt:

“(…)

2. De ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van de in het eerste lid bedoelde rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen met elkaar te verrekenen.

(…)

Op verzoek van de belastingschuldige is de ontvanger verplicht te verrekenen. Als tijdstip van verrekening geldt de dagtekening van het aanslagbiljet waaruit van het uit te betalen bedrag blijkt. In afwijking van de vorige volzin geldt met betrekking tot een verrekening van een termijn van een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9, zesde en zevende lid, als tijdstip van verrekening het tijdstip waarop de desbetreffende termijn vervalt.

4.3. Verweerder meent dat eiser ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit IW een melding betalingsonmacht had moeten doen, steeds twee weken na ommekomst van de betalingstermijn voor de op aangifte verschuldigde loonheffingen in de periode januari 2006 tot en met juni 2006. Indien geen melding van betalingsonmacht is gedaan, bepaalt artikel 36, vierde lid, IW 1990 dat wordt vermoed dat de niet-betaling van de aanslag aan de bestuurder is te wijten, en dat tot de weerlegging van dat vermoeden slechts wordt toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat de melding niet heeft plaatsgevonden.

4.4. Aangaande de periode januari 2006 tot en met mei 2006 staat vast dat geen melding betalingsonmacht is gedaan. Voor de periode juni 2006 is in geschil of de onder 2.2. aangehaalde brief van eiser met dagtekening 14 augustus 2006 gezien zijn inhoud kan worden aangemerkt als een melding van betalingsonmacht, nu de brief wel binnen de daartoe gestelde termijn van twee weken na ommekomst van de betalingstermijn is verstuurd.

4.5. Eisers verklaring dat hij in de periode waarover hij aansprakelijk is gesteld steeds recht heeft gehad op teruggaven omzetbelasting, is door verweerder – desgevraagd door de rechtbank – niet weersproken. De rechtbank heeft gezien de door eiser onder 2.9. genoemde balans geen reden om aan het recht op teruggaven omzetbelasting te twijfelen. Derhalve staat vast dat eiser in de in geschil zijnde periode recht had op teruggaaf van omzetbelasting.

4.6. Voorts heeft eiser verklaard er van uit te zijn gegaan dat de belastingdienst de teruggaven omzetbelasting van de vennootschap op de voet van artikel 24 IW 1990 zou verrekenen met de openstaande schulden loonheffingen van de vennootschap. De vennootschap ontving immers in de in geschil zijnde periode geen (naheffings)aanslagen loonheffingen noch teruggaven omzetbelasting. Verweerder heeft deze gang van zaken bevestigd, en verklaard dat naheffingsaanslagen loonheffingen in de in geding zijnde periode handmatig dienden te worden gemaakt door toedoen van een computerstoring, zodat de vennootschap hierdoor gedurende de in geding zijnde periode geen (naheffings)aanslagen loonheffingen heeft ontvangen.

4.7. In het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 1994, nr. 28 997, BNB 1995/201, is verwoord dat het wettelijke systeem meebrengt dat de ondernemer in principe slechts de keuze heeft tussen tijdig betalen of melden dat hij niet tot betalen in staat is. De ondernemer in de zaak die tot genoemd arrest leidde, diende ongeacht zijn stelling dat de betalingsmoeilijkheden van tijdelijke aard waren en dat hij in redelijkheid de verwachting had dat hij aan zijn verplichtingen zal kunnen voldoen, toch de betalingsonmacht te melden. Op deze door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel zijn evenwel uitzonderingen denkbaar; de rechtbank verwijst in dit kader onder meer naar het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden van 1 november 2000, nr. 9700120, VN 2001/6.31.

4.8. Eiser heeft aangegeven om andere redenen dan betalingsonmacht niet aan zijn betalingsverplichting te hebben voldaan, zodat hij geen melding van betalingsonmacht behoefde te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee in de situatie van eiser sprake van een hiervoor bedoelde uitzondering; eiser mocht menen door het recht op teruggaven omzetbelasting niet in een situatie van betalingsonmacht te verkeren tegenover de belastingdienst. Zodoende behoefde eiser in de gegeven omstandigheden geen melding betalingsonmacht te doen en heeft eiser aannemelijk gemaakt dat het niet aan hem te wijten is dat de melding niet heeft plaatsgevonden. Er geldt derhalve geen vermoeden dat de niet-betaling van de aanslag aan eiser is te wijten. Dit oordeel geldt de gehele periode van januari tot en met juni 2006 zodat de vraag of de brief met dagtekening 14 augustus 2006 gezien zijn inhoud kan worden aangemerkt als een melding van betalingsonmacht, geen bespreking meer behoeft.

4.9. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen rust op verweerder de bewijslast aannemelijk te maken dat de niet-betaling van de loonbelasting over de periode januari tot en met juni 2006 aan eiser is te wijten. Eiser heeft verklaard dat door Europese wetswijzigingen op het gebied van telecommunicatie de diensten van de vennootschap onverwacht overbodig werden, waardoor de financiers van de vennootschap zich terugtrokken. Verweerder heeft met zijn enkele verklaring hiertegenover dat de loonheffingen niet zijn voldaan onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de niet-betaling van deze loonheffingen aan eiser is te wijten.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding tot veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Echter, nu eiser zich niet heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde, vindt de rechtbank met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht slechts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte reiskosten in verband met de zittingen van 14 november 2008 en 18 mei 2009. Op basis van openbaar vervoer tweede klasse betreft dit een bedrag van € 38, tot betaling waarvan verweerder veroordeeld zal worden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking aansprakelijkstelling van 13 november 2007;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser ten bedrage van € 38 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2009 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, voorzitter, en mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A. van Dongen in tegenwoordigheid van mr. W. Kuik, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.