Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI7157

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
15/740536-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oplichting bank; criminele organisatie; Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten, onder wie een medewerker van de Postbank, schuldig gemaakt aan oplichting van de Postbank. Hierbij is op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van de gegevens van een niets vermoedende rekeninghouder Daarnaast heeft verdachte deel uitgemaakt van een criminele organisatie, die zich met name richtte op bancaire fraude. Zo werden er valselijk bancaire produkten aangevraagd, die er toe moesten leiden dat geld van onwetende rekeninghouders kon worden overgemaakt of opgenomen. Een dergelijk handelen, schaadt het vertrouwen van de consument in het betalingsverkeer en in banken in het algemeen en in het bijzonder de Postbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740536-08

Uitspraakdatum: 9 april 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is na aanpassing van de dagvaarding (ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering) tenlastegelegd dat:

Feit 1 (zaaksdossier 9 / oplichting Postbank mbt rekeninghouder [slachtoffer 1])

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 maart 2008 tot en met 15 mei 2008 te Leeuwarden en/of te Amsterdam en/of te Purmerend, in ieder geval (telkens) in Nederland,(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (telkens) de Postbank NV heeft bewogen tot de afgifte van (telkens) (onder meer):

A) een brief, waarin een of meer gegevens, zoals een (voorlopige) toegangscode voor de Girofoon voor rekeninghouder [slachtoffer 1] en/of

B) een brief, waarin een of meer gegevens met betrekking tot (de toepassing van) het product "MijnPostbank.nl" en/of

C) een nieuwe/vervangende pincode (van giropas [nummer]), [(telkens) zijnde (een) code(s) en/of (een) (postbank)product(en) ten behoeve van een ten name van [slachtoffer 1] gestelde girorekening voorzien van het nummer [nummer]] in elk geval (telkens) van enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - (telkens) valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) (onder meer):

[mbt A en/of B en/of C:]

zich naar de Postbank NV voorgedaan als [slachtoffer 1], zijnde de rechtmatige rekeninghouder van girorekeningnumer [nummer] bij de Postbank NV en/of ten aanzien van voornoemd girorekeningnummer:

[in die (valse) hoedanigheid] (telefonisch en/of per Girofoon)

[mbt A:] meermalen, althans eenmaal

- een aanvraag gedaan voor de Girofoon [waarmee voornoemde (voorlopige) toegangscode(s) voor de Girofoon verkregen zou worden en/of middels welke code een persoonlijke girofooncode ingevoerd kon worden] en/of

- voornoemde verkregen toegangscode(s) gewijzigd in (een) persoonlijke girofooncode(s) [waarmee (vervolgens) (onder meer) telefonisch toegang verkregen kon worden tot informatie betreffende saldo en/of (laatste) bij- en afschrijvingen] en/of

- (voornoemde) informatie betreffende saldo en/of (laatste) bij- en afschrijvingen opgevraagd en/of gecontroleerd en/of geraadpleegd en/of

[mbt B:]

- een aanvraag gedaan voor het product "MijnPostbank.nl" [waarmee via het internet (onder meer) betalingen verricht konden worden] en/of waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) heeft/hebben aangegeven de (voor het doen van een of meer betalingen benodigde) TAN-code(s) (telkens) per SMS van de Postbank te willen ontvangen en/of

[mbt C:]

- een nieuwe/vervangende pincode voor de bijbehorende giropas aangevraagd, waardoor de Postbank NV (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

Feit 2 (zaaksdossier 2 / diefstal uit brievenbus [adres])

Hij op of omstreeks 01 april 2008, althans op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 27 maart 2008 tot en met 01 april 2008 te Purmerend tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een brievenbus (behorend bij / van het adres [adres]) heeft weggenomen een ten name van [slachtoffer 2] gestelde giropas (voorzien van het nummer [nummer]) van de Postbank NV, althans een of meer poststukken afkomstig van de Postbank NV, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of de Postbank NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

Feit 3 (zaakdossier 3 / criminele organisatie)

Hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2008 tot en met 3 juni 2008 te Almere en/of Amsterdam en/of Purmerend, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het (tezamen en in vereniging) plegen van misdrijven, namelijk (onder meer) - oplichting (van de Postbank NV en/of postbankrekeninghouders) (artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en/of - (gekwalificeerde) diefstal (artikel 310/311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- schending van bedrijfsgeheim (artikel 273 Wetboek van Strafrecht) en/of

- valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en/of

- witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwerpen opgenomen onder de nummers 3, 5, 11 en 12 op de beslaglijst verbeurd worden verklaard. Ten aanzien van de overige voorwerpen, opgenomen op de beslaglijst, heeft de officier van justitie gevorderd dat deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], heeft de officier gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4. Oordeel van de rechtbank

4.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal op 1 april 2008 van een poststuk afkomstig van de Postbank uit de brievenbus van [slachtoffer 2] aan de [adres]

Door een observatieteam is weliswaar waargenomen dat verdachte zich in zijn auto heeft opgehouden in de nabijheid van de [adres] op 1 april 2008 en dat een passagier van verdachte bij de brievenbus is geweest van bedoeld adres. Door het observatieteam is echter niet waargenomen dat op dat moment daadwerkelijk post is ontvreemd. Het enkele feit dat dezelfde dag met behulp van per post toegezonden pincode/bankpasje is gepoogd te pinnen en er dus daadwerkelijk op enig moment post ontvreemd moet zijn, maakt dit niet anders.

Ook het gegeven dat later – in de maand mei 2008 diverse malen – met een in de woning van verdachte aangetroffen simkaart illegaal is ingebeld op de girofoon van [slachtoffer 2], kan niet tot de conclusie leiden dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal op 1 april 2008. De gegevens benodigd voor het inbellen in de maand mei waren immers andere dan de op 1 april ontvreemde gegevens, nu op 1 april 2008 de bankpas bij een illegale pinpoging is ingeslikt door de pinautomaat.

4. 2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1 (zaaksdossier 9 / oplichting Postbank mbt rekeninghouder [slachtoffer 1])

Hij op tijdstippen in de periode van 21 maart 2008 tot en met 15 mei 2008 te Amsterdam en/of te Purmerend, in ieder geval telkens in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen en met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen de Postbank NV heeft bewogen tot de afgifte van onder meer:

A) een brief, waarin gegevens, zoals een voorlopige toegangscode voor de Girofoon voor rekeninghouder [slachtoffer 1] en

B) een brief, waarin gegevens met betrekking tot (de toepassing van) het product "MijnPostbank.nl" en

C) een nieuwe/vervangende pincode (van giropas [nummer]), zijnde een postbankproducten ten behoeve van een ten name van [slachtoffer 1] gestelde girorekening voorzien van het nummer [nummer]

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid telkens onder meer:

[mbt A en/of B en/of C:]

zich naar de Postbank NV voorgedaan als [slachtoffer 1], zijnde de rechtmatige rekeninghouder van girorekeningnumer [nummer] bij de Postbank NV en ten aanzien van voornoemd girorekeningnummer:

in die valse hoedanigheid telefonisch of per Girofoon

[mbt A:]

- een aanvraag gedaan voor de Girofoon waarmee voornoemde voorlopige toegangscode voor de Girofoon verkregen zou worden en middels welke code een persoonlijke girofooncode ingevoerd kon worden en/of

- voornoemde verkregen toegangscodes gewijzigd in een persoonlijke girofooncode waarmee vervolgens onder meer telefonisch toegang verkregen kon worden tot informatie betreffende saldo en/of laatste bij- en afschrijvingen en

- voornoemde informatie betreffende saldo en/of laatste bij- en afschrijvingen geraadpleegd en

[mbt B:]

- een aanvraag gedaan voor het product "MijnPostbank.nl" waarmee via het internet onder meer betalingen verricht konden worden en waarbij verdachte, en/of zijn mededaders heeft/hebben aangegeven voor het doen van een of meer betalingen benodigde TAN-codes per SMS van de Postbank te willen ontvangen en

[mbt C:]

- een nieuwe/vervangende pincode voor de bijbehorende giropas aangevraagd,

waardoor de Postbank NV telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgiften;

Feit 3 (zaakdossier 3 / criminele organisatie)

Hij in de periode van 20 maart 2008 tot en met 3 juni 2008 te Almere en Amsterdam en Purmerend, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit onder meer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en/of een of meer andere onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk onder meer - oplichting van de Postbank NV en postbankrekeninghouders en - gekwalificeerde diefstal en

- schending van bedrijfsgeheim en

- valsheid in geschrift.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder de feiten 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.3 Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

Op 27 mei 2008 is door [aangever], namens de Postbank aangifte gedaan van het feit dat vanaf mei 2007 tientallen rekeninghouders van de Postbank op grote schaal werden geconfronteerd met misbruik van diverse valselijk aangevraagde bancaire (betaal-) producten, waaronder de Girofoon. Op 1 augustus 2008 heeft [aangever], namens de Postbank een aanvullende aangifte gedaan waarin hij aangeeft dat rekeninghouder [slachtoffer 1], wonende te Purmerend, hiervan slachtoffer is geworden. Uit een onderzoek is gebleken dat een Callcentermedewerker, [medeverdachte 2], werkzaam bij de Postbank, rekeningnummers van cliënten van de Postbank heeft geraadpleegd, en dat later in relatie tot deze rekeningnummers valse aanvragen voor bancaire(betaal-) produkten werden aangevraagd. [medeverdachte 2] heeft de girorekening op naam van [slachtoffer 1] op 20 maart 2008 geraadpleegd. Naar aanleiding van een telefonisch bij de Postbank ingediend verzoek, werd de Girofoon in relatie tot de girorekening op naam van [slachtoffer 1] voornoemd op/omstreeks 21 maart 2008 verstrekt. Op 1 april 2008 werd de door de Postbank verstrekte toegangscode gewijzigd in een persoonlijke toegangscode. Ook werd op 21 maart 2008 in relatie tot de girorekening op naam van [slachtoffer 1] bij de Postbank de toepassing voor Mijn Postbank.nl aangevraagd en verstrekt. Tenslotte werd op of omstreeks 26 maart 2008 voor de giropas [nummer], behorende bij de girorekening op naam van [slachtoffer 1], telefonisch een nieuwe/vervangende pincode aangevraagd. Uit onderzoek is gebleken dat alle op naam van rekeninghouder [slachtoffer 1] gedane aanvragen, niet door de heer [slachtoffer 1] bij de Postbank waren ingediend en dat deze aanvragen zonder toestemming en medeweten van betrokkene hebben plaatsgevonden. Met het telefoonnummer [telefoonnummer] is meerdere keren gebeld naar de Girofoon met betrekking tot de rekening van [slachtoffer 1]. Bij een doorzoeking op 10 juni 2008 in de woning van verdachte [verdachte] aan de [adres] werd een SIM-kaart aangetroffen met het IMEI nummer [nummer] behorende bij het telefoonnummer [telefoonnummer]. . Ook werden bij dezelfde doorzoeking in de woning van verdachte drie computers aangetroffen en in beslag genomen. De computer E.3.6.0.22.A werd onderzocht en er werd een stukje tekst aangetroffen waarin dhr. [slachtoffer 1] wordt bedankt voor het invullen van de verhuisservice van TNT Post. Er is gekozen voor 1 maand doorzenden van de post. Het oude adres is [adres]. Het nieuwe adres is de [adres]. Op computer E.2.7.6.16 blijkt voorts de volgende informatie voor te komen: Dhr. [slachtoffer 1], [adres], GIRO [nummer], [geboortedatum] PAS-[nummer], TOT -03-2011. Tevens werd op deze computer een afbeelding aangetroffen van een handtekening cq van een handtekeningkaart. Ook werden op deze computers diverse namen en adressen aangetroffen van andere personen die slachtoffer zijn geworden van bankfraude of bij wie dat gepoogd is, zoals [naam] en [naam].

In verdachtes broekzak werd bij diens aanhouding een briefje gevonden waarop onder meer de naam [slachtoffer 1] en diens burgerservicenummer voorkwam.

Ter terechtzitting heeft verdachte geen andere verklaring voor al deze aanwijzingen dat hij betrokken is bij bancaire fraude gegeven, dan dat een vriend die hij slechts kent onder de naam “[naam]” wel eens bij hem thuis komt en ook gebruik van zijn computers maakt en zijn telefoon bij hem, verdachte, heeft achtergelaten. Het briefje heeft hij in zijn auto gevonden en in zijn broekzak gestopt, hij zegt het niet geschreven en nooit gebruikt te hebben.

Dit laatste is overigens in tegenspraak met hetgeen door de politie is gezien. Bij een observatie in een belhuis wordt gezien dat verdachte, terwijl hij gebruik maakt van het internet, een soortgelijk briefje, op gelijke wijze gevouwen, voor zich heeft. Ter terechtzitting heeft verdachte op vragen van de rechtbank voorts niet duidelijk aangegeven waar “[naam]” te bereiken zou zijn.

Dat verdachte in verregaande mate betrokken is bij een organisatie die zich bezig heeft gehouden met bancaire fraude en alle handelingen die daarmee gepaard gaan, blijkt naast het hiervoor staande naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende.

In de personenauto van verdachte van het merk Rover, kleur blauw met kenteken [kenteken] op 10 juni 2008 is bij een doorzoeking onder meer een ring met drie sleutels aangetroffen en in beslag genomen. Een van de sleutels, merk Nemef, bleek na onderzoek te passen op het slot van de centrale toegangsdeur die toegang geeft tot de centrale hal van meerdere flats aan onder meer de [adres] (adres waar de post van [slachtoffer 1] naar doorgestuurd werd) en de [adres] (het adres van [slachtoffer 1]). Als eenmaal toegang tot de centrale hal van een flatgebouw is verkregen kan men bij de brievenbussen komen. Met de twee andere sleutels konden meerdere brievenbussen, in vier verschillende flats, aan de [adres], worden geopend.

Verdachte droeg bij zijn aanhouding op 10 juni 2008 een korte broek waarin op het politiebureau in één van de broekzakken twee handgeschreven briefjes werden aangetroffen. Op de twee briefjes stond een groot aantal namen, adressen, rekeningnummers en straatnamen genoteerd waaronder ook gegevens van [slachtoffer 1]. . Deze gegevens kunnen worden gebruikt voor bancaire fraude en zijn naar het oordeel van de rechtbank gelet op de omstandigheden waaronder ze eerder zijn gezien ook daarvoor bestemd geweest.

De rol en betrokkenheid van verdachte binnen de criminele organisatie blijkt voorts uit verschillende afgeluisterde telefoongesprekken. In de gesprekken tussen de verdachten wordt er gesproken over persoonlijke gegevens van cliënten bij de Postbank. Er wordt onder andere gesproken over “handjes” en de rechtbank is van oordeel dat hiermee handtekeningenkaarten van rekeninghouders van de Postbank worden bedoeld. Foto’s van handtekeningenkaarten zijn aangetroffen op een geheugenkaartje dat is gevonden in de gezamenlijke woning van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Tevens wordt in meerdere gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] gesproken over het overzetten van informatie op een telefoon en dat dit betrekking heeft op een “hand”. De rechtbank gaat hierbij er vanuit dat gesproken wordt over het overzetten van foto’s van handtekeningen van de ene telefoon naar de andere telefoon. De rechtbank merkt op dat foto’s op mobiele telefoons veelal opgeslagen worden op een micro SD kaart, soortgelijk aan de kaart die is aangetroffen bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Een en ander duidt naar het oordeel van de rechtbank op het oogmerk om valsheid in geschrift te plegen.

Dat [medeverdachte 1] en verdachte met elkaar communiceren over de fraude blijkt uit het volgende.

Verbalisanten hebben bij een doorzoeking in de woning en de auto van verdachte [verdachte] meerdere telefoons en SIM-kaarten aangetroffen en in beslaggenomen. Er werd onder andere een simkaart aangetroffen met het telefoonnummer [telefoonnummer]. Deze SIM-kaart heeft in de SAMSUNG SGH-D600 en in de LG KG800 gezeten, die ook beide in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Hierop hebben verbalisanten de stemmen van de gebruikers van de lijnen [nummer], [nummer] en [nummer] met elkaar vergeleken en hebben vastgesteld dat deze lijnen op die momenten in gebruik waren bij een en dezelfde Engels sprekende man. Deze telefoonlijnen zijn door deze gebruiker gebruikt om daarmee naar medeverdachte [medeverdachte 1] te bellen. Het valt daarbij op dat [medeverdachte 1] alleen met [verdachte] Engels spreekt. Daar komt nog bij dat in de bij verdachte in beslaggenomen SAMSUNG SGH-D600 en de LG KG800 mobiele telefoonnummers staan opgeslagen die ook in de printlijsten van de lijnen met de nummers [nummer], [nummer] en [nummer], voorkomen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de bedoelde lijnen alle in gebruik waren bij verdachte.

Uit de afgeluisterde gesprekken blijkt dat gironummers worden doorgegeven van [verdachte] aan [medeverdachte 1] en vervolgens aan [medeverdachte 2].

Uit informatie van de Postbank blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 2] op dezelfde dag, ongeveer een half uur na het doorgeven aan haar van de rekeningnummers door medeverdachte [medeverdachte 1], de eerste drie doorgegeven rekeningnummers heeft geraadpleegd in de computer op haar werk. Deze persoonlijke gegevens worden door medeverdachte [medeverdachte 2] vervolgens weer teruggekoppeld aan haar vriend en medeverdachte [medeverdachte 1],die op zijn beurt de verkregen informatie gebruikt om samen met verdachte [verdachte] en/of medeverdachte [medeverdachte 3] post te hengelen of frauduleuze handelingen te verrichten.

Waar de raadsman namens verdachte nog heeft aangevoerd dat verdachte niet betrokken geweest kan zijn bij de tenlastegelegde feiten omdat hij blijkens stempels in zijn paspoort van 4 april tot 4 mei 2008 in Engeland heeft verbleven, verwerpt de rechtbank dit betoog. Het moge zo zijn dat genoemde stempels in het paspoort van verdachte staan, daarmee staat niet onomstotelijk vast dat verdachte in de tussentijd niet toch in Nederland is geweest.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

- Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

- Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties en van overige beslissingen

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten, onder wie een medewerker van de Postbank, schuldig gemaakt aan oplichting van de Postbank. Hierbij is op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van de gegevens van een niets vermoedende rekeninghouder Daarnaast heeft verdachte deel uitgemaakt van een criminele organisatie, die zich met name richtte op bancaire fraude. Zo werden er valselijk bancaire produkten aangevraagd, die er toe moesten leiden dat geld van onwetende rekeninghouders kon worden overgemaakt of opgenomen. Een dergelijk handelen, schaadt het vertrouwen van de consument in het betalingsverkeer en in banken in het algemeen en in het bijzonder de Postbank.

Dit soort praktijken vormen een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich enkel laten leiden door financieel gewin en zich niets gelegen laten liggen aan de grote financiële en emotionele gevolgen voor de gedupeerden.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de proceshouding van verdachte. Verdachte heeft er voor gekozen om geen openheid van zaken te geven.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat verdachte in het verleden twee keer eerder is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van 1 jaar en 3 jaar, ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank komt tot de conclusie dat ondanks deze eerdere veroordelingen verdachte volhardt in het plegen van strafbare feiten van gelijke aard. Dit is de reden dat de rechtbank van oordeel is dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de zaak en de persoon van verdachte.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een aanzienlijk langere vrijheidsbenemende straf op zijn plaats is dan die door de officier van justitie is gevorderd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij], heeft een vordering tot schadevergoeding van € 237.902,38 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de tenlastegelegde feiten zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de schade zonder een nadere gespecificeerde toelichting niet eenvoudig is vast te stellen, zodat de benadeelde partij in de vordering niet zal kunnen worden ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade zonder nadere gespecificeerde toelichting niet eenvoudig is vast te stellen, zodat de benadeelde partij voor deze schade in de vordering niet zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de verwijzing naar het door de Postbank overgelegde overzicht zoals dit op pagina 81 van het dossier is opgenomen onvoldoende is aangezien dit overzicht ook rekeningen bevat die geen deel uitmaken van de tenlastelegging.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de voorwerpen onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven, te weten de Nokia telefoon, de zilverkleurige laptop van het merk Acer, de computerkast en de € 1208,43, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid dan wel, ten aanzien van het geld, door middel van de bewezenverklaarde feiten zijn verkregen, nu verdachte geen aantoonbare legale middelen van bestaan heeft.

Onttrekking aan het verkeer (36c)

De rechtbank is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan en zijn voorbereid. Het ongecontroleerde bezit van voormelde, inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van strafrecht: artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 140, 326

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vier en twintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart verbeurd:

3 1.00 STK Telefoontoestel Kl:goudkl.

NOKIA

E.3.6.0.22C, komt uit de pilotentas

5 1.00 STK Laptop computer Kl:zilverkl.

ACER

E.3.6.0.22.A

11 1.00 STK Kast

computer

E.2.7.6.16

12 Geld Euro

1208,43 euro totaal

Onttrekt aan het verkeer:

1 1.00 STK Papier

E.2.7.6.18, w.o stortingsbewijzen

2 3.00 STK Sleutel

F7, aan een ring, passend op flat, brievenbus

4 1.00 STK SIM-kaart

LYCAMOBIL

F9.A

6 1.00 STK Papier

E.3.6.0.29, diverse papieren + telefoonkaart

7 1.00 STK Stortingsbewijs

E.2.7.6.14

8 1.00 STK Nota

POSTBANK

E.2.7.6.13 nota van een buitenlands geld

9 1.00 STK Papier

E.36.2.0.33, papieren met adressen en rek.nr

10 1.00 STK Papier

E.2.7.6.31, div. papieren uit bureau

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. M.Th. Goossens en mr. J.M. van Santen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.H.E. Laffrée,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2009.