Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI7131

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
15/800085-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

invoer drugs (cocaïne) op Schiphol; De rechtbank acht bewezen dat verdachte in onvoorwaardelijke zin opzet had op de invoer van cocaïne en acht daarbij het volgende van belang. Uit de bewijsmiddelen blijkt, dat verdachte naar Schiphol ging om een man te ontmoeten, dat hij in december 2008 een voorverkenning had uitgevoerd, dat hij die man enigszins heimelijk begroette en dat hij hem liet volgen naar de toiletgroep, alwaar de man zich in het toilet ontdeed van, naar later bleek, drugs. Voorts heeft de medeverdachte verklaard, dat verdachte hem had gezegd de gordel in het toilet af te doen en aan verdachte te geven. Anderzijds acht de rechtbank de door verdachte afgelegde verklaringen omtrent het feit dat hij tevoren niet wist dat het om een drugstransport ging ongeloofwaardig. Daarnaast acht de rechtbank van belang, dat in zijn woning versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen en dat verdachte onder meer op 16 januari 2009 het beveiligd gebied van Schiphol heeft betreden met zijn Schipholpas, terwijl hij die dag geen dienst had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800085-09

Uitspraakdatum: 14 april 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 maart 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Amsterdam, HvB Het Schouw.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 16 januari 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2

hij op of omstreeks 16 januari 2009 te Amsterdam, in de woning aan de [adres], om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervaardigen, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaine en/of heroïne, althans (een) materia(a)l(en) bevattende (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, (een) stof(fen) bevattende coffeïne en paracetamol en/of boorzuur (zijnde stoffen bestemd voor het versnijden van heroïne en/of cocaïne) voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat/die zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

Feit 1

hij op 16 januari 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

Feit 2

hij op 16 januari 2009 te Amsterdam, in de woning aan de [adres], om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken of verkopen van cocaine en heroïne, althans (een) materia(a)l(en) bevattende (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen bevattende coffeïne en paracetamol en boorzuur, zijnde stoffen bestemd voor het versnijden van heroïne en cocaïne voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1:

• de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Ik moest op Schiphol een bruine meneer zien. Ik had hem al op de computer gezien. Ik heb hem gegroet. Daarna zijn we naar het toilet gegaan. Ik heb gebeld naar [betrokkene 1]. Hij vroeg of ik een kleine hoeveelheid drugs in ontvangst kon nemen.

[betrokkene 1] had me al in december gevraagd om op Schiphol te gaan kijken. Ik moest kijken waar ongeveer een Martinair vliegtuig zou komen te staan. Er zou een keer een meneer aankomen. De datum was nog niet bekend.

Ik had wel het idee dat [betrokkene 1] zich bezighield met criminele activiteiten. Ik heb twee telefoons van hem gekregen. De zwart-witte telefoon heb ik ongeveer in november 2008 gekregen, de zwarte telefoon iets later. Hij had liever dat ik deze telefoons niet voor mezelf zou gebruiken. Ik weet niet waarom hij niet op mijn eigen telefoon kon bellen. Op de eerste telefoon kon hij mij bereiken, op de andere sms’te [betrokkene 2].

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van observatie (dossierpagina 67-72), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Op 16 januari 2009 bevonden verbalisanten zich omstreeks 9.00 uur ter hoogte van Gate D02 op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Zij waren belast met douanecontrole op passagiers van de vlucht MP603 vanuit Punta Cana/Puerto Plata. Verbalisant [naam] zag een onbekende man, die later bleek te zijn [verdachte], schuin tegenover de gate staan en de passagiers nauwlettend in de gaten houden.

Verbalisant zag dat [verdachte] de D-pier opliep en daarna weer langs D02 liep. Hierna nam hij in het zitgedeelte plaats tegenover een negroïde man, die later bleek te zijn [betrokkene 3]. Verbalisanten [naam] en [naam] zagen dat [verdachte] [betrokkene 3] aankeek en iets tegen hem zei. Ze stonden beiden op en liepen samen naar de nabijgelegen toiletgroep.

Verbalisant [naam] zag dat [verdachte] stond te wachten bij een wasbak en dat er een onbekend geluid kwam uit een afgesloten toilet. Onder de deurruimte zag verbalisant een jas op de grond liggen. Deze herkende hij als de jas die [betrokkene 3] aanhad. Verbalisant zag dat [verdachte] de toiletgroep verliet.

Verbalisant zag dat [betrokkene 3] enkele malen de toiletgroep uitkwam en weer in ging. Op een gegeven moment verliet hij het toilet met een kledingstuk onder zijn arm, waarvan verbalisant het vermoeden had dat hier iets onder zat.

Diverse verbalisanten zagen dat [betrokkene 3] hevig transpireerde en regelmatig nerveus om zich heen keek.

Verbalisant [naam] zag dat [betrokkene 3] een toilet inging en dat er onder de deurruimte van het niet afgesloten toilet twee gele See Buy Fly tasjes werden neergelegd. Hierna zagen verbalisanten dat er iets in voornoemde tasjes zat.

Verbalisanten hebben [betrokkene 3] aangesproken en zagen in de tasjes enkele met folie omwikkelde pakketten. [betrokkene 3] verklaarde dat hij de drugs op de luchthaven moest afgeven aan een jonge Marokkaan, van wie hij op een computer een foto had gezien. Deze jongen had hij in de WC op de luchthaven gezien. Hij herkende deze man als de man op de foto. De Marokkaanse man had ‘kom kom’ tegen hem gezegd en was samen met hem naar het toilet gelopen.

Even later hebben verbalisanten [verdachte] aangehouden.

Verbalisant [naam] heeft met een fretboortje een gaatje geprikt in één van de aangetroffen pakketten. Er bleef een witte stof op het boortje kleven. Deze stof kleurde bij het testen met de MMC-cocaïnetestset positief op de aanwezigheid van cocaïne.

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [betrokkene 3] (dossierpagina 342-345), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

[betrokkene 3] verklaart dat hij 6000 euro zou krijgen voor het smokkelen van 5 kilo cocaïne. Hij heeft pakketten cocaïne mee naar Nederland gesmokkeld en zou deze overdragen aan twee Marokkanen. In de Dominicaanse Republiek was een foto aan hem getoond waarop de Marokkaan stond. Bij aankomst in Nederland heeft [betrokkene 3] de telefoon die hij van de organisatie had gekregen, aangezet en werd hij gebeld om te vragen waar hij was. Hij zag een persoon die hij herkende van de foto naar hem toelopen. De Marokkaan zei dat hij met hem mee moest komen en [betrokkene 3] is achter hem aangelopen naar de toiletruimte. Daar zei de Marokkaan dat hij de gordel af moest doen en aan hem moest geven. [betrokkene 3] is het toilet in gelopen en heeft de gordel afgedaan.

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (dossierpagina 58-59), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Uit de vergelijking van de historische werkgegevens van verdachte en de historische gegevens van het gebruik van zijn Schipholpas blijkt dat [verdachte] in de periode 1 september 2008 t/m 16 januari 2009 op meerdere dagen, waaronder 16 januari 2009, het beveiligd gebied van Schiphol heeft betreden, zonder dat hij die dagen werkzaamheden had voor uitzendbureau Adecco.

Op de luchthaven Schiphol geldt voor het betreden van beveiligd gebied een 100% controle door middel van security personeel of controle van biometrische kenmerken. Derhalve kan worden gesteld dat degene die op genoemde data gebruik heeft gemaakt van de Schipholpas op naam van [verdachte], daadwerkelijk [verdachte] is geweest.

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen vaststelling telefoonnummer (dossierpagina 21), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Van de telefoon, merk Nokia, die onder [verdachte] in beslag genomen is, is het nummer [telefoonnummer] bekend. De telefoon van het merk Samsung, onder [betrokkene 3] in beslag genomen, bleek als nummer te hebben [telefoonnummer].

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (dossierpagina 151-153), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Verbalisanten hebben gezien dat in tas A vier pakketten zaten en in tas B twee pakketten. Het totaal netto gewicht van deze pakketten was 4994,1 gram. De stof uit alle pakketten kleurde positief voor de aanwezigheid van cocaïne. Er zijn monsters genomen met nummers 09-003639 A1, A2, A3, B1 en B2.

• het in de wettelijke vorm opgemaakt deskundigenrapport, te weten een rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 26 maart 2009, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

De monsters met nummers 09-003639 A1 t/m B2 bevatten cocaïne.

Ten aanzien van feit 2:

• de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

U vraagt mij naar de in mijn kamer aangetroffen zak met daarin een duwersbol en een zak witte stof. Ik moest van [betrokkene 1] iets bewaren. Hij heeft tegen mij gezegd dat het nepdrugs waren. Ik had wel het idee dat hij zich bezighield met criminele activiteiten.

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek woning (dossierpagina 305), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Bij onderzoek aan de woning aan de [adres] te Amsterdam werden o.a. aangetroffen een doorzichtige zak gelijkend op een zogenaamde duwersbol, inhoudende een bruine stof, en een doorzichtige zak met witte kristalkleurig poeder. Deze werden aangetroffen in ruimte K.5. Volgens de bijgevoegde schets is dit de kamer van [verdachte].

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (dossierpagina 242-243), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Er zijn monsters genomen met nummers 09-003631 A en B van de bruine stof in de verpakking die leek op een duwersbol en de witte kristalvormige stof.

• het in de wettelijke vorm opgemaakt deskundigenrapport, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 januari 2009 (dossierpagina 249-250), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

De materialen met kenmerk AAAG2077NL en AAAG2078NL zijn getest. Het zakje beige poeder en brokken bevat coffeïne en paracetamol. Het wit poeder bevat boorzuur.

? het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (dossierpagina 251), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

De ingezonden monsters zijn bij de Koninklijke Marechaussee ingeschreven onder nummer 09-003631A en 09-003631B. Deze monsters zijn door het NFI ingeschreven en bemonsterd onder de nummers AAAG2077NL en AAAG2078NL.

• het in de wettelijke vorm opgemaakt deskundigenrapport, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 maart 2009, inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Het mengsel van coffeïne en paracetamol wordt regelmatig als mengsel voor de versnijding van heroïne en cocaïne aangetroffen en is een zeer gebruikelijk versnijdingsmiddel voor heroïne. Boorzuur is ooit als versnijdingsmiddel voor cocaïne gemeld.

3.3 Bewijsoverweging

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat hij niet wist dat het om het afhalen van drugs ging en dat hij is weggelopen toen het hem duidelijk werd dat het om drugs ging. De rechtbank acht evenwel bewezen dat verdachte in onvoorwaardelijke zin opzet had op de invoer van cocaïne en acht daarbij het volgende van belang. Uit de bewijsmiddelen blijkt, dat verdachte naar Schiphol ging om een man te ontmoeten, dat hij in december 2008 een voorverkenning had uitgevoerd, dat hij die man enigszins heimelijk begroette en dat hij hem liet volgen naar de toiletgroep, alwaar de man zich in het toilet ontdeed van, naar later bleek, drugs. Voorts heeft medeverdachte [betrokkene 3] verklaard, dat verdachte hem had gezegd de gordel in het toilet af te doen en aan verdachte te geven. Anderzijds acht de rechtbank de door verdachte afgelegde verklaringen omtrent het feit dat hij tevoren niet wist dat het om een drugstransport ging ongeloofwaardig. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de verklaringen van verdachte omtrent zijn contacten met [betrokkene 1], de verklaringen van verdachte omtrent de door [betrokkene 1] aan verdachte gegeven telefoons en dat hij op een van die telefoons als tussenpersoon fungeerde voor ene [betrokkene 2] en omtrent het in bewaring nemen van nepdrugs voor [betrokkene 1]. Daarnaast acht de rechtbank van belang, dat in zijn woning versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen en dat verdachte onder meer op 16 januari 2009 het beveiligd gebied van Schiphol heeft betreden met zijn Schipholpas, terwijl hij die dag geen dienst had.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

Een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 voorbereiden of bevorderen, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek. Voorts heeft hij gevorderd dat de zak met wit poeder en de coffeïne en de paracetamol (op de beslaglijst vermeld als vermoedelijke heroïne) zullen worden onttrokken aan het verkeer en de overige inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 23 maart 2009 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van bijna vijf kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Voorts heeft verdachte middelen voorhanden gehad die dienen voor het versnijden van heroïne en cocaïne. Door aldus te handelen, heeft verdachte het bewerken en verhandelen van deze verdovende middelen in de hand gewerkt.

De rechtbank neemt ten nadele van verdachte in aanmerking, dat verdachte is opgetreden als afhaler van een koerier en aldus kennelijk een zodanige plaats in de organisatie heeft, dat hij zelf niet het grootste risico heeft gelopen.

De rechtbank rekent het verdachte voorts zwaar aan dat hij zich ook heeft ingelaten met de voorbereiding van de drugssmokkel door een voorverkenning uit te voeren en dat hij misbruik heeft gemaakt van de Schipholpas die hem was verstrekt ten behoeve van zijn werkzaamheden in de bagagekelder.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats. De rechtbank zal echter een vrijheidsstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht – gelet op de persoon van de verdachte en de omstandigheden van het geval – een vrijheidsstraf van na te melden duur passend en geboden en in overeenstemming met de straffen die door de rechtbank in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. De rechtbank houdt daarbij rekening met de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling zoals deze per 1 juli 2008 geldt.

6.3 Beslag

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een uitdraai, twee gsm-toestellen en twee simkaarten, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een zak met wit poeder en een zak aangemerkt als vermoedelijke heroïne, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezenverklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan. Het ongecontroleerde bezit van voormelde, inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 33, 33a 36b, 36c, 47, 57;

Opiumwet: 2, 10, 10a.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 stk uitdraai;

- 1.00 stk gsm-toestel

Nokia;

- 1.00 stk gsm-toestel

Nokia;

- 1.00 stk gsm-toestel

Nokia;

- 1.00 stk sim-kaart

Meditel;

- 1.00 stk sim-kaart

Hi.

Onttrekt aan het verkeer:

- 1.00 zak diverse

Onbekend

Vermoedelijk heroïne 248,30 inc verp.;

- 1.00 zak diverse

Onbekend

Zak met witte poeder brutogewicht 265,10 gram.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.P.W van de Ven, voorzitter,

mr. E.J. Hofstee en mr. M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. Alexander,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 april 2009.