Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI7048

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
09-06-2009
Zaaknummer
15/700182-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel; veroordeelde heeft door middel van of uit baten van de feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld wederrechtelijk voordeel verkregen. De rechtbank legt aan de veroordeelde de verplichting op om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen een bedrag van € 31.835,00 (zegge eenendertigduizendachthonderdvijfendertig euro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Meervoudige Kamer

Tegenspraak (ex artikel 279 Sv)

Parketnummer: 15/700182-08

Uitspraakdatum: 7 mei 2009

beslissing (ex artikel 36e Sr)

1. Vordering

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 22 augustus 2008 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht tot een maximum van € 248.508,71, bij conclusie van repliek gewijzigd tot een bedrag van € 96.939,13, in de zaak tegen:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Roemenië),

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Veenhuizen, Groot Bankenbosch, te Veenhuizen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde gewisselde conclusies.

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 16 april 2009.

2. Overwegingen

2.1. Veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 26 september 2008 is voornoemde [veroordeelde] veroordeeld terzake van, voor zover van belang:

1. Tezamen en in vereniging opzettelijk een betaalpas, bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomiseerde weg valselijk opmaken, meermalen gepleegd, gepleegd in de periode van 2 december 2006 tot en met 27 januari 2007;

2. Poging tot het tezamen en in vereniging opzettelijk een betaalpas, bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg valselijk opmaken, gepleegd op 29 januari 2007;

3. Opzettelijk een valse betaalpas voorhanden hebben, hebben ontvangen, zich heeft verschaft, vervoeren, meermalen gepleegd, gepleegd op 3 maart 2008;

4. Diefstal met twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige en zijn mededader(s) de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, gepleegd op 1 maart 2008;

5. Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, gepleegd in de periode vanaf 2 december 2006 tot en met 3 maart 2008.

2.2. Schriftelijke voorbereiding

De officier van justitie heeft bij conclusie van repliek van 12 december 2008 – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

– veroordeelde is vrijgesproken terzake van de zaaksdossiers 7 en 8 en derhalve het verkregen voordeel uit deze feiten niet kan worden ontnomen;

– terzake van zaaksdossier 18 een bedrag ter ontneming is opgenomen, welk bedrag mogelijk afkomstig is van verkregen voordeel uit de feiten zoals neergelegd in zaaksdossier 23. Mogelijk is sprake van dubbeltelling en derhalve zal dit bedrag in mindering gebracht dienen te worden;

– met betrekking tot zaaksdossiers 23 relevant is dat het berekende bedrag van € 203.800,05 niet kan worden ontnomen, maar dat in de plaats daar van € 66.091,63 dient te worden ontnomen. Tijdens de aanhouding van veroordeelden [veroordeelde], [mededader 1] en [mededader 2] zijn valse betaalpassen aangetroffen, waarmee een totaalbedrag van € 198.274,88, welk bedrag is aan te merken als voordeel verkregen uit de criminele organisatie. Op het tijdstip van de aanhouding van veroordeelden bestond de criminele organisatie nog uit deze drie personen, nu veroordeelde Ifrim op dat moment al enige tijd was aangehouden.

De raadsman van veroordeelde heeft bij conclusie van dupliek van 22 januari 2009 – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat:

– veroordeelde ongeveer € 10.000,- verdiend heeft met de door hem gepleegde feiten;

– het uitgangspunt van een pondspondsgewijze verdeling onjuist is, nu veroordeelde een ondergeschikte rol had in de criminele organisatie, mede gelet op zijn beperkte aanwezigheid in Nederland en de omstandigheid dat het onaannemelijk is dat de opbrengst binnen een criminele organisatie gelijkelijk wordt verdeeld;

– terzake zaaksdossier 23 de pondspondsgewijze verdeling niet consequent is gehanteerd, nu de verdeling over vier personen had moeten geschieden in plaats van de gehanteerde drie personen;

– ten onrechte geen rekening is gehouden met de gemaakte kosten, hetgeen klemt nu de veroordeelde uit Roemenië afkomstig is en derhalve vaststaat dat hij de nodige reis- en verblijfskosten heeft gemaakt;

– het wederrechtelijk verkregen voordeel dient op nihil te worden bepaald, nu de negatieve opbrengst van veroordeelde € 19.450,55 is, en de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen.

2.3. Behandeling ter terechtzitting

Op 16 april 2009 is de gewijzigde vordering van de officier van justitie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter terechtzitting behandeld.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de conclusie van repliek van 12 december 2008 en heeft daar – zakelijk weergegeven – het volgende aan toegevoegd:

– veroordeelde heeft, blijkens het vonnis van de rechtbank van 26 september 2008, een lange periode deel uitgemaakt van een criminele organisatie;

– dat veroordeelde niet gedurende de gehele bewezenverklaarde periode van zijn deelname aan een criminele organisatie in Nederland heeft verbleven berust enkel op zijn eigen verklaring en wordt nergens in het dossier bevestigd;

– veroordeelden hebben geen openheid gegeven in de verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is een gelijkelijk aandeel in de verdeling van dit voordeel een gerechtvaardigd uitgangspunt, mede gelet op de omstandigheid dat van enige hiërarchie niet is gebleken;

– met betrekking tot zaaksdossier 23 is van belang dat veroordeelde [mededader 3] slechts een deel van de bewezenverklaarde periode deel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie;

– de gestelde kosten zijn niet onderbouwd, uit het wettelijk systeem van het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel vloeit geen verplichting voort om de kosten in mindering te brengen en deze kosten kunnen gefinancierd zijn met eerder wederrechtelijk verkregen voordeel;

– derhalve wordt gepersisteerd bij de vordering tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 96.939,13.

De raadsman heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – het verweer gevoerd dat:

– veroordeelde wel openheid heeft gegeven in het door hem verkregen wederrechtelijk voordeel;

– het uitermate aannemelijk is dat de gestelde kosten zijn gemaakt;

– het uitgangspunt bij de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel het terugplaatsen van veroordeelde in de oude vermogenspositie is en dat derhalve het redelijk is om rekening te houden met de gemaakte kosten.

2.4. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De rechtbank zal als uitgangspunt nemen de tabel op pagina 6 van het proces-verbaal inzake de ontneming d.d. 29 juli 2008, in welke tabel voor de verschillende veroordeelden is opgenomen welk wederrechtelijk voordeel zij zouden hebben verkregen.

Door de raadsman van veroordeelde is betwist dat de pondspondsgewijze verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel mocht worden toegepast, nu veroordeelde inzicht heeft gegeven in het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat zijdens de verdediging op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat veroordeelde in totaal € 10.000,- zou hebben verkregen uit de bewezenverklaarde feiten. Daarbij overweegt de rechtbank dat op basis van alle bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden veroordeelden hebben gespeeld, bepaald zal moeten worden welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. In het onderhavige geval zijn onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor een andere toerekening dan de pondspondsgewijze, zodat dit ertoe leidt dat het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend (Hoge Raad 7 december 2004, LJN AQ8491).

Door de raadsman is bepleit dat kosten zijn gemaakt ten behoeve van het plegen van de strafbare feiten, welke in redelijkheid in aanmerking dienen te worden genomen bij het bepalen van het eventueel te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Mocht de door de raadsman gestelde kostenpost van 10% voor reis- en verblijfskosten al aannemelijk zijn gemaakt, hetgeen niet het geval is, dan overweegt de rechtbank dat deze kosten niet in directe relatie staan met de gepleegde strafbare feiten waarvoor wederrechtelijk voordeel is verkregen. Overigens zijn door de raadsman geen kosten opgevoerd. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat geen kosten in aanmerking genomen zullen worden bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde.

Voor zover de vordering betrekking heeft op (de feiten van) zaaksdossier 23 overweegt de rechtbank dat dit deel van de vordering in zijn geheel dient te worden afgewezen. In zaaksdossier 23 bevindt zich een proces-verbaal van onderzoek aangiftes uit Duitsland (dossierpagina 1271). In dit proces-verbaal wordt door verbalisant gerelateerd dat het totaalbedrag aan frauduleuze geldopnames tussen 1 en 6 maart 2008 € 198.274,88 bedraagt. Uit het proces-verbaal blijkt niet duidelijk welk bedrag zou zijn opgenomen in de periode van 1 tot en met 3 maart 2008. Dit is van belang omdat veroordeelde op 3 maart 2008 is aangehouden en dus niet meer betrokken kan zijn geweest bij frauduleuze opnames na die datum. Bovendien is zijn deelname aan de criminele organisatie bewezenverklaard in een periode tot en met 3 maart 2008. Nu het gerelateerde totaalbedrag aan frauduleuze geldopnames deels afkomstig is van frauduleuze opnames (met de inbeslaggenomen passen) na 3 maart 2008 en niet blijkt welk bedrag voor 3 maart 2008 en welk bedrag na 3 maart 2008 is opgenomen, dient dit deel van de vordering in zijn geheel te worden afgewezen.

Met betrekking tot de in zaaksdossier 18 opgenomen totaalpost van € 3.950,- merkt de rechtbank op dat zij deze, gelet op de gehele afwijzing van het onder zaaksdossier 23 door de officier van justitie gevorderde, wel in aanmerking zal nemen bij de berekening van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank overweegt hierbij dat het aannemelijk is dat het in de broekzak en hotelkamer van medeveroordeelde [veroordeelde] aangetroffen geld van skimming afkomstig is en derhalve gezien kan worden als inkomsten gegenereerd uit de criminele organisatie. Gelet op de gehele afwijzing van het door de officier van justitie gevorderde met betrekking tot zaaksdossier 23 is geen sprake meer van een mogelijke dubbeltelling bij toewijzing van het met betrekking tot zaaksdossier 18 gevorderde. Dit bedrag dient naar het oordeel van de rechtbank ontnomen te worden als zijnde wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het onder voormeld parketnummer aangelegd straf- en ontnemingsdossier alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak aannemelijk is geworden dat de veroordeelde door middel van of uit baten van de feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Alles overwegende schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een totaalbedrag van € 31.835,00.

Zaaknummer [veroordeelde]

5 € 9.687,50

6 € 13.190,--

7 --

8 --

9 € 6.037,50

10 € 1.932,50

18 € 987,50

23 --

Totaal € 31835,00

Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die naar het oordeel van de rechtbank aanleiding geven voormeld bedrag te matigen.

De rechtbank zal op grond van het vorenoverwogene en gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van eerder vermelde feiten het hierna te noemen bedrag aan de staat dient te betalen.

2.5. Bewijsmiddelen

De rechtbank ontleent de schatting aan de inhoud van het de volgende bewijsmiddelen:

• het vonnis van deze rechtbank van 26 september 2008 inzake [veroordeelde] – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende een veroordeling terzake van skimming gepleegd op 3 maart 2008 en de deelname aan een criminele organisatie, welke onder meer tot oogmerk had het opzettelijk valselijk opmaken van een betaalpas, het opzettelijk gebruik maken en voorhanden hebben van een valse betaalpas en diefstal door middel van een valse sleutel, in de periode van 2 december 2006 tot en met 3 maart 2008 en onder overweging 6.2. als motivering van de hoofdstraf inhoudende dat hij ‘zich samen met anderen schuldig [heeft] gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die zich langdurig op omvangrijke schaal en op professionele wijze bezig hield met skimming’.

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal inzake de ontneming van 29 juli 2008 (proces-verbaalnummer 2/AH/01, niet genummerd in ontnemingsdossier). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde het volgende:

Zaak Schade [veroordeelde]

5 € 38.750,-- € 9.687,50

6 € 39.570,-- € 13.190,--

7 € 18.050,-- € 6.016,66

8 € 27.420,-- € 6.855,--

9 € 24.150,-- € 6.037,50

10 € 7.730,-- € 1.932,50

18 € 3.950,-- € 987,50

23 € 611.400,17 € 208.800,05

Totaal € 771.020,17 € 248.506,71

• de bij de aangifte van [benadeelde partij 1] van 29 april 2008 behorende bijlage 6, ‘zaak 5’ (niet genummerd in het ontneminsdossier) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende een totaalbedrag aan frauduleuze opnames van € 38.750,-;

• de bij de aangifte van [benadeelde partij 1] van 29 april 2008 behorende bijlage 7, ‘zaak 6’ (niet genummerd in het ontnemingsdossier) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende een totaalbedrag aan frauduleuze opnames van € 39.570,-;

• de bij de aangifte van [benadeelde partij 1] van 29 april 2008 behorende bijlage 10, ‘zaak 10’ (niet genummerd in het ontnemingsdossier) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende een totaalbedrag aan frauduleuze opnames van € 24.150,- (de rechtbank begrijpt ingevolge het proces-verbaal inzake de ontneming dat gedoeld wordt op ‘zaak 9’);

• de bij de aangifte van [benadeelde partij 1] van 29 april 2008 behorende bijlage 11, ‘zaak 10’ (niet genummerd in het ontnemingsdossier) – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende een totaalbedrag aan frauduleuze opnames van € 7.730,-;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal inzake de ontneming van 29 juli 2008 (proces-verbaalnummer 2/AH/01, niet genummerd in ontnemingsdossier). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in: Zaak 18. Het betreft de verdachten [mededader 1], [veroordeelde], [mededader 3] en [mededader 2]. De verdachte [veroordeelde] had 19 biljetten van € 50,- bij zich en op zijn hotelkamer werden nog eens 60 biljetten van € 50,- aangetroffen. In totaal dus € 3.950,- wat gezien de erst van de omstandigheden afkomstig kan zijn van het innen met geskimde passen. Dit voordeel wordt gezien als voordeel verkregen uit de criminele organisatie en gelijkelijk verdeeld over de verdachten hier genoemd.

3. Beslissing

De rechtbank legt aan de veroordeelde de verplichting op om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen een bedrag van € 31.835,00 (zegge eenendertigduizendachthonderdvijfendertig euro).

4. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is gegeven door:

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mrs. J.C. van den Bos en J.J.M. Uitermark, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Hobo,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2009.