Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI6898

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-05-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 3106
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling 19.2 WRO en bouwvergunning eerste fase ten behoeve van klimhal/discotheek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 / 3106

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 mei 2009

in de zaak van:

[naam eiser] e.a.,

wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2007 heeft verweerder aan JSD Ontwikkeling BV vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een multifunctioneel gebouw met discotheek en klimhal op het perceel Verzetslaan 5 te Purmerend.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 4 juli 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 februari 2008, verzonden op 28 februari 2008, heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 28 maart 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Op 16 april 2008 hebben eisers aanvullende stukken ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 februari 2009, gelijktijdig met de zaken met nummers AWB 08/3305 en 08/3306. Namens eisers is verschenen [naam eiser], vergezeld door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.P. Rog, C. Schrama en M.C. Deinum, allen werkzaam bij de gemeente Purmerend.

2. Overwegingen

2.1 De grond waarop het bouwplan betrekking heeft, is gelegen in het bestemmingsplan “Plan in hoofdzaken (gemeente Ilpendam)” en is daarin bestemd voor “agrarische doeleinden”.

2.2 Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Teneinde het project te kunnen realiseren, heeft verweerder vrijstelling verleend op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en tevens een bouwvergunning eerste fase afgegeven.

2.3 Eisers kunnen zich met deze besluiten niet verenigen. Zij hebben onder meer aangevoerd dat verweerder en gedeputeerde staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat geen sprake is van een megadiscotheek. De rechtbank begrijpt het betoog van eisers aldus, dat in het onderhavige geval een speerpunt van provinciaal ruimtelijk beleid (speerpunt 1) aan de orde is en verweerder derhalve artikel 19, eerste lid, WRO had moeten toepassen.

2.4 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist.

2.5 Gedeputeerde staten van Noord-Holland hebben in hun bij besluit van 19 juli 2005 vastgestelde en nadien aangepaste beleid inzake toepassing van artikel 19 WRO een lijst vastgesteld van categorieën van gevallen waarvoor vrijstelling kan worden verleend (hierna: de provinciale vrijstellingenlijst). Omdat het bouwplan zal worden gerealiseerd in een gebied waar volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Holland sprake is van hoge historisch geografische waarden, is ingevolge speerpunt 5 van de provinciale vrijstellingslijst een verklaring van geen bezwaar vereist op grond van artikel 19, tweede lid, WRO.

2.6 Anders dan eisers stellen is speerpunt 1 niet aan de orde. Blijkens de toelichting bij de provinciale vrijstellingenlijst is speerpunt 1 aan de orde indien het project een grootschalige voorziening betreft. Hieronder vallen voorzieningen die worden verondersteld een (boven)regionale invloed te hebben en derhalve het bestaande voorzieningenniveau in de regio in gevaar kunnen brengen. Als voorbeeld worden onder meer megadisco’s genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat van een megadisco geen sprake is, nu het bezoekersaantal van de onderhavige multifunctionele voorziening is beperkt tot maximaal 250.000 bezoekers per jaar.

2.7 Thans dient te worden beoordeeld of in het onderhavige geval is voldaan aan het vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing. Hierbij geldt dat aan de ruimtelijke onderbouwing van een bouwplan zwaardere eisen dienen te worden gesteld naarmate de ingreep op de bestaande planologische situatie ernstiger is. Zoals hiervoor reeds is overwogen, geldt ter plaatse de bestemming “agrarische doeleinden” en ligt het bouwplan in een gebied met historisch geografische waarden.

2.8 In de ruimtelijke onderbouwing wordt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de “Structuurvisie Purmerend 2005-2020”, waarin op hoofdlijnen wordt beschreven wat de meest gewenste ruimtelijke ontwikkeling is van het plangebied. Blijkens de structuurvisie ligt de beoogde locatie van het bouwplan in het gebied dat wordt aangeduid als cluster 12 en het thema “consumeren en beleven” draagt. Vermeld wordt dat in het gebied thans diverse restaurants zijn gevestigd en dat de vestiging van een discotheek wordt voorbereid. Overwogen wordt dat bebouwing op deze plek op zich geen probleem vormt en dat de locatie door zijn ligging aan de rand van de stad en de goede bereikbaarheid geschikt is voor dergelijke functies.

2.9 Met betrekking tot de historisch geografische waarden van het gebied wordt in de ruimtelijke onderbouwing – kort samengevat – toegelicht dat het gebied wordt gewaardeerd als van ‘zeer hoge waarde’ vanwege de onregelmatige opstrekkende strokenverkavelingen die kenmerkend zijn voor ‘vroege’ in lokaal verband georganiseerde veenontginningen die in Waterland en de Zaanstreek veel voorkomen. De beoogde locatie is echter van een dermate beperkte omvang dat het verkavelingspatroon niet meer als zodanig herkenbaar is, hetgeen tevens een gevolg is van de al eerder gerealiseerde wegen en bebouwing. Voorts wordt overwogen dat de Purmerringvaart- en ringdijk en het Noordhollandsch kanaal, welke worden gewaardeerd als ‘van hoge waarde’ en ‘van waarde’, op enige afstand van het bouwplan liggen en geen wijzigingen ondervinden.

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank is met de verwijzing naar de structuurvisie en de overwegingen ten aanzien van de historisch geografische waarden in het gebied, voldaan aan de eisen die de wet aan een goede ruimtelijke onderbouwing stelt. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verweerder een redelijke belangenafweging heeft gemaakt.

2.11 De meest verstrekkende beroepsgrond van eisers ziet op de locatiekeuze van het bouwplan. Eisers vrezen voor overlast van de discotheek en stellen dat er alternatieve en meer geschikte locaties zijn. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie uitspraak van 15 februari 2006, zaaknr. 200505109; www.raadvanstate.nl) heeft verweerder te beslissen omtrent een bouwplan, zoals het is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking aanzetten, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende aannemelijk gemaakt dat een zodanig alternatief niet aanwezig is.

2.12 Met betrekking tot de beroepsgronden die zien op de te verwachten overlast, die in de kern neerkomen op parkeeroverlast en geluidsoverlast van bezoekers die de discotheek verlaten, overweegt de rechtbank het volgende.

2.13 In de ruimtelijke onderbouwing is een berekening gegeven van het aantal parkeerplaatsen dat is vereist om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte op een zogenoemde piekavond. Met de aanleg van 118 parkeerplaatsen voorziet het bouwplan exact in deze parkeerbehoefte. De ruimtelijke onderbouwing is echter afkomstig van de aanvrager en niet duidelijk is welke norm is gehanteerd om de parkeerbehoefte te berekenen en of daarmee wordt voldaan aan de eisen uit de bouwverordening. Evenmin is in het dossier een berekening van verweerder aangetroffen waaruit kan worden afgeleid hoeveel parkeerplaatsen op grond van de bouwverordening worden geëist. Verweerder had het op zijn weg moeten zien liggen om inzichtelijk te maken dat de berekening van de aanvrager is gecontroleerd en dat daarmee wordt voldaan aan de parkeernormen uit de bouwverordening. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat vooraf eisen zijn gesteld aan de door aanvrager te hanteren berekeningsmethode en heeft benadrukt dat de in de ruimtelijke onderbouwing gegeven uitkomst wel degelijk is gecontroleerd en geaccordeerd. De rechtbank acht deze toelichting afdoende, te meer daar de nabije horecagelegenheden McDonalds en Caddy’s Diner beschikken over een eigen parkeerterrein en bij drukbezochte avonden de mogelijkheid bestaat om uit te wijken naar de gemeentelijke carpoolplaats met een capaciteit van circa 105 parkeerplaatsen.

2.14 Van de ruimtelijke onderbouwing maakt onder meer deel uit een geluidsrapport, waarvan de conclusie luidt dat het bouwplan voldoet aan de door het bevoegd gezag gestelde grenswaarden. Gelet op de situatie ter plaatse, welke ter zitting uitvoerig is besproken, acht de rechtbank het daarentegen aannemelijk dat de bewoners van de nabijgelegen woonwijk een zekere mate van overlast zullen ondervinden van de bezoekers die de discotheek per fiets of brommer zullen verlaten. Ook verweerder ziet zelf in dat enige overlast niet is te vermijden. Bij het ontbreken van een deskundig tegenrapport is het echter moeilijk vast te stellen in hoeverre daadwerkelijk overlast is te verwachten. Verweerder heeft in hetgeen eisers hebben aangevoerd vooralsnog geen aanleiding gezien om maatregelen te treffen. De rechtbank kan dit billijken, maar heeft er nota van genomen dat verweerder zich bereid heeft verklaard om de nodige voorzieningen te treffen indien dat noodzakelijk is.

2.15 Eisers hebben voorts aangevoerd dat er onvoldoende politie op de been is om tegen overlast op te kunnen treden, dat er ongelukken zijn te verwachten aangezien het bouwplan niet voorziet in voetpaden en dat nabij gelegen woningen in waarde zullen dalen. De rechtbank acht deze stellingen niet aannemelijk dan wel onvoldoende onderbouwd. De stelling dat uit de omnibusenquête blijkt dat in Purmerend een uitgaansgelegenheid en een jongerenvoorziening worden gemist en dat verweerder daaruit ten onrechte de conclusie trekt dat de inwoners van Purmerend een discotheek wensen, kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

2.16 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten vrijstelling van het bestemmingsplan en een bouwvergunning eerste fase te verlenen.

2.17 Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, C.E. Heyning-Huydecoper en G.D. de Jong, rechters, en op 15 mei 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.