Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI6896

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 3305
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling 19.2 WRO en bouwvergunning eerste fase ten behoeve van klimhal/discotheek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 / 3305

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2009

in de zaak van:

[naam eiser] e.a.,

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. M.E. Jendsen, werkzaam bij DAS rechtsbijstand,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2007 heeft verweerder aan JSD Ontwikkeling BV vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een multifunctioneel gebouw met discotheek en klimhal op het perceel Verzetslaan 5 te Purmerend.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 31 juli 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 februari 2008, verzonden op 28 februari 2008, heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 1 april 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 februari 2009, gelijktijdig met de zaken met nummers AWB 08/3306 en 08/3106. Namens eisers zijn verschenen [naam eiser] en de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.P. Rog, C. Schrama en M.C. Deinum, allen werkzaam bij de gemeente Purmerend.

2. Overwegingen

2.1 De grond waarop het bouwplan betrekking heeft, is gelegen in het bestemmingsplan “Plan in hoofdzaken (gemeente Ilpendam)” en is daarin bestemd voor “agrarische doeleinden”.

2.2 Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Teneinde het project te kunnen realiseren, heeft verweerder vrijstelling verleend op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en tevens een bouwvergunning eerste fase afgegeven.

2.3 Eisers kunnen zich met deze besluiten niet verenigen. Zij hebben hiertoe onder meer aangevoerd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de meest geschikte locatie voor het multifunctionele gebouw met discotheek en klimhal.

2.4 Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie uitspraak van 15 februari 2006, zaaknr. 200505109; www.raadvanstate.nl) heeft verweerder te beslissen omtrent een bouwplan, zoals het is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking aanzetten, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat van zodanige alternatieven geen sprake is, daar verweerder in de reactienota op de ingediende zienswijzen en in de beslissing op bezwaar gemotiveerd heeft aangegeven waarom de Verzetslaan als meest geschikte locatie moet worden geacht en niet is gekozen voor de locaties Koemarkt, De Baanstee of de Kop van West.

2.5 Eisers hebben voorts aangevoerd dat het er naar uitziet dat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. In dit verband wijzen zij er tevens op dat onzeker is of de beoogde buspendeldienst er wel komt. Ook vrezen zij voor geluidsoverlast en randverschijnselen als ruzies, vandalisme en andere criminaliteit.

2.6 De rechtbank overweegt dat in de ruimtelijke onderbouwing een berekening is gegeven van het aantal parkeerplaatsen dat is vereist om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte op een zogenoemde piekavond. Met de aanleg van 118 parkeerplaatsen voorziet het bouwplan exact in deze parkeerbehoefte. De ruimtelijke onderbouwing is echter afkomstig van de aanvrager en niet duidelijk is welke norm is gehanteerd om de parkeerbehoefte te berekenen en of daarmee wordt voldaan aan de eisen uit de bouwverordening. Evenmin is in het dossier een berekening van verweerder aangetroffen waaruit kan worden afgeleid hoeveel parkeerplaatsen op grond van de bouwverordening worden geëist. Verweerder had het op zijn weg moeten zien liggen om inzichtelijk te maken dat de berekening van de aanvrager is gecontroleerd en dat daarmee wordt voldaan aan de parkeernormen uit de bouwverordening. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat vooraf eisen zijn gesteld aan de door aanvrager te hanteren berekeningsmethode en heeft benadrukt dat de in de ruimtelijke onderbouwing gegeven uitkomst wel degelijk is gecontroleerd en geaccordeerd. De rechtbank acht deze toelichting afdoende, te meer daar de nabije horecagelegenheden McDonalds en Caddy’s Diner beschikken over een eigen parkeerterrein en bij drukbezochte avonden de mogelijkheid bestaat om uit te wijken naar de gemeentelijke carpoolplaats met een capaciteit van circa 105 parkeerplaatsen. Voor zover eisers hun vraagtekens plaatsen bij de komst van een buspendeldienst, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen verwijzen naar de gesprekken die daarover worden gevoerd met Arriva en de toezegging van vergunninghouder om zelf een buspendeldienst in het leven te roepen, indien de onderhandelingen op niets uitlopen.

2.7 De rechtbank overweegt voorts dat bij de ruimtelijke onderbouwing een geluidsrapport is gevoegd, waarvan de conclusie luidt dat het bouwplan voldoet aan de door het bevoegd gezag gestelde grenswaarden. Gelet op de situatie ter plaatse, welke ter zitting uitvoerig is besproken, acht de rechtbank het daarentegen aannemelijk dat de bewoners van de nabijgelegen woonwijk een zekere mate van overlast zullen ondervinden van de bezoekers die de discotheek per fiets of brommer zullen verlaten. Ook verweerder ziet zelf in dat enige overlast niet is te vermijden. Bij het ontbreken van een deskundig tegenrapport is het echter moeilijk vast te stellen in hoeverre daadwerkelijk overlast is te verwachten. Verweerder heeft in hetgeen eisers hebben aangevoerd vooralsnog geen aanleiding gezien om maatregelen te treffen. De rechtbank kan dit billijken, maar heeft er nota van genomen dat verweerder zich bereid heeft verklaard om de nodige voorzieningen te treffen indien dat noodzakelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de gevreesde randverschijnselen als ruzies, vandalisme en andere criminaliteit eveneens geen aanleiding heeft hoeven zien de medewerking aan het bouwplan te weigeren, nu vergunninghouder in de ruimtelijke onderbouwing uiteen heeft gezet op welke wijze hij voornemens is de openbare orde en veiligheid in en rondom de discotheek te handhaven. Voorts heeft vergunninghouder daarin aangegeven dat het horecaconvenant zal worden ondertekend en dat met de politie is afgesproken frequent overleg te voeren over zaken als openbare orde, drugsgebruik en wapenbezit.

2.8 Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vrijstelling te verlenen. Nu zich geen van de weigeringsgronden bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet voordoen, heeft verweerder de bouwvergunning eerste fase terecht verleend.

2.9 Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. C.E. Heyning-Huydecoper en mr. G.D. de Jong, rechters, en op 2 juni 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.