Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI5871

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
15/700884-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afpersing; medeplegen;

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een afpersing op de openbare weg, op klaarlichte dag. Een medeverdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van een mes. Nadat zijn medeverdachte had waargenomen dat het slachtoffer zojuist had gepind is deze op hem toegelopen, het slachtoffer dreigend het mes getoond en op dreigende toon om geld gevraagd. Het verweer ten aanzien van het ontbreken van mededaderschap wordt verworpen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 166 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 150 uren. Artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 317 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700884-08

Uitspraakdatum: 29 mei 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 mei 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 16 november 2008 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten het Leeuwerikplein, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (totaal circa 190 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), hebbende en/of zijnde verdachte en/of zijn mededader(s) met bovenaangehaald oogmerk

- (dreigend) een mes in de richting van die [slachtoffer] gehouden en/of (daarbij) (dreigend) hem de woord(en) toegevoegd:"geld geld geld geef me je geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Subsidiair:

Dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 16 november 2008 te Purmerend, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten het Leeuweriksplein, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag(en) van in totaal circa 190 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] (dreigend) een mes in de richting van die [slachtoffer] heeft/hebben gehouden en/of (daarbij dreigend) hem de woorden toegevoegd: "geld, geld, geld, geef me je geld, althans woorden van gelijke aarde en/of strekking;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 16 november 2008 te Purmerend en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in zijn, verdachtes, voertuig van en naar Purmerend te vervoeren.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

primair:

hij op 16 november 2008 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen, op de openbare weg, te weten het Leeuwerikplein, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag totaal circa 190 euro toebehorende aan die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn mededader met bovenaangehaald oogmerk

- dreigend een mes in de richting van die [slachtoffer] gehouden en daarbij dreigend hem de woorden toegevoegd:"geld, geld, geld, geef me je geld".

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Ik was op 16 november 2008, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], in Purmerend. Ik bestuurde mijn bus waarin we reden. [medeverdachte 1] zat naast mij, [medeverdachte 2] zat achterin. [medeverdachte 1] zei dat hij geld nodig had. Ik dacht dat hij daaraan op een oneerlijke manier wilde komen. [medeverdachte 2] zei iets over een mes. Ik ben gestopt. [medeverdachte 1] ging de bus uit. Even later kwam hij terug. Hij zei dat hij van iemand geld had gestolen. Ik ben weggereden. [medeverdachte 1] heeft van het geld dat hij meegnomen had van die persoon cocaïne gekocht. Ik heb daar ook van gebruikt.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (dossierpagina 045 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 16 november 2008 om ongeveer 13.00 uur ben ik gaan pinnen op het Leeuwerikplein in Purmerend. Ik liep terug naar mijn auto. Op het moment dat ik de linkervoordeur van mijn auto opendeed kwam er een man op mij aflopen. Ik zag dat de man een mes bij zich droeg. Ik zag dat hij met het mes in mijn richting wees en dat het mes op ongeveer een afstand van 50 tot 70 centimeter van mij af was. Hij zei tegen mij: geld, geld, geld, geef me je geld”. Ik schrok hier heel erg van. Ik voelde mij zeer bedreigd. Ik gaf hem op dat moment € 190,- . Ik zag dat de man wegrende naar een bus. Ik zag dat de man instapte in de bus. Ik zag dat er nog twee andere mannen in de bus zaten, een andere man achter het stuur en een man op de achterbank van de bus.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte (dossierpagina 062 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Ik had een vermoeden dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van plan waren een beroving te plegen. Onderweg heb ik [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] erover horen praten dat [medeverdachte 1] geld nodig had. Ik hoorde [medeverdachte 2] zeggen: “ik heb nog wel een mes”.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] (dossierpagina 052 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 16 november 2008 zat ik met [verdachte] en nog een andere jongen in de bus van [verdachte]. We reden naar Purmerend. Daar ben ik uitgestapt en naar een jongen toegelopen. Ik had gezien dat die jongen had gepind en toen dacht ik bij mezelf ik ga jou beroven. Hij heeft me 190 euro gegeven. Ik ben vervolgens weer in de bus van [verdachte] gestapt. Hij is vervolgens doorgereden.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] (dossierpagina 057 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op het moment dat ik de jongen bij het pinapparaat zag besloot ik dat ik de jongen wilde beroven. Ik zei tegen [verdachte] dat hij moest stoppen. [verdachte] stopte de bus met het zicht op het pinapparaat en naar later bleek de auto van de jongen die ik had beroofd. Ik had het mes uitgeklapt en ik heb het mes op de jongen gericht. Ik stond op dat moment op ongeveer een halve meter van de jongen, Ik heb aan de jongen zijn geld gevraagd. Ik zag dat de jongen geld uit zijn portemonnee pakte en de jongen gaf mij het geld. In de bus zag ik dat ik 190 euro had van deze jongen. [verdachte] heeft gezien wat er gebeurd is. [verdachte] en [medeverdachte 2] wisten wel dat het geld bedoeld was om cocaïne te kopen voor ons drietjes. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben allebei gezien dat ik de beroving heb gepleegd. Nadat ik in de bus ben gestapt, heb ik [medeverdachte 2] zijn mes teruggegeven en is [verdachte] weggereden.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] (dossierpagina 068 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 16 november zijn [verdachte], [medeverdachte 1] en ik met de bus van [verdachte] naar Purmerend gereden. [verdachte] reed. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] zei dat hij iemand wilde beroven. Ik zei, hier heb je een mes. Ik pakte een mes uit mijn broekzak en gaf dit aan hem. Ik zag dat [medeverdachte 1] uit de bus stapte en op een man afliep die kort daarvoor gepind had. Ik heb [medeverdachte 1] bij de man zien staan. Toen [medeverdachte 1] weer in de bus stapte zei hij: dat is wel makkelijk aan geld komen. [medeverdachte 1] vertelde dat hij € 190,00 had. Van dit geld is cocaïne gekocht. Wij hebben alle drie een snuifje genomen.

3.3 Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het primair tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden verklaard, omdat er ten aanzien van verdachte geen sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking met zijn medeverdachten gericht op het (mede)plegen van dat feit.

De rechtbank is van oordeel dat uit de hierboven vermelde bewijsmiddelen wel blijkt van die bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Verdachte was de bestuurder van de bus waarmee hij en zijn twee medeverdachten op 16 november 2008 naar Purmerend zijn gereden. Volgens zijn eigen verklaringen hoorde verdachte zijn medeverdachten in de bus praten over geld op een zodanige wijze, dat verdachte het vermoeden kreeg dat ze van plan waren een beroving te plegen. Daarbij is gerept van een mes. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte in de onmogelijkheid heeft verkeerd zich reeds op dat moment van zijn medeverdachten te distantiëren door ze bijvoorbeeld uit de bus te zetten. Verdachte is met zijn bus gestopt toen een medeverdachte wilde uitstappen om de beroving te plegen. Volgens zijn medeverdachte heeft verdachte de beroving zien gebeuren. De bus was in ieder geval op een zodanige wijze geparkeerd dat verdachte zicht had op de beroving. Vervolgens heeft verdachte deze medeverdachte na de beroving weer in zijn bus laten stappen. De medeverdachte heeft daarbij verteld wat de opbrengst van de beroving was. Verdachte is samen met zijn medeverdachten weggereden van de plaats van het misdrijf en naar een dealer gereden. Daar is van het gestolen geld cocaïne gekocht, waarvan alle drie verdachten hebben gebruikt. Onder voormelde omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, alleen al gemeten naar de uiterlijke verschijningsvorm, sprake van het tenlastegelegde medeplegen van afpersing.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 166 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Brijder Verslavingszorg uitgebrachte rapport van 12 februari 2009 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een afpersing op de openbare weg, op klaarlichte dag. Een medeverdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van een mes. Nadat zijn medeverdachte had waargenomen dat het slachtoffer zojuist had gepind is deze op hem toegelopen, het slachtoffer dreigend het mes getoond en op dreigende toon om geld gevraagd. Het slachtoffer is erg geschrokken en heeft zijn geld afgegeven.

Dit soort geweldsmisdrijven maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, meer in het bijzonder bij de directe slachtoffers daarvan. Slachtoffers dragen de psychische gevolgen ervan vaak nog lang mee. Dit blijkt ook uit de toelichting van het slachtoffer bij de vordering benadeelde partij. Daarin wordt vermeld dat het slachtoffer zich niet meer veilig voelt bij het geld pinnen en bang is dat het hem nog een keer zal overkomen, hij is tegenover vreemden angstiger en alerter geworden. Verdachte heeft zich ten tijde van het plegen van het strafbare feit van een en ander geen rekenschap gegeven.

Volgens de reclasseringsrapportage kan verdachte worden omschreven als een meeloper. Verdachte heeft moeite om nee te zeggen tegen (verkeerde) vrienden en tegen alcohol en drugs. Door de in voorarrest doorgebrachte tijd zijn de ogen van verdachte geopend. Hij schaamt zich voor wat er is gebeurd. Verdachte heeft zich vrijwillig aangemeld bij de Brijder Verslavingszorg om terugval in cocaïnegebruik te voorkomen en zijn alcoholgebruik te minderen. Recidivegevaar wordt als laag ingeschat tenzij verdachte terugvalt in cocaïne- en alcoholgebruik. De Brijder acht een werkstraf geïndiceerd en reclasseringstoezicht niet van meerwaarde.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Evenzeer weegt de rechtbank als pluspunt mee dat verdachte tot inkeer lijkt te zijn gekomen en voor zijn middelengebruik vrijwillig hulp heeft gezocht. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank de ernst van het feit mee en de omstandigheden waaronder het feit is begaan (beroving met gebruikmaking van een mes op klaarlichte dag op de openbare weg).

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Tevens acht de rechtbank een werkstraf passend en geboden. De rechtbank zal een kortere werkstraf opleggen dan door de Officier van Justitie is gevorderd gelet op de gebleken positieve opstelling en ontwikkeling van verdachte.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 970,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De gestelde en niet bestreden schade bestaat uit enerzijds materiële schade, namelijk het geldbedrag ad € 190,- dat door het slachtoffer is afgegeven aan verdachte en anderzijds immateriële schade ad € 780,- . De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de schade billijk voor.

De rechtbank zal de vordering toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 970,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2008 als voornoemd.

Hoofdelijkheid

Bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde afpersing mede heeft gepleegd. Verdachte en zijn medeverdachte(n), voorzover terzake veroordeeld, hebben aldus samen onrechtmatig jegens de benadeelde partij gehandeld. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de toewijsbare vordering van de benadeelde partij hoofdelijk door verdachten dienen te worden betaald. Ook de schadevergoedingsmaatregel zal telkens hoofdelijk aan verdachten worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 317 Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdzesenzestig (166) dagen.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot honderdtwintig (120) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis;

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 dagen hechtenis;

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 970,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer], voornoemd, [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 970,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2008, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 19 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voorzover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. T. Avedissian, voorzitter,

mr. L.M. Kos en mr. E.A. Minderhoud, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.L.A. van Leer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 mei 2009.

Mrs. Kos en Minderhoud zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.