Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI5832

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
29-05-2009
Zaaknummer
15/700885-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afpersing; medeplegen; toerekenbaarheid;

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een afpersing op de openbare weg, op klaarlichte dag. Verdachte heeft bij de beroving gebruik gemaakt van een door een medeverdachte aan hem ter hand gesteld mes. Nadat verdachte had waargenomen dat het slachtoffer zojuist gepind had, is hij op hem toegelopen, heeft het slachtoffer dreigend het mes getoond en op dreigende toon om geld gevraagd. Verdachte wordt verminderd toerekingsvatbaar beschouwd. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 317 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700885-08

Uitspraakdatum: 29 mei 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 mei 2009 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1984 [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord - Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 16 november 2008 te Purmerend tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten het Leeuwerikplein, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (totaal circa 190 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), hebbende en/of zijnde verdachte en/of zijn mededader(s) met bovenaangehaald oogmerk

- (dreigend) een mes in de richting van die [slachtoffer] gehouden en/of (daarbij) (dreigend) hem de woord(en) toegevoegd:"geld geld geld geef me je geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 16 november 2008 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen, op de openbare weg, te weten het Leeuwerikplein, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, totaal circa 190 euro, toebehorende aan die [slachtoffer], hebbende verdachte met bovenaangehaald oogmerk

- dreigend een mes in de richting van die [slachtoffer] gehouden en daarbij dreigend hem de woorden toegevoegd:"geld, geld, geld, geef me je geld".

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Ik was op 16 november 2008, samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], in Purmerend. We reden in de bus van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] reed. Ik zat naast [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] zat achterin. Ik zag een man bij een pinautomaat staan. In mijn hoofd hoorde ik een stem die zei: “beroof die man”. Ik heb dit tegen die twee anderen gezegd. Ik kreeg toen een mes van [medeverdachte 2]. Ik heb dat mes aangepakt en ben de bus uitgestapt en naar die man toegegaan. Ik had het mes in mijn hand en hield het een stukje van mij af. Ik vroeg die man om geld. De man schrok. Hij gaf mij € 190,00. Ik ben de bus weer ingegaan en heb verteld wat ik had gedaan. We reden verder naar een cocaïne dealer. Met het geld dat ik van die man had gestolen hebben we cocaïne gekocht en gebruikt.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (dossierpagina 045 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 16 november 2008 om ongeveer 13.00 uur ben ik gaan pinnen op het Leeuwerikplein in Purmerend. Ik liep terug naar mijn auto. Op het moment dat ik de linkervoordeur van mijn auto opendeed kwam er een man op mij aflopen. Ik zag dat de man een mes bij zich droeg. Ik zag dat hij met het mes in mijn richting wees en dat het mes op ongeveer een afstand van 50 tot 70 centimeter van mij af was. Hij zei tegen mij: geld, geld, geld, geef me je geld”. Ik schrok hier heel erg van. Ik voelde mij zeer bedreigd. Ik gaf hem op dat moment € 190,- . Ik zag dat de man wegrende naar een bus. Ik zag dat de man instapte in de bus. Ik zag dat er nog twee andere mannen in de bus zaten, een andere man achter het stuur en een man op de achterbank van de bus.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [medeverdacht 1] (dossierpagina 060 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Ik ben op 16 november 2008 samen met [verdachte] en [medeverdachte 2] in mijn bus naar Purmerend gereden. [medeverdachte 2] zei dat ik de auto moest stoppen. Ik hoorde dat [medeverdachte 2] tegen [verdachte] zei: “moet je mijn mes meenemen”. Ik zag dat [verdachte] uit de bus stapte. Na ongeveer twee minuten stapte [verdachte] weer in de bus en zei tegen mij: “rijden”. [verdachte] zei dat hij geld had. Hij zei dat hij het geld van iemand had gestolen. Hij zei dat hij tegen iemand had gezegd dat hij geld moest hebben. [verdachte] zei dat hij € 190,- had gestolen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] (dossierpagina 068 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 16 november zijn [medeverdachte 1], [verdachte] en ik met de bus van [medeverdachte 1] naar Purmerend gereden. [medeverdachte 1] reed. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij iemand wilde beroven. Ik zei, hier heb je een mes. Ik pakte een mes uit mijn broekzak en gaf dit aan hem. Ik zag dat [verdachte] uit de bus stapte en op een man afliep die kort daarvoor

gepind had. Ik heb [verdachte] bij de man zien staan. Toen [verdachte] weer in de bus stapte zei hij: dat is wel makkelijk aan geld komen. [verdachte] vertelde dat hij € 190,00 had. Van dit geld is cocaïne gekocht. Wij hebben alle drie een snuifje genomen.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarde van verplicht contact met de Brijder Stichting, ook als dat inhoudt behandeling bij Dijk en Duin.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vroeghulp interventierapport d.d. 19 november 2008, het voorlichtingsrapport van [reclasseringsmedewerker] van de Brijder Verslavingszorg d.d. 10 februari 2009 en het Pro Justitia rapport d.d. 6 april 2009 van S.R. van der Boom, psychiater, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een afpersing op de openbare weg, op klaarlichte dag. Verdachte heeft bij de beroving gebruik gemaakt van een door een medeverdachte aan hem ter hand gesteld mes. Nadat verdachte had waargenomen dat het slachtoffer zojuist gepind had, is hij op hem toegelopen, heeft het slachtoffer dreigend het mes getoond en op dreigende toon om geld gevraagd. Het slachtoffer is erg geschrokken.

Dit soort geweldsmisdrijven maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, meer in het bijzonder bij de directe slachtoffers daarvan. Slachtoffers dragen de psychische gevolgen ervan vaak nog lang mee. Dit blijkt ook uit de toelichting van het slachtoffer bij de vordering benadeelde partij. Daarin wordt vermeld dat het slachtoffer zich niet meer veilig voelt bij het geld pinnen en bang is dat het hem nog een keer zal overkomen, hij is tegenover vreemden angstiger en alerter geworden. Verdachte heeft zich ten tijde van het plegen van het strafbare feit van een en ander geen rekenschap gegeven.

Uit vorenbedoelde rapportage van psychiater S.R. van der Boom omtrent de persoon van verdachte komt onder meer het volgende naar voren. Bij verdachte was ten tijde van het plegen van het strafbare feit sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk schizofrenie van het paranoïde type en (onder andere) cocaïne- en alcoholafhankelijkheid. Er is sprake van anti-sociale trekken in de persoonlijkheid, waarschijnlijk verdiept door het schadelijke effect van de psychosen en drugs. Ten tijde van het tenlastegelegde was er sprake van “craving” (hunkering) naar cocaïne. Op de achtergrond speelde mee dat betrokkene een toename had van psychotische symptomen door vermindering van de medicatie en toename van cocaïnegebruik als zelfmedicatie. Tijdens psychotische episodes en na alcohol- en drugsgebruik is de kans op recidive het grootst. Problematische factoren hierbij zijn onder andere: geen adequate sociale steun, geen ziekte-inzicht, weinig ziektebesef, geen therapie/medicatietrouw, geldzorgen en schulden. Geadviseerd wordt om verdachte voor het ten laste gelegde indien bewezen te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld een verplicht reclasseringscontact respectievelijk een behandeling bij GGZ Dijk en Duin en een op verdachtes verslavingsproblematiek gerichte behandeling, met bij voorkeur een vaste behandelaar.

In het reclasseringsrapport van [reclasseringsmedewerker] wordt gezien het delictgedrag en recidiverisico een behandeling met betrekking tot de psychische problematiek en middelenafhankelijkheid noodzakelijk geacht. De Brijder adviseert een plan van aanpak vergelijkbaar met dat van voornoemde psychiater. Uit contact van de Brijder met GGZ Dijk en Duin is gebleken dat verdachte zijn behandeling aldaar kan hervatten.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Voorts gaat de rechtbank uit van een verminderde toerekenbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van het delict. In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank de ernst van en de omstandigheden rondom het bewezen verklaarde feit in acht (beroving met gebruikmaking van een mes op klaarlichte dag op de openbare weg).

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Daarnaast acht de rechtbank, ter voorkoming van het opnieuw plegen van strafbare feiten door verdachte, behandeling van zijn psychische klachten alsmede zijn verslavingsproblematiek noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 970,-ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De gestelde en niet bestreden schade bestaat uit enerzijds materiële schade, namelijk het geldbedrag ad € 190,- dat door het slachtoffer aan verdachte is afgegeven en anderzijds immateriële schade ad € 780,-. De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de schade billijk voor.

De rechtbank zal de vordering toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 970,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2008 als voornoemd.

Hoofdelijkheid

Bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde afpersing heeft gepleegd. Verdachte en zijn medeverdachte(n), voorzover terzake veroordeeld, hebben aldus samen onrechtmatig jegens de benadeelde partij gehandeld. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de toewijsbare vordering van de benadeelde partij hoofdelijk door verdachten dient te worden betaald. Ook de schadevergoedingsmaatregel zal telkens hoofdelijk aan verdachten worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 317 Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN (15) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot VIJF (5) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- de verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarden dat hij zich gedurende de proeftijd:

- zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Brijder verslavingszorg zolang die instelling dit nodig acht, ook als dat inhoudt een door de GGZ Brijder Verslavingszorg geïndiceerd behandelaanbod en dat

- verdachte zich actief zal inzetten bij een ambulante behandeling binnen de GGZ Dijk en Duin te Purmerend.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 970,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer], voornoemd, [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 970,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2008 als voornoemd, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 19 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voorzover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. T. Avedissian, voorzitter,

mr. L.M. Kos en mr. E.A. Minderhoud, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.L.A. van Leer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 mei 2009.

Mrs. Kos en Minderhoud zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.