Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI4871

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-05-2009
Datum publicatie
26-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/2403
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanzegging bestuursdwang tot verwijdering schepen. In geschil is of na een onderbreking van 10 maanden, toen het schip elders was afgemeerd, het opnieuw innemen van ligplaats dient te worden aangemerkt als voortgezet gebruik op grond van het overgangsrecht of dat het overgangsrecht is uitgewerkt. Standpunt van verweerder dat het overgangsrecht is uitgewerkt onvoldoende gemotiveerd. Toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 2403

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 mei 2009

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: E.P. Blaauw, juridisch adviseur te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder,

derde partijen

[derde partijen],

wonende te [woonplaats].

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2009 heeft verweerder verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast het innemen van ligplaatsen met het schip de [naam] en een werkschip aan [adres] te beëindigen vóór vrijdag 15 mei 2009 9.00 uur.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 13 mei 2009 bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 mei 2009 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij (tussen)uitspraak van 14 mei 2009 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 12 mei 2009 geschorst tot het tijdstip dat uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 mei 2009, alwaar verzoeker in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.N. Vrijman en mr. A. ten Bruin, werkzaam bij de gemeente Zaanstad. Voorts zijn verschenen [namen]

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker gelast zijn werkschip en het schip genaamd [naam] te verwijderen.

2.3 Ten aanzien van het werkschip, dat is genaamd [naam], overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.4 Niet bestreden, althans niet onderbouwd bestreden is dat het werkschip daar ligt in strijd met de relevante bestemmingsplanvoorschriften. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan te nemen dat het standpunt van verweerder ter zake voor onjuist moet worden gehouden. Verweerder is dan ook bevoegd handhavend op te treden. Gelet op de beginselplicht tot handhaving en bij gebreke van een concreet uitzicht op legalisatie en afwezigheid van bijzondere omstandigheden, heeft verweerder verzoeker niet ten onrechte aangeschreven het werkschip te verwijderen. Het verzoek om voorlopige voorziening zal dan ook slechts worden toegewezen voor wat betreft het werkschip in dier voege dat de begunstigingstermijn zal worden verlengd.

2.5 Ten aanzien van de [naam] overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.6 In geschil is onder meer of verweerder bevoegd is op te treden.

Bepalend daarbij is of het overgangsrecht van het geldende planologische regime, op basis waarvan de [naam] op de onderhavige locatie, aan de oostzijde van [lokatie], mocht liggen, is uitgewerkt ten gevolge van een onderbreking van het gebruik van deze locatie.

2.7 Een onderbreking van het gebruik betekent op zichzelf nog niet, dat dit gebruik na de hervatting ervan voor de toepassing van het overgangsrecht niet langer is aan te merken als voortgezet gebruik. Of daarvan sprake is hangt af van de duur en de oorzaak van de onderbreking en de door betrokkene getoonde intentie het gebruik voort te zetten.

2.8 In het thans bestreden besluit wordt in aanmerking genomen de duur van de afwezigheid van de [naam] op de ligplaats aan de oostzijde, te weten tien maanden, alsmede de aanwezigheid van een geschikte alternatieve ligplaats aan de westzijde van het water, een alternatief waarnaar bovendien de voorkeur van verweerder én van verzoeker uitgaat. Dit laatste is evenwel van geen enkel belang bij de beantwoording van de vraag of het overgangsrecht voor verzoeker is uitgewerkt. Dit geldt evenzeer voor het door verweerder veronderstelde ontbreken van een objectief belang van verzoeker om opnieuw ligplaats in te nemen aan de oostzijde.

2.9 Verweerder zal bij de beslissing op bezwaar alsnog dienen te toetsen aan de hiervoor onder 2.8 genoemde factoren die ingevolge de jurisprudentie ter zake van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van belang zijn.

2.10 De voorzieningenrechter heeft dienaangaande ter zitting geconstateerd dat verweerder en verzoeker van mening lijken te verschillen over de aanleiding voor en betekenis van de verplaatsing van het schip van de oostzijde naar de westzijde van het water in juli 2008, ter hoogte van de locatie [locatie], alsmede naar de reden voor de terugkeer van het schip naar de in geding zijnde locatie op 8 mei 2009 en de rol die de voorgenomen legalisering van de [naam] op de lo[locatie] daarbij al dan niet speelt. Voorts kent verweerder aan het naar verzoekers zeggen herhaald geuite standpunt dat hij zich zijn rechten onder het overgangsrecht wilde voorbehouden kennelijk een andere waarde toe dan verzoeker zelf.

2.11 Nu de primaire beslissing van verweerder mank gaat aan de motivering ter zake van de [naam] zal de voorzieningrechter dat besluit in zoverre schorsen op de na te melden wijze.

2.12 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het werkschip toe in dier voege dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot één week na de dag van verzending van deze uitspraak;

3.2 wijst het verzoek met betrekking tot het werkschip voor het overige af;

3.3 wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor wat betreft de [naam] toe in dier voege dat het besluit in zoverre wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar;

3.4 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--, te betalen door de gemeente Zaanstad aan verzoeker;

3.5 gelast dat de gemeente Zaanstad het door verzoeker betaalde griffierecht van € 288,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, en op 25 mei 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.