Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI4222

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-03-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/6828
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BK3634, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard bezwaar tegen een rechtsoordeel. Voor het overige ongegrond: er is geen sprake van strijdig gebruik van de gronden, nu niet kan worden geoordeeld dat de gronden structureel worden gebruikt als voetbalveld. Handhavingsverzoek terecht afgewezen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 6828

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2009

in de zaak van:

[namen eisers].,

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: G.C.E. van der Voort te Zaandam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft verweerder het verzoek om verwijdering van de speelinrichting aan het Hof van Holland/Hof van Blois en het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik daarvan als voetbalterrein afgewezen.

Hiertegen hebben eisers bij brief van 20 maart 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 september 2008 heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 23 oktober 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2008, alwaar namens eisers [naam 1] en [naam 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.J.M.J.J. Houben, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid.

2.1 Ingevolge artikel 1:2 Awb wordt onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende te worden aangemerkt dient er volgens vaste jurisprudentie sprake te zijn van een eigen belang; een persoonlijk belang en een rechtstreeks belang.

2.2 Gebleken is dat eisers [naam 1] met ingang van 25 maart 2008 verhuisd zijn naar een woning in een ander deel van Zaandam. De rechtbank stelt vast dat zij geen belang meer hebben bij een beslissing op het namens hen ingediende beroepschrift tegen het besluit tot plaatsing van een speelinrichting aan het Hof van Holland/Hof van Blois. Het beroep van eisers [naam 1] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het vorenstaande geldt niet voor het eveneens door eisers [naam 1] ingediende beroep tegen de weigering om aan eisers schadevergoeding te betalen. Dit beroep zal op een nader te bepalen datum in een afzonderlijke procedure bij deze rechtbank worden behandeld.

Nu de overige eisers wel direct belanghebbende zijn bij het bestreden besluit zal de rechtbank het beroep van deze eisers alsnog inhoudelijk behandelen.

2.3 In juli 2006 is een speelinrichting geplaatst aan het Hof van Holland/Hof van Blois in Zaandam. Eisers kunnen zich daarmee niet verenigen. Zij hebben verweerder er allereerst op gewezen dat er geen besluit aan de plaatsing van de speeltoestellen ten grondslag ligt en dat zonder een dergelijk besluit de speeltoestellen aldaar niet geplaatst hadden mogen worden. Eisers hebben verweerder daarom bij brief van 20 januari 2008 verzocht de speelinrichting te verwijderen. Voorts hebben zij verweerder bij diezelfde brief verzocht handhavend op te treden tegen het gebruik van de gronden aan het Hof van Holland/Hof van Blois als voetbalterrein.

2.4 Verweerder heeft het verzoek van eisers bij besluit van 14 maart 2008 afgewezen. Verweerder heeft daarin overwogen dat de speelinrichting conform het bestemmingsplan is gerealiseerd en dat daarvoor ook geen bouwvergunning vereist is. Het besluit tot aanleg van de speelvoorziening is voorts een besluit van algemene strekking waartegen geen bezwaar of beroep open staat. Er bestaat geen reden om handhavend op te treden ten aanzien van de speelinrichting omdat er geen sprake is van een overtreding. In bezwaar heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Hij heeft daarin bepaald dat het bezwaar niet-ontvankelijk is voor zover het is gericht tegen het door verweerder in het primaire besluit gegeven rechtsoordeel dat de aanwijzing van de speelinrichting geen besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) betreft. Voor zover het bezwaar er op gericht is op het verkrijgen van een voor beroep vatbare besluit voor de aanleg van de speelvoorziening wijst verweerder er (opnieuw ) op dat een besluit tot het aanwijzen van de speelinrichting moet worden aangemerkt als een besluit van algemene strekking. Voor zover het bezwaar is gericht tegen de weigering handhavend op te treden, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2.5 Hiertegen hebben eisers beroep aangetekend. Daarbij hebben zij het volgende aangevoerd. De speelinrichting is onrechtmatig geplaatst, omdat voorafgaand aan de plaatsing geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb is genomen. Voorts had ten behoeve van de aanleg van de speelinrichting het bestemmingsplan nader moeten worden uitgewerkt zoals omschreven in artikel 11 wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Verweerder heeft ten onrechte de Speelplaatsennotitie toegepast, omdat die ten tijde van het plaatsen van de speelinrichting nog geen rechtskracht had. Eisers hebben voorts aangevoerd dat de gronden waarop gevoetbald wordt daarvoor niet zijn bestemd en dat dit gebruik zo structureel en intensief is dat dit als met de bestemmingsplan voorschriften strijdig gebruik moet worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Rosmolenwijk’. Aan de gronden waarop de speelinrichting is gerealiseerd, is de bestemming “Verblijfsdoeleinden groen” gegeven. Op deze gronden zijn op grond van artikel 18, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften onder meer speeltoestellen toegelaten. De speel-inrichting is derhalve niet in strijd met het bestemmingsplan geplaatst. Anders dan eisers is de rechtbank van oordeel dat het bestemmingsplan op dit punt niet nader behoeft te worden uitgewerkt, omdat het bestemmingsplan niet voorziet in een uitwerkingsbevoegdheid. Voorts betreft het hier speeltoestellen van lager dan 3 meter, waarvoor geen bouwvergunning is vereist, hetgeen in beroep ook niet wordt betwist.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het vorenstaande, in het bestreden besluit terecht overwogen dat voor het aanwijzen van de speelinrichting geen afzonderlijk besluit in de zin van artikel 1:3 Awb noodzakelijk was. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (o.a. in haar uitspraak van 18 augustus 2004, LJN:AQ7004) heeft overwogen, kan een oordeel van een bestuursorgaan over de vraag of voor het verrichten van een bepaalde handeling een vergunning is vereist, niet als een publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb worden aangemerkt. In het onderhavige geval heeft verweerder daarom eveneens terecht beslist dat tegen het door hem gegeven rechtsoordeel over de plaatsing van de speelinrichting geen bezwaar kon worden gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar, voor zover gericht tegen dat rechtsoordeel, derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Hetgeen verweerder overigens heeft overwogen ten aanzien van de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen de aanleg van de omstreden speelinrichting kan naar het oordeel van de rechtbank daarom onbesproken worden gelaten.

2.8 Nu uit het vorenstaande volgt dat de speeltoestellen niet in strijd met enig voorschrift zijn geplaatst heeft verweerder op goede gronden geweigerd om de speeltoestellen te verwijderen.

2.9 Tenslotte dient de rechtbank nog te oordelen over de stelling van eisers dat er sprake is van strijdig gebruik van de gronden, omdat deze structureel en intensief worden gebruikt om op te voetballen. Daartoe verwijzen eisers naar een uitspraak van de ABRvS van 13 juni 2007 (LJN: BA7046) waarin de Afdeling heeft bepaald dat het intensieve gebruik van de betrokken gronden als voetbalveld strijdig is met de daarop rustende bestemming “Groenvoorzieningen”. De Afdeling heeft daarbij van belang geacht dat verschillende volwassenen wekelijks op een vast tijdstip voetbalwedstrijden op die gronden spelen. De ruimtelijke uitstraling van dit structurele gebruik voor sportbeoefening kan gelet op de aard, omvang en intensiteit daarvan niet passend worden geacht bij de bestemming “Groenvoorziening” en daarom is het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. In de onderhavige beroepsprocedure is weliswaar sprake van voetballen op en rond de aangelegde speelinrichting, maar is er geen sprake van een structureel gebruik voor sportbeoefening, zoals in de uitspraak van de Afdeling het geval was. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijdig gebruik van de gronden, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat handhavend op te treden.

Dit betekent echter niet dat de omwonenden, waaronder eisers, geen overlast ervaren. Ter zitting heeft verweerder ook niet ontkend dat er problemen zijn. Verweerder heeft daarbij toegezegd nog eens te zullen onderzoeken op welke wijze de overlast kan worden aangepakt, een en ander zo mogelijk in samenspraak met de omwonenden.

2.10 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning - Huydecoper, rechter, en op 16 maart 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.