Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI3828

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-04-2009
Datum publicatie
15-05-2009
Zaaknummer
15/700604-08 en 15/710060-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige; berechting volgens volwassenenstrafrecht; brandstichting; vernieling; verminderd toerekeningsvatbaar;

De rechtbank berecht verdachte ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten volgens het volwassenenstrafrecht. Ten tijde van het plegen van enkele feiten was verdachte nog minderjarig. Verdachte heeft zich over een langere periode schuldig gemaakt aan een reeks brandstichtingen, die in het laatste jaar in frequentie toenamen. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de vernieling van een oliebollenkraam. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 250 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Wetboek van Strafrecht: artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 36f, 77 b, 157, 350.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700604-08 en 15/710060-09

Uitspraakdatum: 28 april 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 april 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 4 augustus 2008 tot en met 13 augustus 2008 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in een of meer coniferenha(a)g(en) (behorende bij het/de pand(en) gelegen aan 1. het [adres 1] (zaak 1) en/of 2. de [adres 2] (zaak 2) en/of 3. de [adres 3] (zaak 3), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) opzettelijk de vlam van een aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een tak van) een of meer coniferenha(a)g(en), althans (telkens) met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die coniferenha(a)g(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan, terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor de/het pand(en) gelegen aan 1. het [adres 1]] en/of 2. de [adres 2] en/of 3. de [adres 3] en/of de daarin/daaraan aanwezige goederen/zaken en/of een of meerdere aangrenzende/belendende pand(en), in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in en/of in de omgeving van voornoemd(e) pand(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval (telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 11 augustus 2007 te Uitgeest tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een coniferenhaag (behorende bij het bedrijfspand gelegen aan de [adres 4] (zaak 4)), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk de vlam van een aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die coniferenhaag, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die coniferenhaag geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het bedrijfspand gelegen aan de [adres 4] en/of daarin/daaraan aanwezige goederen/zaken en/of de zich op het terrein van dat bedrijfspand bevindende zuurstoftank en/of een of meerdere aangrenzende/belendende bedrijfspand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in en/of in de omgeving van die/dat bedrijfspand(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

3.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en met 3 augustus 2008 te Heemskerk en/of te Wijk aan Zee, (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in een of meer coniferenha(a)g(en) (behorende bij het/de pand(en) gelegen aan 1. de [adres 5] te Heemskerk (zaak 5), 2. het [adres 6] te Heemskerk (zaak 6), de [adres 7] te Heemskerk (zaak 7) en/of helmgras (in de duinen bij Wijk aan Zee (zaak 13)), immers heeft verdachte toen aldaar (telkens) opzettelijk de vlam van een aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een tak van) een of meer coniferenha(a)g(en) en/of dat helmgras, althans (telkens) met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die coniferenha(a)g(en) en/of dat helmgras (telkens) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan, terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor de/het pand(en) gelegen aan 1. de [adres 5] te Heemskerk en/of 2.het [adres 6] te Heemskerk en/of 3. de [adres 7] te Heemskerk en/of de daarin/aanwezig goederen/zaken en/of een of meerdere aangrenzende/belendende pand(en) en/of de duinen te Wijk aan Zee, in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in en/of in de omgeving van voornoemd(e) pand(en) en/of duinen bevindende perso(o)n(en), in elk geval (telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

4.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 1 mei 2008 te Heemskerk, (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in een coniferenhaag (behorende bij het pand gelegen aan de [adres 8] te Heemskerk (zaken 8, 9 en 10)), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de vlam van een aansteker, in elk geval (telkens) opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een tak van) van een coniferenhaag, althans (telkens) met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die coniferenhaag (telkens) geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan, terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor het pand en/of de daarbij behorende tuin, gelegen aan de [adres 8] te Heemskerk en/of de daarin/daaraan aanwezige goederen/zaken en/of een of meer aangrenzende/belendende pand(en) en/of een kippenhok, in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in en/of in de omgeving van genoemd pand en/of de bijbehorende tuin bevindende perso(o)n(en), in elk geval (telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

5.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 juni 2005 tot en met 8 september 2007 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in een of meer coniferenha(a)g(en) en/of een struik (behorende bij het/de (bedrijfs)pand(en) gelegen aan 1. de [adres 9] te Heemskerk (zaken 11 en 14) en/of 2. de [adres 10] te Heemskerk (zaak 12), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) opzettelijk de vlam van een aansteker en/of een brandende sigaret, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een tak van) een of meer coniferenha(a)g(en) en/of een struik, althans (telkens) met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die coniferenha(a)g(en) en/of die struik (telkens) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan, terwijl daarvan (telkens) gemeen gevaar voor de/het pand(en) gelegen aan 1. de [adres 9] te Heemskerk en/of 2. de [adres 10] te Heemskerk en/of de daarin/daaraan aanwezig goederen/zaken en/of een of meerdere aangrenzende/belendende pand(en) en/of terrasschermen, in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de omgeving van genoemd(e) pand(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval (telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

6.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 16 september 2007 te Uitgeest en/of Heemskerk en/of Beverwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk brand heeft gesticht in een conifeer (behorende bij een bedrijfspand gelegen aan de [adres 11] te Uitgeest (zaak 15)) en/of een coniferenhaag (behorende bij een pand gelegen aan de [adres 12] te Heemskerk (zaak 16)) en/of een container (behorende bij het tenniscomplex van tennisvereniging DEM, gevestigd aan de [adres 13] te Beverwijk (zaak 17)), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) opzettelijk de vlam van een aansteker en/of een brandende fakkel, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een tak van) die conifeer en/of (een tak van) die coniferenhaag en/of (de inhoud van) die container, althans (telkens) met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die conifeer en/of die coniferenhaag en/of die container (telkens) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor de/het pand(en) gelegen aan de [adres 11] te Uitgeest en/of de [adres 12] te Heemskerk en/of het tenniscomplex van tennisvereniging DEM, gelegen aan de [adres 13] te Beverwijk en/of de daarin/daaraan aanwezige goederen/zaken en/of een of meerdere aangrenzende/belendende pand(en), in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in en/of in de omgeving van voornoemd(e) pand(en) en/of tenniscomplex bevindende perso(o)n(en), in elk geval (telkens) levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Parketnummer 710060-09

hij op of omstreeks 11 november 2008 te Heemskerk opzettelijk en wederrechtelijk de luifel en/of de (toegangs) deur, althans een onderdeel, van een oliebollenkraam, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 14], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk een (ijzeren) stang van de luifel van die oliebollenkraam getrokken en/of (vervolgens) met die stang tegen de (toegangs) deur van die oliebollenkraam geslagen en/of de beveiligingsstang van de (toegangs) deur van die oliebollenkraam verbogen/krom gebogen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 4 augustus 2008 tot en met 13 augustus 2008 te Beverwijk, telkens opzettelijk brand heeft gesticht in coniferenhagen behorende bij de panden gelegen aan het [adres 1] (zaak 1) en de [adres 2] (zaak 2) en de [adres 3] (zaak 3), immers heeft verdachte toen aldaar telkens opzettelijk de vlam van een aansteker in aanraking gebracht met een coniferenhaag, ten gevolge waarvan die coniferenhaag telkens geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan telkens gemeen gevaar voor goederen (zaken 1, 2 en 3), en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in het pand aan de [adres 3] bevindende personen, te duchten was;

2.

hij op 11 augustus 2007 te Uitgeest, opzettelijk brand heeft gesticht in een coniferenhaag behorende bij het bedrijfspand gelegen aan de [adres 4] (zaak 4), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de vlam van een aansteker in aanraking gebracht met die coniferenhaag, ten gevolge waarvan die coniferenhaag geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de zich op het terrein van dat bedrijfspand bevindende zuurstoftank te duchten was;

3.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juli 2008 tot en met 3 augustus 2008 te Heemskerk en te Wijk aan Zee, telkens opzettelijk brand heeft gesticht in coniferenhagen behorende bij de panden gelegen aan de [adres 5] te Heemskerk (zaak 5), het [adres 6]] te Heemskerk (zaak 6), de [adres 7] te Heemskerk (zaak 7) en helmgras in de duinen bij Wijk aan Zee (zaak 13), immers heeft verdachte toen aldaar telkens opzettelijk de vlam van een aansteker, in aanraking gebracht met een coniferenhaag of dat helmgras, ten gevolge waarvan die coniferenhaag of dat helmgras telkens geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan (in zaak 7) gemeen gevaar voor het pand gelegen aan de [adres 5] te Heemskerk en de daarin aanwezige goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemd pand bevindende personen, (in zaak 13) gemeen gevaar voor de duinen te Wijk aan Zee, en (in de zaken 5 en 6) gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

4.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 november 2007 tot en met 1 mei 2008 te Heemskerk, telkens opzettelijk brand heeft gesticht in een coniferenhaag behorende bij het pand gelegen aan de [adres 8] te Heemskerk (zaken 8, 9 en 10), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de vlam van een aansteker, in aanraking gebracht met een coniferenhaag, ten gevolge waarvan die coniferenhaag telkens geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan telkens gemeen gevaar voor het pand en de daarbij behorende tuin, gelegen aan de [adres 8] te Heemskerk en de daarin aanwezige goederen en een kippenhok en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in genoemd pand bevindende personen, te duchten was;

5.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juni 2005 tot en met 8 september 2007 te Heemskerk, telkens opzettelijk brand heeft gesticht in coniferenhagen behorende bij de panden gelegen aan de [adres 9] te Heemskerk (zaken 11 en 14) en de [adres 10] te Heemskerk (zaak 12), immers heeft toen aldaar telkens opzettelijk de vlam van een aansteker of een brandende sigaret, in aanraking gebracht met een coniferenhaag, ten gevolge waarvan die coniferenhaag geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan (in zaken 12 en 14) gemeen gevaar voor goederen en (in zaak 11) terrasschermen te duchten was;

6.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 16 september 2007 te Uitgeest en Heemskerk en Beverwijk, telkens opzettelijk brand heeft gesticht in een conifeer behorende bij een bedrijfspand gelegen aan de [adres 11] te Uitgeest (zaak 15) en een coniferenhaag behorende bij een pand gelegen aan de [adres 12] te Heemskerk (zaak 16) en een container behorende bij het tenniscomplex van tennisvereniging DEM, gevestigd aan de [adres 13] te Beverwijk (zaak 17), immers heeft verdachte toen aldaar telkens opzettelijk de vlam van een aansteker of een brandende fakkel, in aanraking gebracht met die conifeer en coniferenhaag en de inhoud van die container, ten gevolge waarvan die conifeer en die coniferenhaag en die container telkens geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Parketnummer 710060-09

hij op 11 november 2008 te Heemskerk opzettelijk en wederrechtelijk de luifel en de toegangsdeur van een oliebollenkraam, toebehorende aan [aangever 14], heeft vernield en beschadigd en onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk een ijzeren stang van de luifel van die oliebollenkraam getrokken en vervolgens met die stang tegen de toegangsdeur van die oliebollenkraam geslagen en de beveiligingsstang van de toegangsdeur van die oliebollenkraam krom gebogen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

T.a.v. feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] (zaak 1);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] (zaak 2);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] (zaak 3);

- met betrekking tot zaak 3: het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 augustus 2008.

T.a.v. feit 2:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 4];

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 augustus 2008;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 1].

T.a.v. feit 3:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 5] (zaak 5);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 6] (zaak 6);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van brandonderzoek d.d. 4 augustus 2008;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 7] (zaak 7);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van brandonderzoek d.d. 3 augustus 2008.

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 augustus 2008 (zaak 13).

T.a.v. feit 4:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 8] d.d. 1 mei 2008 (zaak 8);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2008;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 8] d.d. 26 december 2007 (zaak 9);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 9] (zaak 10).

Ten aanzien van feit 5, zaak 12:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [aangever 10], inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Aangever verklaart dat er langs het tuincentrum [tuincentrum] aan de [adres 10] te Heemskerk een coniferenhaag van ongeveer 50 meter loopt. Op 7 september 2007 omstreeks 18.00 uur is het tuincentrum intact afgesloten. Op 8 september 2007 omstreeks 9.00 uur werd ontdekt dat de coniferenhaag voor een groot deel was verbrand. Achter de haag stond een afdak waar tuinhout in ligt opgeslagen. Het afdak was voorzien van golfplastic. Het vuur had zo kunnen overslaan naar genoemd afdak en dan was de schade vele malen groter geweest. Er was gemeen gevaar voor goederen aanwezig. De coniferenhaag moest geheel vervangen worden. De schade wordt geschat op ongeveer € 3.000.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte van 16 augustus 2008, 10.17 uur, waarin verdachte bekent ongeveer een jaar geleden brand te hebben gesticht bij tuincentrum [tuincentrum] aan de [adres 10]. Hij heeft de haag met zijn aansteker aangestoken. Die haag was heel droog en ging erg makkelijk in brand. De haag stond aan de rechterzijde van de hoofdingang.

T.a.v. feit 5, zaken 11 en 14:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 11] (zaak 11);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [getuige 2];

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 augustus 2009 (zaak 14).

T.a.v. feit 6:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 12] (zaak 15);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 september 2007 (zaak 16);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 13] (zaak 17).

T.a.v. parketnummer 15/710060-09:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever 14].

3.3 Bewijsoverweging

Ten aanzien van zaak 12 (feit 5) heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren op de [adres 10] te Heemskerk brand te hebben gesticht. Hij heeft hierbij verklaard zich bij de politie onder druk te hebben gevoeld om dit feit te bekennen.

Hiertoe overweegt de rechtbank dat verdachte in zijn verklaring bij de politie als reactie op algemeen gestelde, open vragen een aantal specifieke details van deze brandstichting heeft beschreven. Het proces-verbaal van dat verhoor geeft geen aanleiding te vermoeden dat verdachte deze brandstichting onder druk zou hebben bekend en ook overigens is dit niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft ook een andere brandstichting, hoewel daarover door de politie ondervraagd, niet bekend. De rechtbank hecht dan ook meer waarde aan die (bekennende) verklaring van verdachte dan aan zijn verklaring ter terechtzitting, temeer daar toen verdachte die verklaring aflegde, minder tijd was verstreken nadat de brand had plaatsgevonden, dan ten tijde van zijn verklaring ter terechtzitting.

Ten aanzien van zaak 14 heeft verdachte verklaard dat hij de brand niet opzettelijk heeft aangestoken, maar dat hij een sigarettenpeuk in een struik, waaronder het gortdroog was, heeft geschoten, waardoor de boel per ongeluk in de fik ging.

De rechtbank overweegt echter dat verdachte zich op grond van algemene ervaringsregels bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat door deze handelswijze een brand zou ontstaan. Door de peuk desondanks in de struik te schieten, waaronder de grond gelet op de eigen verklaring van verdachte gortdroog was, en vervolgens weg te gaan heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op het ontstaan van brand aanvaard. De rechtbank acht dan ook voorwaardelijk opzet op die brandstichting bewezen.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd,

en

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd

en

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 6:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van parketnummer 15/710060-09:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen en onbruikbaar maken.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake van het deel van de feiten die hij heeft gepleegd toen hij minderjarig was (de feiten 2, 5 en 6), zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen jeugddetentie. Terzake van de feiten die verdachte heeft gepleegd toen hij meerderjarig was (de feiten 1, 3 en 4 en de zaak met parketnummer 15/710060-09), heeft zij gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Voorts heeft zij geëist dat de vorderingen van benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 4] geheel zullen worden toegewezen en dat de vordering van benadeelde partij [aangever 8] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 8.275, waarbij rekening is gehouden met het bedrag dat door de verzekering vergoed is, alle met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte heeft zij gevorderd dat de benadeelde partijen [aangever 7], [aangever 6] en [aangever 2] niet ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vordering. De schadeclaim van [aangever 11] is blijkens de brief ingetrokken.

6.2 Hoofdstraf

De rechtbank zal verdachte ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten volgens het volwassenenstrafrecht berechten, nu verdachte ten tijde van het plegen van het merendeel van de feiten meerderjarig was en voor zover hij ten tijde van het plegen van een aantal feiten minderjarig was, verdachte reeds bijna meerderjarig was. De rechtbank heeft hierbij tevens acht geslagen op de ernst van het feit. Verdachte is nadat hij meerderjarig is geworden op dezelfde voet doorgegaan met het plegen van brandstichtingen en is deze feiten steeds sneller na elkaar gaan plegen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is ook gebleken dat de problematiek van verdachte die op het plegen van de delicten van invloed is geweest, feitelijk hetzelfde is geweest, zowel ten tijde van de feiten gepleegd tijdens de minderjarigheid van verdachte als ten tijde van de meerderjarigheid. Er is daarbij ten aanzien van verdachte, zo is tijdens de behandeling ter terechtzitting gebleken, geen onderscheid te maken in beweegredenen, de handelingen zelf en het zich bewust zijn van het strafwaardige van de handelingen. Op grond hiervan is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voortdurend geheel aan handelingen waarbij het zwaartepunt ligt in de periode dat verdachte meerderjarig was.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het Pro Justitia rapport van drs. R. Brandsma, kinder- en jeugdpsychiater, d.d. 17 januari 2009 en de adviesrapporten van Reclassering Nederland d.d. 23 januari 2009 en 10 april 2009.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich over een langere periode schuldig gemaakt aan een reeks brandstichtingen, die in het laatste jaar in frequentie toenamen. In het merendeel van de gevallen heeft hij met zijn aansteker coniferenhagen – waarvan hij wist dat ze gemakkelijk in brand te steken waren – nabij huizen in brand gestoken. Door deze branden is er gevaar voor personen en/of goederen alsmede ook concrete schade aan goederen ontstaan.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij meerdere branden in de nachtelijke uren heeft gesticht, terwijl mensen met jonge kinderen in de nabijgelegen huizen sliepen. Eén gezin is zelfs driemaal slachtoffer geworden van de brandstichtingen. Tenslotte heeft verdachte ook éénmaal een haag in brand gestoken waarachter een zuurstoftank stond, waardoor er groot gevaar ontstond voor een zware ontploffing.

Dit zijn zeer ernstige feiten, die mensen veel angst en schade hebben toegebracht en die voor aanzienlijke onrust in de omgeving hebben gezorgd.

Voorts heeft verdachte zich daarnaast schuldig gemaakt aan de vernieling van een oliebollenkraam door een stang van de kraam af te trekken en hiermee schade toe te brengen aan de toegangsdeur. Dit is een ergerlijk feit, waardoor de gedupeerde schade heeft geleden.

Bij de op te leggen straf zal de rechtbank rekening houden met het rapport van drs. Brandsma, waarin wordt geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de impulsbeheersing in de vorm van pyromanie. Voorts is er sprake van alcoholmisbruik, ouder-kind relatieproblemen, een identiteitsprobleem en een levensfaseprobleem bij een achterstand in de persoonlijkheidsontwikkeling die onrijp is en waarvan de verdere ontwikkeling bedreigd wordt. Op grond hiervan is verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Voorts wordt gesteld dat de kans op recidive zeer hoog wordt geschat indien de stoornis niet wordt behandeld, de persoonlijkheidsontwikkeling niet gestimuleerd wordt en de stressvolle omstandigheden gelijk blijven. Daarbij speelt ook alcoholmisbruik een rol. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt hem tot de hare.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplichte begeleiding door Reclassering Nederland noodzakelijk, ook omdat in dat kader uitvoering kan worden gegeven aan behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling te Heiloo of een soortgelijke instelling. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf worden verbonden. Gelet op de complexe problematiek van verdachte acht de rechtbank een proeftijd van drie jaren noodzakelijk. Overigens is verdachte, zo is de rechtbank gebleken, gemotiveerd tot behandeling en heeft de aanmelding bij de FPA reeds plaatsgevonden.

6.3 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 1.278,80 wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit het uitgraven en vervangen van verbrande coniferen en het vergoeden of hervullen van twee brandblussers.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De benadeelde partij [bedrijf aangever 4] heeft zich gesteld als benadeelde partij en een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 7.951,23 wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 2 tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit het uitgraven en vervangen van verbrande coniferen, herstel van hekwek, het vullen van de zuurstoftank en vergoeding van brandblussers.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 5.712,03 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook tot genoemd bedrag worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Voor het overige dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

De benadeelde partij [aangever 8] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 16.275 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 4 tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze vordering niet van eenvoudige aard is, zodat de vordering zich niet leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

De vorderingen van benadeelde partij [aangever 7] verklaart de rechtbank niet ontvankelijk, nu er alsnog een regeling met verdachte getroffen is de schade te vergoeden. De vordering van [aangever 6] beschouwt de rechtbank als niet ingediend. De vordering van [aangever 11] is inmiddels ingetrokken. Ook de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] beschouwt de rechtbank als te zijn ingetrokken.

6.4 Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij [aangever 1] en [bedrijf aangever 4] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] is toegewezen, te weten € 1.278,80 en tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij [bedrijf aangever 4] is toegewezen, te weten € 5.712,03.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 36f, 77 b, 157, 350.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 250 dagen, met bevel dat een gedeelte groot 180 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, thans in de persoon van [reclasseringswerker], zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt dat verdachte deel zal nemen aan een behandeling bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling te Heiloo.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 200 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 100 dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [aangever 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.278,80 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [aangever 1], voornoemd, [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.278,80, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de

verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [bedrijf aangever 4] geleden schade tot een bedrag van € 5.712,03 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [bedrijf aangever 4], voornoemd, [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf aangever 4] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.712,03, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 63 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de

verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [aangever 8] en de benadeelde partij [aangever 7] niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis van de verdachte.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.F. Ferdinandusse, voorzitter,

mr. Ph. Burgers en mr. F.G. Hijink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. Alexander,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 april 2009.

Mr. Hijink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.