Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI3326

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-05-2009
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
AWB 09/1214, AWB 09/1486, AWB 09/1491 & AWB 09/1492
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoekster en haar minderjarige dochter hebben geen rechtmatig verblijf in Nederland. Om die reden vallen zij niet onder de kring van rechthebbenden op een WWB-uitkering. Dat verzoekster vreemdelingrechtelijk nog een procedure heeft lopen in het kader van het buitenschuldcriterium maakt het voorgaande niet anders. Er is geen aanleiding om in het geval van verzoekster het zogeheten koppelingsbeginsel niet toe te passen. Hetzelfde geldt voor verzoeksters minderjarige dochter. Tot slot kan verzoeksters beroep op een aantal internationaalrechtelijke bepalingen haar niet baten. Verzoeksters beroep is ongegrond en de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 1214, 09-1486, 09-1491 en 09-1492 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2009

in de zaken van:

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

alsmede haar minderjarige dochter [naam dochter],

gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft verweerder de op 11 augustus 2008 gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) buiten behandeling gesteld, omdat verweerder over onvoldoende gegevens beschikte om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 3 september 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 februari 2009 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag om een WWB-uitkering alsnog inhoudelijk afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 5 maart 2009 beroep ingesteld.

Op 18 september 2008 heeft verzoekster opnieuw bij verweerder verzocht om toekenning van een WWB-uitkering. Eveneens op 18 september 2008 heeft verzoekster afzonderlijk ten behoeve van haar minderjarige dochter [naam dochter] bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van een WWB-uitkering.

Bij brieven van 2 maart 2009 heeft verzoekster bezwaar gemaakt wegens het niet tijdig beslissen door verweerder op deze aanvragen.

Bij brief van 16 maart 2009 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij aparte besluiten van 27 maart 2009 alsnog beslist op voormelde aanvragen. De aanvragen zijn beide afgewezen.

Omdat sprake is van verschillende besluiten, is eveneens sprake van verschillende verzoeken om voorlopige voorziening.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 27 april 2009, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door R. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het nu voorliggende beroep verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.3 Verzoekster is afkomstig uit Ethiopië en heeft, volgens eigen verklaring, een Ethiopische vader en een Eritrese moeder. Op 23 april 2001 heeft zij in Nederland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen. Op 27 september 2004 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel: “buiten schuld niet uit Nederland”. Bij besluit van 19 maart 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie deze aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend, maar heeft vanaf 1 april 2008 geen verblijfstitel meer. Op 31 augustus 2008 is verzoekster bevallen van een dochter, [naam dochter]. Verzoekster en haar dochter ontvangen per week in totaal € 57,-- leefgeld van Stem in de Stad.

Op 11 augustus 2008 heeft verzoekster bij verweerder een WWB-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag is aanvankelijk buiten behandeling gesteld. Bij de beslissing op bezwaar is verweerder van deze buitenbehandelingstelling teruggekomen. Verzoeksters aanvraag is alsnog inhoudelijk beoordeeld en vervolgens afgewezen. Op 18 september 2008 hebben verzoekster en haar dochter opnieuw verzocht om toekenning van een WWB-uitkering. De aanvragen zijn door verweerder ingenomen op 13 oktober 2008. Beide aanvragen zijn afgewezen, omdat verzoekster en haar dochter [naam dochter] niet behoren tot de kring van rechthebbenden op een WWB-uitkering, aangezien verzoekster en haar dochter geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben.

2.4 Verzoekster kan zich met de bestreden besluiten niet verenigen. Verzoekster geeft aan dat zij vergeefse pogingen heeft ondernomen om naar haar land van herkomst terug te keren. Omdat dat niet is gelukt, kan zij Nederland niet verlaten. Hetzelfde geldt voor haar dochter [naam dochter]. Ter zitting heeft verzoekster hieraan toegevoegd dat zij in Nederland wordt gedoogd zolang haar procedure inzake haar “buiten schuld” aanvraag nog in behandeling is. Omdat verweerder niet tot uitzetting overgaat, wordt haar verzoek om een voorlopige voorziening in haar “buiten schuld” zaak niet in behandeling genomen. Daarom heeft zij geen officiële verblijfstitel meer. Verzoekster wijst erop dat haar dochter door de Staat welbewust is geaccepteerd. Zij staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Volgens verzoekster heeft de staatssecretaris van Justitie op 19 maart 2008 een apert onjuist besluit genomen. Verzoekster heeft alles wat door de IND geëist wordt, gedaan om haar terugkeer te bewerkstelligen, echter tevergeefs. Verzoekster wijst voorts op artikelen uit diverse internationale verdragen. Volgens verzoekster is verweerder op grond hiervan gehouden om de rechten en het welzijn van verzoekster en haar dochter hier te lande te waarborgen. Dit laat verweerder ten onrechte na, aldus verzoekster. Tot slot verzoekt zij om een WWB-uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Zij stelt een spoedeisend belang te hebben bij een voorlopige voorziening, omdat zij in een financiële noodsituatie verkeert.

2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het koppelingsbeginsel aan bijstandsverlening in de weg staat, nu verzoekster en haar dochter niet beschikken over een geldige verblijfstitel. Voorts kan verzoekster zich er niet op beroepen dat zij buiten haar schuld niet kan terugkeren naar het land van herkomst. In dit verband wijst verweerder op het besluit van 19 maart 2008 van de staatssecretaris van Justitie. Ter zitting heeft verweerder aangegeven, dat dit besluit voor hem het uitgangspunt is. Volgens verweerder is toepassing van het koppelingsbeginsel voor hem in het geval van verzoekster en haar dochter gerechtvaardigd.

2.6 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.7 Artikel 11, eerste tot en met derde lid, WWB luidt:

1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG. .

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande verblijvende vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

2.8 In artikel 16, eerste lid, WWB is bepaald dat aan een persoon die geen recht heeft op bijstand, het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

In het tweede lid is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.

2.9 Vaststaat dat verzoekster en haar minderjarige dochter op de data van hun aanvragen om bijstand niet beschikten over de Nederlandse nationaliteit en dat zij toen evenmin hier te lande rechtmatig verblijf hielden.

2.10 De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat het vaststellen van een eventueel verblijfsrecht van verzoekster en haar dochter primair een verantwoordelijkheid is van de staatssecretaris van Justitie. Bij besluit van 19 maart 2008 heeft deze staatssecretaris vastgesteld dat verzoekster na bekendmaking van dit besluit niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Voor zover verzoekster stelt dat verweerder zich zelfstandig een oordeel dient te vormen over de (on)rechtmatigheid van het verblijf van verzoekster in Nederland, kan zij hierin niet worden gevolgd. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder mocht afgaan op het oordeel van de in dezen bevoegde autoriteit.

2.11 Vervolgens acht de voorzieningenrechter de omstandigheid dat verzoekster hier te lande wordt gedoogd en het voorlopigevoorzieningsverzoek van verzoekster in haar procedure tegen de staatssecretaris van Justitie daarom buiten haar schuld niet in behandeling wordt genomen, geen grond om verzoekster te behandelen als ware zij in het bezit van een officiële verblijfstitel. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de uitkomst van de door haar ingestelde voorlopigevoorzieningsprocedure allerminst zeker is, zodat anticiperen op de beslissing niet mogelijk is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van verzoekster ligt om haar verzoek om voorlopige voorziening in de “buiten schuld” procedure opnieuw aan de orde te stellen en daarbij te wijzen op haar belang bij een officiële verblijfstitel onder andere in de onderhavige procedure.

2.12 De voorzieningenrechter is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat verzoekster geen rechthebbende is in de zin van artikel 11 van de WWB. Verzoekster heeft gesteld dat in haar geval het zogeheten koppelingsbeginsel (neergelegd in artikel 16, tweede lid, WWB) buiten toepassing had moeten worden gelaten. De doelstelling van dit beginsel is: het wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen, hetgeen immers een aanzet kan vormen tot voortzetting van, in beginsel, wederrechtelijk verblijf en uiteindelijk kan leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de verblijfspositie betreft; dit mede ter ondersteuning van een consistent vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot doel heeft degenen die geen toelating verkrijgen het land te doen verlaten. Er is gelet hierop en ook anderszins geen reden om in het geval van verzoekster te oordelen dat toepassing van het koppelingsbeginsel achterwege zou moeten blijven.

2.13 Verzoekster heeft ook afzonderlijk ten behoeve van haar minderjarige dochter [naam dochter] een WWB-uitkering aangevraagd. Anders dan verzoekster meent, kan niet worden gezegd dat de Nederlandse staat welbewust heeft aanvaard dat verzoeksters dochter gedurende een zekere tijd in Nederland verblijft. Immers, verzoekster beschikt sinds eind maart 2008 niet over een verblijfsstatus in Nederland. Ook haar dochter heeft een dergelijke status niet. Inschrijving in de GBA maakt dit niet anders. Voorts kan er niet aan worden voorbijgegaan dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ingevolge zijn vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van 24 januari 2006, geplaatst op rechtspraak.nl onder LJN: AV0197) de toepassing van het koppelingsbeginsel op kinderen die niet rechtmatig hier te lande verblijven, ook tegen de achtergrond van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), in beginsel een evenredig middel acht ter verwezenlijking van voormelde doelstelling van de koppelingswetgeving.

2.14 De bepalingen van internationale verdragen waarnaar verzoekster in haar beroep verwijst, kunnen voorts niet leiden tot een ander oordeel. De door verzoekster aangehaalde artikelen 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en 11 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) zijn ingevolge ter zake vaste jurisprudentie van de CRvB geen bepalingen die een ieder kunnen verbinden in de zin van artikel 94 Grondwet. Ook verzoeksters beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt niet. Het in dit artikel besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Voorts kan artikel 8 EVRM positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het privéleven. Daarbij hebben onder anderen kinderen in het bijzonder recht op bescherming. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel verzoekster onmiskenbaar in een moeilijke situatie verkeert, niet kan worden gezegd dat de weigering van bijstand zonder meer tot gevolg heeft dat de normale ontwikkeling van verzoeksters dochter onmogelijk wordt gemaakt. Hierbij is van belang dat verzoekster en haar dochter niet legaal in Nederland verblijven, terwijl, gelet op voormeld besluit van de staatssecretaris van Justitie, niet is gebleken dat verzoekster er alles aan heeft gedaan om te bewerkstelligen dat zij naar het land van herkomst kan terugkeren.

2.15 Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond is. Dit leidt er vervolgens toe dat het verzoek om voorlopige voorziening dat is gekoppeld aan het beroep, moet worden afgewezen.

2.16 Nu de beide verzoeken om voorlopige voorziening die zijn gekoppeld aan twee bezwaarschriften, betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex, komen deze verzoeken evenmin voor toewijzing in aanmerking. De voorzieningenrechter zal deze verzoeken dan ook afwijzen.

2.17 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst de drie verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, en op 6 mei 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.