Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2329

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-03-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
154299 - KG ZA 09-74
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot bijschrijving met terugwerkende kracht bij in het handelsregister in verband met de aankoop van de onderneming, een strandpaviljoen. Geen spoedeisend belang. Naar verwachting zal niet binnen afzienbare tijd van koop sprake kunnen zijn. Een kort geding leent zich naar zijn aard niet voor een vaststelling dat eiser vennoot is van de door hem gestelde vennootschap onder firma met gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 154299 / KG ZA 09-74

Vonnis in kort geding van 30 maart 2009

in de zaak van

[Eiser],

wonende te IJmuiden, gemeente Velsen,

eiser,

advocaat mr. A. Govers-Schotten,

tegen

[Gedaagde] H.O.D.N. BEACH INN,

wonende te IJmuiden, gemeente Velsen,

gedaagde,

advocaat mr. L.J. Woltring.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] en [B] waren tezamen de eigenaren van de onderneming Beach Inn op het Kennemerstrand 800 te IJmuiden, verder te noemen “de onderneming”. De onderneming betreft de exploitatie van een strandpaviljoen, verder te noemen “de Beach Inn”.

2.2. [eiser] is de neef van [A] en werkt sedert augustus 2002 in de Beach Inn. [gedaagde] is, voorafgaand aan na te noemen huurovereenkomst, vanaf 2000 tot eind 2003 op vrijwillige basis in de Beach Inn werkzaam geweest.

2.3. In verband met de terminale ziekte van [A] is er op 5 juli 2005 met betrekking tot de Beach Inn en de inventaris daarvan door onderstaande partijen een huurovereenkomst gesloten:

“Beach Inn

Kennemerstrand 800

1976 GA IJmuiden, hierna te noemen

‘verhuurder’,

Vertegenwoordigd door [A] en [B]

En

v.o.f. BEACH INN rechtsgeldig vertegenwoordigd door

[eiser] […]

[…]

En

[gedaagde] […]

[…]

[…], hierna te noemen ‘huurder’,”

2.4. In de huurovereenkomst is ondermeer bepaald dat:

“Huurder heeft per 1 juli 2007 het recht van koop voor de prijs van € 650.000,-- excl. BTW, deze prijs wordt vanaf 1 augustus 2006 tot de datum van verkoop geïndexeerd.

Indien niet uiterlijk op 1 juli 2011 huurder de koopsom heeft voldaan dan vervalt het voorkeursrecht van koop en is verhuurder hier niet meer aan gebonden.”

2.5. In een door [B] ondertekend formulier voor het handelsregister staat vermeld dat de onderneming per 1 juli 2005 is overgedragen aan [gedaagde].

2.6. Ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst is door De Bie aan [A] en [B] een aanbetaling van € 60.000,- gedaan. Door [gedaagde] is geen aanbetaling in geld gedaan.

2.7. [eiser] en [gedaagde] zijn ingaande 1 juli 2005 de Beach Inn samen gaan exploiteren, waarbij tussen hen een winstverdeling is overeengekomen van 1/3 deel voor [gedaagde] en 2/3 deel voor [eiser].

2.8. Bij de belastingdienst zijn over 2005 en 2006 jaarrekeningen ingediend van de v.o.f. Beach Inn.

2.9. Eind 2008 is er tussen partijen een conflict ontstaan.

2.10. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister is er door [eiser] op 12 november 2008 een eenmanszaak gevestigd met de bedrijfsomschrijving “De voorbereiding tot de overname van een strandpaviljoen op het adres Kennemerstrand 800, 1976 GA te IJmuiden”. Deze inschrijving is op 20 februari 2009 door [gedaagde] ongedaan gemaakt.

2.11. Bij deze rechtbank onder rolnummer 08-1414 tussen partijen een bodemprocedure aanhangig met [gedaagde] als eiseres in conventie tevens gedaagde in reconventie en [eiser] en [B] als gedaagden, waarbij [eiser] een eis in reconventie heeft ingesteld.

De eis in conventie luidt als volgt:

“De eerste primaire eis van eiseres is dat het uw Rechtbank behage bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde sub 1, op grond van art 9 van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst van 5 juli 2005, te veroordelen mee te werken aan de uitoefening door eiseres van het recht van koop, houdende verkoop van de goederen en inventaris van het strandpaviljoen Beach Inn, staande en gelegen aan het Kennemerstrand 800 te IJmuiden tegen de koopprijs van € 650.000,00 exclusief BTW met indexering van deze prijs vanaf 1 augustus 2006 tot de datum van verkoop, aan eiseres, alsmede met veroordeling van gedaagde sub 1 tot het meewerken aan de in de plaatsstelling van eiseres als pachter van voornoemd strandpaviljoen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500.000,-, indien en voor zover gedaagde sub 1 de goederen en inventaris niet binnen 2 maanden na betekening van het in deze te wijzen vonnis heeft overgedragen en een aanvraag tot in de plaatsstelling van de pachtovereenkomst heeft gedaan en ingediend bij de gemeente IJmuiden, waarbij eiseres als pachter van het strandpaviljoen in de plaats wordt gesteld van gedaagde sub 1, alsmede dat gedaagde sub 2 wordt veroordeeld om zulks te gehengen en te gedogen

Subsidiair dat gedaagde sub 1 wordt veroordeeld om de inventaris en goederen aan eiseres en gedaagde sub 2 over te dragen, onder gelijktijdige bepaling dat de tussen eiseres en gedaagde sub 2 bestaande gemeenschap van goederen en inventaris van het strandpaviljoen Beach Inn, aldus wordt gescheiden en gedeeld dat aan eiseres de goederen en inventaris alsmede de aan gedaagde sub 1 te betalen koopprijs van € 650.000,00 exclusief BTW met indexering van deze prijs vanaf 1 augustus 2006 tot de datum van verkoop, wordt toegescheiden, en gedaagde sub 2 door eiseres wordt gevrijwaard terzake zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500.000,- , indien en voor zover gedaagde sub 1 de goederen en inventaris niet binnen 2 maanden na betekening van het in deze te wijzen vonnis heeft overgedragen en een aanvraag tot in de plaatsstelling van de pachtovereenkomst heeft gedaan en ingediend bij de gemeente IJmuiden, waarbij eiseres als pachter van het strandpaviljoen in de plaats wordt gesteld van gedaagde sub 1;

Ten tweede dat gedaagde sub 1 wordt verboden mee te werken en daartoe een verzoek aan de gemeente IJmuiden te doen dat gedaagde sub 2 in de plaats wordt gesteld als pachter van het strandpaviljoen Beach Inn, zulks onder verbeurte van een door gedaagde sub 1 aan eiseres te betalen dwangsom van € 100.000,-, met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de beslagkosten”

De eis in reconventie luidt als volgt:

“Het de rechtbank Amsterdam, behage bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (gedaagde in reconventie te veroordelen)

• voor recht te verklaren dat de Beach Inn per 4 september 2005 is voortgezet als VOF met [eiser] als medevennoot;

• de VOF per 1 februari 2009 of zoveel later als u.e. wenselijk acht, te ontbinden en te oordelen dat de onderneming wordt voortgezet door de heer [eiser] als eenmanszaak;

• gedaagde in reconventie te veroordelen tot verdeling van de gehele gemeenschap, waarin partijen deelgenoten zijn rekening houdend met de 1/3 2/3 winstverdeling tussen eiser en gedaagde;

• gedaagde in reconventie te veroordelen tot opheffing van het beslag;

voor recht te verklaren dat [eiser] het recht van koop van de Beach Inn van [B] heeft en dat [gedaagde] dit dient te gehengen en te gedogen:”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert

“Het u Edelachtbare Heer/Vrouwe Voorzieningenrechter te Haarlem moge behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

• gedaagde te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan haar adres, haar medewerking te verlenen dat [eiser] met terugwerkende kracht , vanaf 4 oktober 2005 althans een door u.e. nader vast te stellen datum, wordt bijgeschreven bij de Beach Inn in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat gedaagde met de nakoming van deze veroordeling in gebreke is;

• gedaagde te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding.”

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij genoemde bijschrijving in het handelsregister nodig heeft om krediet te kunnen verkrijgen van financieringsinstellingen voor de aankoop, door hem, van de onderneming krachtens het optiebeding (zie hiervoor onder 2.4.) uit de huurovereenkomst.

Ter zitting heeft [eiser] zijn eis aangevuld met een tweede grondslag voor zijn vordering, te weten dat hij die bijschrijving ook nodig heeft vanwege problemen die hij met instanties ondervindt vanwege het feit dat hij in handelsregister niet staat ingeschreven met betrekking tot de onderneming, terwijl hij ten opzichte van de belastingdienst wel samen met [gedaagde] als vennootschap onder firma optreedt.

4.2. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis, omdat deze haar niet voorafgaand aan de zitting was aangekondigd.

Subsidiair voert [gedaagde] aan dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd waar de gestelde hinder door het niet bijgeschreven staan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, uit bestaat.

4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het bezwaar tegen de vermeerdering van de eis te worden gehonoreerd. Door het eerst ter zitting aanvoeren van genoemde tweede grond voor zijn vordering, kan inderdaad worden aangenomen dat [gedaagde] daardoor (onredelijk) in haar verdediging is bemoeilijkt. Daarmee moet de onderhavige wijziging van eis als in strijd met de eisen van een goede procesorde worden beschouwd. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat [gedaagde] eveneens moet worden gevolgd in haar verweer dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij hinder van de autoriteiten ondervindt door het feit dat hij in het handelsregister niet bij de onderneming staat ingeschreven. In dit verband is niet zonder belang dat de [eiser] al sedert 2005 niet als vennoot van de door hem gestelde vennootschap onder firma Beach Inn in het handelsregister staat ingeschreven. Door [eiser] is onvoldoende onderbouwd waarom dit (eerst) thans tot problemen zou leiden.

4.4. Tegen de vordering heeft [gedaagde] voorts aangevoerd dat [eiser] daarbij geen spoedeisend belang heeft. Voordat er sprake zou kunnen zijn van een aankoop van het strandpaviljoen door [eiser] moet er nog zoveel gebeuren dat een eventuele offerte van een financieringsinstelling al lang zijn geldigheid zou hebben verloren. Dit verweer is door [eiser] niet betwist. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat er inderdaad nog een hele weg te gaan valt, alvorens [eiser] - als het al zover komt - in de gelegenheid zal zijn om de onderneming van [B] te kopen. In de eerste plaats zal daarvoor nodig zijn dat partijen gezamenlijk (en tijdig) de koopoptie inroepen, terwijl vervolgens dan nog bepaald zal moeten worden dat [eiser] het aandeel van [gedaagde] in het gekochte zal mogen overnemen. Gelet op de huidige slechte verhouding tussen partijen en de lopende bodemprocedure zal daarvan naar verwachting inderdaad niet binnen afzienbare tijd sprake kunnen zijn. [eiser] heeft derhalve geen spoedeisend belang bij zijn vordering en om deze reden zal de gevorderde voorziening worden geweigerd. Het lijkt er overigens veeleer op dat [eiser] met dit kort geding in een rechterlijke uitspraak vastgesteld wil zien te krijgen dat hij vennoot is van de door hem gestelde vennootschap onder firma met [gedaagde]. Voor een dergelijke vaststelling leent echter een kort geding zich naar zijn aard niet.

4.5. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht € 262,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.078,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de voorziening,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.078,00,

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2009.?