Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2205

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-04-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
15-995103-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

milieudelicten; Wet op de economische delicten, Wet milieubeheer, Besluit emissie-eisen tookinstallaties milieubeheer A. Meerdere delicten. Verdachte heeft er niet voor gezorgd dat de verspreiding van stof redelijkerwijs werd voorkomen; verdachte heeft verzuimd een brand in de koudbandwalserij zo spoedig mogelijk te melden aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland en verdachte heeft het hoogovengassysteem, route 9, niet overeenkomstig de frequentie van 26 weken geïnspecteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige economische strafkamer

Parketnummer: 15/995103-06

Uitspraakdatum: 23 april 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 09 april 2009 in de zaak tegen:

CORUS STAAL B.V.,

gevestigd te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging tenlastelegging tenlastegelegd dat:

Feit 1 (parketnummer 15.995103-06)

zij op of omstreeks 24 april 2006 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, in haar inrichting (gelegen aan de [adres]), al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan de voor haar inrichting door de Provincie Noord-Holland verleende vergunning ([nummer]), immers heeft zij er niet voor gezorgd dat grond- en/of hulpstoffen en/of gerede producten en/of reststoffen zodanig werden behandeld en/of opgeslagen en/of getransporteerd dat verspreiding van deze producten en/of materialen en/of stoffen redelijkerwijs werd voorkomen (voorschrift 2.2) (er werden met een een shovel stoffen geladen in de laadbak van een vrachtauto, bij welk laden stofverspreiding plaatsvond).

Feit 2 (parketnummer 15.995244-06)

zij op of omstreeks 19 maart 2006 te Velsen-Noord en/of IJmuiden, in de gemeente Velsen, terwijl zich in haar inrichting (gelegen aan de [adres]), een brand in de [afdeling], in elk geval een ongewoon voorval voordeed of had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan of dreigden te ontstaan, als degene die de inrichting dreef, al dan niet opzettelijk, dat ongewone voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor die inrichting te verlenen (de Provincie Noord-Holland) heeft gemeld.

Feit 3 (parketnummer 15.995253-06)

zij op een of meer tijstippen gelegen in of omstreeks de periode vanaf 14

november 2005 tot en met 10 maart 2006 en/of tot en met 10 juli 2006, in elk geval op een of meer tijdstippen gelegen in 2005 en/of 2006 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan een voor haar inrichting (gelegen aan de [adres]) door de Provincie Noord-Holland verleende vergunning, immers heeft zij er niet voor gezorgd dat

- de werkeenheid overeenkomstig het goedgekeurde (inspectie- en onderhouds)plan (inclusief de voorzover van toepassing daarop aangepaste veranderingen) in werking was en/of

- relevante veranderingen van het (inspectie- en onderhouds)plan voor invoering schriftelijk aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring waren voorgelegd, immers had zij niet gezorgd dat het hoogovergassysteem -route 9- (gashouder + distributienet) (visueel) werd geïnspecteerd met een frequentie van 26 weken (genoemd hoogovengassysteem werd na de (laatste) inspectie (d.d. 19 mei 2005) pas opnieuw geïnspecteerd in week 10 van 2006 (omstreeks de periode van 6 maart 2006 tot en met 9 maart 2006) en/of op 10 juli 2006, zijnde een frequentie van respectievelijk 42 weken en/of 59 weken) en/of

- zijn door haar eventuele veranderingen van (de inspectiefrequentie genoemd in) het (inspectie- en onderhouds)plan in het geheel niet aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring voorgelegd.

Feit 4 parketnummer: 15.994721.07

zij op een of meer tijstippen gelegen in omstreeks de periode vanaf 1 september 2005 tot en met 3 augustus 2006 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, als degene die een inrichting gelegen aan de [adres] dreef, binnen welke inrichting zich een of meer stookinstallaties waarop het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing was, al dan niet opzettelijk, niet heeft zorggedragen dat de voorschriften bij of krachtens genoemd Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A werden nageleefd, immers heeft zij niet gezorgd dat

- de bemonsteringen en/of analyses en/of metingen van de parameters die nodig waren voor de bepaling van de concentraties, bedoeld in het eerste lid van artikel 30b van genoemd Besluit, alsmede de andere metingen en berekeningen die in genoemd Besluit waren voorgeschreven, werden uitgevoerd volgens CEN-normen.

Feit 5 (parketnummer 15.994721-07)

zij op een of meer tijstippen gelegen in 2004 en/of 2005 en/of in omstreeks de periode vanaf 1 januari 2006 tot en met 3 augustus 2006 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan een voor haar inrichting (gelegen aan de [adres]) door de Provincie Noord-Holland verleende vergunning ([nummer]), immers heeft zij er niet voor gezorgd dat de meting(en) als bedoeld in voorschrift 4.3 van de voor haar inrichting verleende vergunning en de toetsing(en) van de gemeten waarde(n) aan de maximaal toegestane emissie werd(en) uitgevoerd en/of geregistreerd en/of gerapporteerd volgens een door haar in overleg met een daartoe door de directeur aangewezen ambtenaar van de dienst opgesteld meetplan.

Feit 6 (parketnummer 15.994517-07)

zij op of omstreeks 16 september 2006, in elk geval in of omstreeks de periode 1 augustus 2006 tot en met 6 oktober 2006 te Velsen-Noord en/of IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, als degene die een inrichting gelegen aan de [adres] dreef, binnen welke inrichting zich 4, in elk geval een of meer stookinstallaties (noodstoomketels) bevonden waarop het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing was, al dan niet opzettelijk, niet heeft zorggedragen dat de voorschriften bij of krachtens genoemd Besluit werden nageleefd, immers heeft zij niet gezorgd dat

- de bemonsteringen en/of analyses en/of metingen van de parameters die nodig waren voor de bepaling van de concentraties, bedoeld in het eerste lid van artikel 30b van genoemd Besluit, alsmede de andere metingen en berekeningen die in genoemd Besluit waren voorgeschreven, werden uitgevoerd volgens CEN-normen en/of

- het uitvoeren van afzonderlijke metingen en/of parallelmetingen en/of referentiemetingen geschiedde door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd was door een algemeen aanvaarde nationale accreditatie-instelling of een vergelijkbare buitenlandse instelling die afkomstig was uit een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2

mei 1992.

2. Voorvragen

Verweer met betrekking tot het tenlastegelegde feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat de tenlastelegging te algemeen van aard is en de dagvaarding derhalve partieel nietig verklaard dient te worden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewoordingen van de tenlastelegging blijkt voldoende concreet en duidelijk, dat deze ziet op de - eerste - brand in de [afdeling] waarvan niet tijdig melding zou zijn gemaakt. De rechtbank stelt derhalve dat de dagvaarding ook op dit onderdeel geldig is.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Verweer met betrekking tot het tenlastegelegde feit 4 (partiële niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie)

De rechtbank overweegt dat zij de ‘opzettelijke’ variant van het onder feit 4 tenlastegelegde feit niet bewezen zal verklaren (zie 4.2. – 4.4).

De rechtbank stelt vast dat de tenlastelegging met betrekking tot dit feit eveneens de ‘niet opzettelijke variant’ behelst, zijnde een overtreding. Conform artikel 70, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud; zoals geldend tot 1 februari 2008, gewijzigd bij Wet van 7 juli 2006, Stb. 330, inwerkingtreding op 1 februari 2008) vervalt het recht tot strafvervolging in (toen nog) twee jaren voor alle overtredingen. Het Openbaar Ministerie heeft eerst op 17 september 2007 verdachte gedagvaard.

De rechtbank stelt derhalve vast dat het recht tot strafvervolging van het onder feit 4 tenlastegelegde feit, voor zover betrekking hebbend op de tenlastegelegde niet opzettelijke variant (zijnde de overtreding) gepleegd in de (deel)periode van 1 september 2005 tot 17 september 2005, is verjaard. De rechtbank zal dan ook in zoverre het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren.

Dit staat in onderhavig geval echter niet in de weg aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, voorzover de vervolging ziet op de (deel)periode van 17 september 2005 tot 3 augustus 2006 in samenhang met het tenlastegelegde feitencomplex.

De rechtbank stelt verder vast dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en stelt voorts vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de opzettelijke overtreding van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 38.000,-.

4. Oordeel van de rechtbank

4.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 5 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vergunningvoorschrift 4.4 van de vergunning [nummer] stelt - voor zover van belang - dat een meting dient te worden uitgevoerd volgens een door vergunninghoudster in overleg met een door de directeur daartoe aangewezen ambtenaar op te stellen meetplan.

De rechtbank stelt vast dat getuige [betrokkene 1] bij zijn verhoor door de rechter-commissaris d.d. 11 maart 2008 heeft verklaard:

“Ik heb in 2005 voorgesteld om de metingen uit te voeren analoog aan de zwavelemissiebepaling aan hoogovengas. Dat heb ik gedaan om het onderwerp van 2004 af te sluiten, zodat we konden doorgaan naar de toepassing van de NEN-EN [nummer]. Ten aanzien van de handhaving betekende dat, dat ik iets in handen had, hoewel het niet was zoals ik het had bedoeld, zodat het in 2005 goed was. (-). In 2006 is het meetplan over dat jaar met de nieuwe ontwikkelde methode goedgekeurd.”

Getuige [betrokkene 2] verklaart bij zijn verhoor door de rechter-commissaris d.d. 11 maart 2008:

“Ik vind dat ik wel degelijk meetplannen heb ingediend over de periode 2004/2005. Het staat weliswaar niet boven die rapportages, maar de rapportages zelf zijn steeds meer naar de wens van de ambtenaren toegeschreven. (-). U vraagt mij of er in 2004/2005 een meetplan is goedgekeurd door [betrokkene 1]. Er is afstemming geweest tussen Corus en de provincie over de meetplannen.”

Uit voorgaande verklaringen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat over de jaren 2004 en 2006 consensus bestond over het meetplan. Uit voorgaande verklaringen blijkt eveneens dat er over de overigens tenlastegelegde periode (2005) overleg heeft plaatsgevonden over het meetplan. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank daarmee voldaan aan het gestelde in vergunningvoorschrift 4.4. Dit betekent dat zij dient te worden vrijgesproken van het onder feit 5 tenlastegelegde feit.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1 (parketnummer 15.995103-06)

zij op 24 april 2006 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, in haar inrichting gelegen aan de [adres], zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan de voor haar inrichting door de Provincie Noord-Holland verleende vergunning ([nummer]), immers heeft zij er niet voor gezorgd dat grond- en/of hulpstoffen en/of gerede producten en/of reststoffen zodanig werden getransporteerd dat verspreiding van deze producten en/of materialen en/of stoffen redelijkerwijs werd voorkomen (voorschrift 2.2), nu er met een shovel stoffen werden geladen in de laadbak van een

vrachtauto, bij welk laden stofverspreiding plaatsvond.

Feit 2 (parketnummer 15.995244-06)

zij op 19 maart 2006 in de gemeente Velsen, terwijl zich in haar inrichting gelegen aan de [adres], een brand in de [afdeling] had voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu waren ontstaan of dreigden te ontstaan, als degene die de inrichting dreef, opzettelijk dat ongewone voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor die inrichting te verlenen (de Provincie Noord-Holland) heeft gemeld.

Feit 3 (parketnummer 15.995253-06)

zij op een of meer tijstippen gelegen in de periode vanaf 14 november 2005 tot en met 10 maart 2006 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan een voor haar inrichting gelegen aan de [adres] door de Provincie Noord-Holland verleende vergunning, immers heeft zij er niet voor gezorgd dat

- de werkeenheid overeenkomstig het goedgekeurde inspectie- en onderhoudsplan (inclusief de voorzover van toepassing daarop aangepaste veranderingen) in werking was, immers had zij niet gezorgd dat het hoogovengassysteem - route 9 - (gashouder + distributienet) (visueel) werd geïnspecteerd met een frequentie van 26 weken (genoemd hoogovengassysteem werd na de laatste inspectie (d.d. 19 mei 2005) pas opnieuw geïnspecteerd in week 10 van 2006 (omstreeks de periode van 6 maart 2006 tot en met 9 maart 2006) zijnde een frequentie van 42 weken.

Feit 4 parketnummer: 15.994721.07

zij op tijstippen gelegen in de periode vanaf 1 september 2005 tot en met 3 augustus 2006 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, als degene die een inrichting gelegen aan de [adres] dreef, binnen welke inrichting zich meer stookinstallaties waarop het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing was, niet heeft zorg gedragen dat de voorschriften bij of krachtens genoemd Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A werden nageleefd, immers heeft zij niet gezorgd dat

- de bemonsteringen en analyses en metingen van de parameters die nodig waren voor de bepaling van de concentraties, bedoeld in het eerste lid van artikel 30b van genoemd Besluit, alsmede de andere metingen en berekeningen die in genoemd Besluit waren voorgeschreven, werden uitgevoerd volgens CEN-normen.

Feit 6 (parketnummer 15.994517-07)

zij in de periode 1 augustus 2006 tot en met 6 oktober 2006 te gemeente Velsen, als degene die een inrichting gelegen aan de [adres] dreef, binnen welke inrichting zich 4 stookinstallaties (noodstoomketels) bevonden waarop het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing was, niet heeft zorg gedragen dat de voorschriften bij of krachtens genoemd Besluit werden nageleefd, immers heeft zij niet gezorgd dat

- de bemonsteringen en analyses en metingen van de parameters die nodig waren voor de bepaling van de concentraties, bedoeld in het eerste lid van artikel 30b van genoemd Besluit, alsmede de andere metingen en berekeningen die in genoemd Besluit waren voorgeschreven, werden uitgevoerd volgens CEN-normen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.3 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Feit 1 (parketnummer 15.995103-06)

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 september 2006, inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 24 april 2006 heb ik een controlebezoek afgelegd bij Corus Staal BV, Wenckebachstraat 1, Velsen Noord, aan de schappen met grond- en hulpstoffen op het werkterrein van de afdeling [bedrijfsonderdeel 1] op het Corusterrein. Het is mij ambtshalve bekend dat het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Milieubeheer op de inrichting van Corus Staal BV van toepassing is en dat de inrichting valt onder de categorie 12 van bijlage 1 van het Inrichtingen- en vergunningen besluit milieubeheer. Voor Corus Staal BV (destijds Hoogovens Groep BV) is door Provincie Noord-Holland op 24 oktober 1995 een milieuvergunning met nummer [nummer] afgegeven.

Ik zag dat de maatregel (een brievenbusconstructie, met rubberen flappen) aanwezig was. Ik zag dat een shovel een vrachtauto ging beladen met stoffen. Ambtshalve is het mij bekend dat het hier om grondstoffen of hulpstoffen gaat voor de [naam fabriek] van Corus Staal BV. Ik zag dat tijdens de belading geen gebruik werd gemaakt van de door Corus gemaakte maatregel. Ik zag dat een shovel de stoffen rechtstreeks in de laadbak van de vrachtwagen bracht. Ik zag dat tijdens het beladen van de grondstof er visueel waarneembare stofverspreiding plaatsvond.

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 3], d.d. 23 mei 2006, inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Mede in het kader van de dwangsombeschikking is een maatregel genomen om stof verspreiding bij het laden van vrachtwagens te voorkomen. Deze maatregel betreft het plaatsen van een zogenaamde brievenbus. Er werd tijdens uw controle op 24 april 2006 geen gebruik gemaakt van de installatie omdat deze werd geoptimaliseerd. Corus erkent dat er stofverspreiding heeft plaatsgevonden bij het laden van de vrachtwagen, maar dan wel minimaal en om bovenstaande redenen

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris d.d. 10 maart 2008, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Op 24 april 2006 waren er werkzaamheden aan de gang aan de voorziening voor het zo stofvrij mogelijk overladen van stoffen. Er moesten wat veiligheidspunten worden opgelost en de installatie moest worden geoptimaliseerd. Het gaat hierom de zogenaamde brievenbusconstructie. Om 12.50 uur kwam de heer [naam], de handhaver voor de provincie Noord-Holland, en zag dat er een auto werd geladen buiten de voorziening om. Die brievenbusconstructie is speciaal gemaakt voor het overladen van stoffen. In die constructie kan een hele shovelbak. In de constructie zit ook een afzuigsysteem. Die 24e april 2006 moesten we doorgaan met laden. De maatregelen die wij toen hebben getroffen, waren de standaardmaatregelen. De wagen werd zo dicht mogelijk onder de schappen van het gebouw geplaatst. Verder was het windstil en werd zo voorzichtig mogelijk de stof van de shovel in de vrachtwagen geladen. De stof is niet uit het schappengebouw weggewaaid maar neer- gedwarreld op de grond binnen het gebouw. Zoals ik net al zei, werd in het verleden de auto strak tegen het schappenbakgebouw geplaatst. De shovel doseerde dan het materiaal dat in de vrachtwagen moest worden geladen. De vrachtwagen werd volgeladen en leverde de stof af bij de fabriek. Dit gebeurde tot 2006 en toen is de brievenbus geplaatst. Dat was naar aanleiding van controles in 2004 en 2005, waarbij eerdere meldingen waren geweest dat er teveel stof werd verspreid.

• een schriftelijk bescheid, te weten de door de Provincie Noord-Holland verleende vergunning [nummer] (voor zover relevant).

Feit 2 (parketnummer 15.995244-06)

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 17 oktober 2006 (dossierpagina 3-5), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op zondag 19 maart 2006 ontstond een brand bij Corus Staal BV, [adres]. De brand vond plaats bij de [naam gebouw]. Blijkens de rapportage van Corus Staal verbrandden bij de brand morgoil (smeerolie) en hydrauliek olie. Bij verbranding hiervan kunnen schadelijke stoffen ontstaan. Het bedrijf is een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Wet milieubeheer. Het bevoegd gezag van de inrichting is het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland.

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2006 (dossierpagina 7), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op zondag 19 maart 2006 ben ik om 17.13 uur door de boodschappendienst opgeroepen met het bericht dat Corus Staal BV, afdeling [afdeling], bezig is met het ventileren na een brand. Omdat ik geen eerdere melding heb gekregen heb ik telefonisch contact opgenomen met de heer [betrokkene 4] van milieuregistratie van Corus Staal BV. De heer [betrokkene 4] gaf aan dat de eerste melding een explosie in de eindwals betrof en dat de regionale brandweer ter plaatse is. De melding is volgens de heer [betrokkene 4] om 15.06 uur bij milieuregistratie binnengekomen.

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 5], d.d. 17 oktober 2006, inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Ik heb geattendeerd op de noodzaak om een melding te doen bij de provincie Noord-Holland. Dit is toen gebeurd, maar achteraf bezien wellicht iets te laat. Volgens onze gegevens is de melding omstreeks 16.45 uur gedaan.

Feit 3 (parketnummer 15.995253-06)

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 25 september 2006, inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Het is mij ambtshalve bekend dat het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Milieubeheer (Ivb) op de inrichting van toepassing is en dat de inrichting van Corus, [adres], valt onder verschillende categorieën waaronder categorie 12.2 onder b van bijlage 1 van het Ivb. Bij beschikking van 24 oktober 1995, kenmerk [nummer], hebben GS krachtens de Wet milieubeheer vergunning onder voorschriften verleend voor deze inrichting. Specifiek voor het bedrijfsonderdeel Energiebedrijf heeft GS op 13 november 1997, kenmerk [nummer], krachtens de Wet milieubeheer vergunning onder voorschriften verleend voor dit deel van de inrichting.

In het archief van de Provincie Noord-Holland bevindt zich een goedgekeurd inspectie- en onderhoudsplan in relatie tot de voornoemde voorschriften. Dit plan is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland bij hun brief van 17 juni 1998 (nr. [nummer]). In dit goedgekeurde inspectie- en onderhoudsplan staat in hoofdstuk 1.2.11 het volgende voorgeschreven in relatie tot route 9 van het Hoogovengassysteem: eens per 26 weken visueel inspecteren van het deel van de HO-gasleiding van de mechanische bril 06-024 tot en met de zuidkant van Kofa-1.

Op 12 juli 2006 heb ik per e-mail de aangepaste checklist ontvangen, met hierin verwerkt een nieuwe inspectie aan route 9 uitgevoerd op 10 juli 2006. Vervolgens heb ik gecontroleerd of Corus eens per 26 weken de visuele inspectie van route 9, overeenkomstig hun goedgekeurde inspectie- en onderhoudsplan uitvoert. Daar zag ik toen dat de frequentie van de visuele inspecties van route 9 niet overeenkomstig de frequenties uit het door GS goedgekeurde inspectie- en onderhoudsplan werd uitgevoerd. Ik zag namelijk dat sinds de controle van 4 februari 2005 door mijn collega [naam] van de Provincie Noord-Holland de volgende visuele inspecties aan Route 9 hebben plaatsgevonden:

• 19-5-2005;

• Week 10 2006/10-7-2006.

Zoals eerder in dit verbaal is vermeld, zijn de gegevens van de inspectie van week 10/2006 door de overzetting naar de nieuwe checklist niet goed bewaard gebleven en is de inspectie van route 9 opnieuw uitgevoerd op 10 juli 2006. Ik zag dat, wanneer het omzetten naar de nieuwe checklist wel goed was gegaan, de periode tussen de inspectie op 19-5-2005 en week 10 2006 42 weken was. Tevens zag ik dat de periode tussen 19-5-2005 en 10-7-2006 59 weken was. Ik zag dat geen van beide inspecties plaats vond overeenkomstig de frequentie van 26 weken die vermeld staat in hoofdstuk 1.2.11 van het door GS goedgekeurde inspectie- en onderhoudsplan.

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 6] (inclusief bijlage), d.d. 20 september 2006, inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Ik moet constateren dat de ENB-organisatie slechts 2 van de 3 uit te voeren inspectierondes in het betreffende tijdvak heeft laten uitvoeren. Ik besef dat daarmee niet voldaan wordt aan hetgeen in de vergunning is vastgelegd en betreur dat ten zeerste.

• een schriftelijk bescheid, te weten de door de Provincie Noord-Holland verleende vergunning [nummer] (voor zover relevant).

• een schriftelijk bescheid, te weten het goedgekeurde inspectie en onderhoudsplan.

Feit 4 (parketnummer: 15.994721.07)

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 15 januari 2007, inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Het is mij ambtshalve bekend dat het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Milieubeheer (lvb) op de inrichting van toepassing is en dat de inrichting van Corus, [adres], valt onder verschillende categorieën waaronder categorie 12.2 onder b van bijlage 1 van het Ivb. Op basis van de categorie-indeling van het Ivb, dient Corus te voldoen aan de verplichtingen uit het BEES-A. Bij beschikking van 24 oktober 1995, kenmerk [nummer], hebben GS krachtens de Wet milieubeheer vergunning onder voorschriften verleend voor deze inrichting. Op het bedrijfsterrein van Corus bevinden zich een aantal stoomketel-installaties genaamd ketel 15, ketel 16 ketel 23 en ketel 24, die voldoen aan het begrip “stookinstallaties” uit Artikel 1.1 van het BEES-A.

Ambtshalve is het mij bekend dat de Kooksfabrieken van Corus gebruik maken van een tweetal continue geautomatiseerde meetsystemen voor het bepalen van het zwavelgehalte in het gereinigde kooksovengas. Dit kooksovengas wordt vervolgens verstookt in een aantal stookinstallaties, waarbij SO2 wordt geëmitteerd. Hieruit volgt dat Corus een continue meting van de parameters uitvoert van de voor een stookinstallatie vastgestelde uitworpkarakteristiek, zoals genoemd in artikel 30a lid b van het BEES-A. Op basis van Artikel 30 b lid 2 zijn eisen gesteld aan de bemonstering, analyses en metingen van de parameters. Dit houdt o.a. in dat deze uitgevoerd moeten worden volgens CEN-normen. De CEN-norm in dit geval is de NEN-EN [nummer] (‘Emissies van stationaire bronnen- Kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen’).

Op donderdag 3 augustus 2006 heb ik de rapporten “Zwavelemissiebepaling aan Kooksovengas (ECO 04.10, 04.13, 05.3 en 05.04) ontvangen. Tijdens de beoordeling van de rapportages ECO 04.10, 04.13, 05.03 en 05.04 zag ik dat Corus de parameters van de bemonsteringen, analyses en metingen die nodig zijn voor de bepaling van de concentraties alsmede de andere metingen en berekeningen die in dit besluit zijn voorgeschreven, niet worden uitgevoerd volgens CEN-normen. Ik zag namelijk dat Corus een eigen methode hanteert voor het valideren van de bepaling van het S-gehalte in het stookgas. Ik zag dat deze methode niet overeenkomt met de eisen uit de NEN-EN [nummer]. Ik zag dat het kooksovengas wekelijks wordt bemonsterd, waarbij zowel de H2S- als de totale S concentratie wordt bepaald. Ik zag dat wekelijks door de afdeling PAR (Analytical Department) een controlemonster (referentiemonster) getrokken werd uit de kooksgasleiding aan het meetpunt. Ik zag dat van het monster een reeks chemische eigenschappen wordt bepaald. Ik zag in de NEN-EN [nummer] dat het gebruik van referentiemonsters niet ( de rechtbank leest: is) toegestaan. Ook zag ik dat niet voldaan wordt aan andere eisen uit de NEN-EN [nummer] zoals het uitvoeren van parallelle metingen met een SRM. Ik zag dat de rapporten “Zwavelemissiebepaling aan Kooksovengas” (ECO 04.10, 04.13, 05.03 en 05.04) niet voldoen aan de eisen uit hoofdstuk 6.8 van de NEN-EN [nummer]. Ik zag dat, doordat de kalibratie en validatie niet is uitgevoerd overeenkomstig de NEN-EN [nummer], niet aan de rapportage verplichting uit hoofdstuk 6.8 kan worden voldaan. Ik zag dat de rapportage van de ECO-metingen 04.10, 04.13, 05.03 en 05.04 op geen onderdeel voldoen aan de eisen uit hoofdstuk 6.8 van de NEN EN [nummer].

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] bij de rechter-commissaris d.d. 11 maart 2008, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

De NEN-EN [nummer] dateert van september 2004. Mijn interpretatie van de BEES-A is dat deze stelt dat 1 jaar na datum van uitgifte van de norm, die norm moet worden gehanteerd. Het is lastig voor Corus om aan die norm te voldoen. We wisten wel dat de norm eraan kwam en daarom heeft in 2003 al overleg met de provincie plaatsgevonden. In 2004 moesten wij al aan de norm voldoen. Een struikelblok bij de norm was de veiligheid bij de metingen. Wij hebben bij de provincie Noord-Holland in 2004 aangegeven dat vanwege de veiligheid een studie naar de aanpak moest worden gedaan. Met die studie bedoel ik dat wij zelf onderzoek gingen doen en daarbij nagingen wat de beste meetmethodiek was. Dit is binnen het eco-overleg aan de orde geweest. In september 2005 vroeg mijn chef mij als de donder te rapporteren over 2004 en 2005, omdat de provincie Noord-Holland teleurgesteld was. Ik ben toen begonnen met het informatie verzamelen bij de kooksfabrieken waarover ik het hiervoor al heb gehad. Daarna zijn die 3 conceptrapportages van mijn hand naar de provincie gegaan. Parallel daaraan ben ik direct weer trail begonnen om weer leveranciers van monitoren en meetbureau’s te benaderen. We hebben toen zelf wat ontwikkeld op het gebied van de metingen en dat is in 2006 gebeurd. We moesten namelijk 15 keer in 3 dagen gedurende steeds ten minste een half uur gas bemonsteren en de gemiddelde waarden vastleggen.

• de verklaring van verdachte, vertegenwoordigd door dhr. [betrokkene 7], ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

De BEES-A is ingewikkelde problematiek. Wij overleggen hierover nu zo expliciet mogelijk met de overheid. Er zijn risico’s voor de werknemers bij de metingen. Veiligheid staat bij ons boven aan. De eerste vraag was of er überhaupt wel een monster genomen kon worden. Ik kan niet iemand de schoorsteen op sturen als de fabriek in bedrijf is. Wij werken daarom aan continue metingen.

Feit 6 (parketnummer 15.994517-07)

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal d.d. 4 januari 2007, inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Het is mij ambtshalve bekend dat het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Milieubeheer (lvb) op de inrichting van toepassing is en dat de inrichting van Corus, gemeente Velsen, locatie Wenckebachstraat 1, valt onder verschillende categorieën waaronder categorie 1.3.b van bijlage 1 van het lvb. Bij beschikking van 24 oktober 1995, kenmerk [nummer], hebben GS krachtens de Wet milieubeheer vergunning onder voorschriften verleend voor deze inrichting.

Op 6 oktober 2006 heb ik, in mijn hoedanigheid van toezichthoudend ambtenaar, de vier verschillende rapportages van de emissiemetingen aan de vier noodstoomketels ontvangen en vervolgens beoordeeld. In de vier rapportages staan de meetresultaten van de metingen aan de tijdelijke noodstoomketels 0048, 0095, 0163 en 0164 vermeld. Uit de vier verschillende rapportages blijkt dat het thermisch vermogen van de noodstoomketels 0048, 0095, 0163 en 0164 groter is dan 0,9 MW, wat betekent dat de ketels aan de verplichtingen van het BEES-A moeten voldoen. Tevens zag ik dat de metingen van de parameters die nodig zijn voor de bepaling van de concentraties niet waren uitgevoerd volgens CEN-normen. Ik zag namelijk dat in de 4 verschillende rapportages aangegeven was dat als meetprincipe een electrochemische methode is gebruikt. Ik zag dat het meetprincipe, waarbij gebruikt wordt door een electrochemische methode, niet vermeld wordt in de NEN-ISO [nummer]. Ik zag derhalve dat de uitgevoerde N0x-emissiemetingen niet waren uitgevoerd volgens CEN-normen.

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris d.d. 11 maart 2008, waarin hij onder meer - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

Ik weet dat Corus in september 2006 vier noodstoomketels heeft geplaatst. In principe kunnen deze voldoen aan de BEES-A norm.

4.4 Bewijsoverwegingen

Feit 1 (parketnummer 15.995103-06)

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt van opzet aan de zijde van verdachte. Voor zover er een verwijt gemaakt zou kunnen worden, dan zou dit slechts berusten op een slordige uitvoering van de voorwaarde zonder blijk van enig opzet. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

In het kader van een dwangsombeschikking heeft Corus Staal B.V. een maatregel in de vorm van een brievenbusconstructie genomen om stofverspreiding bij het laden van vrachtwagens te voorkomen. Hieruit leidt de rechtbank af dat Corus Staal B.V. bekend was met de voorschriften en risico’s omtrent stofverspreiding bij het op een dergelijke wijze laden van vrachtwagens. Blijkens de verklaring van [betrokkene 3] heeft Corus Staal B.V. in onderhavig geval bewust geen gebruik gemaakt van de brievenbusconstructie teneinde de installatie te kunnen optimaliseren. Corus Staal B.V. heeft daarbij eveneens de beslissing genomen om met een shovel een vrachtwagen te beladen met stoffen terwijl men wist dat de verspreiding van stof moest worden voorkomen en ten tijde van het beladen van de vrachtauto een voorziening daartoe ontbrak. Blijkens het door verbalisant [naam] opgemaakte proces-verbaal is dit beladen zodanig gebeurd dat hierbij visueel waarneembare stofverspreiding plaats vond.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Corus Staal B.V. door aldus te handelen, opzettelijk gehandeld in strijd met voorschrift 2.2 van de aan haar verleende vergunning [nummer]. Derhalve faalt het verweer van de raadsman.

Feit 2 (parketnummer 15.995244-06)

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat niet vast is komen te staan dat tussen 15.05 en 16.02 uur sprake was van een ongewoon voorval. De raadsman voert daartoe aan dat sprake is geweest van meerdere — kleine — incidenten die op zich zelf, voor Corus Staal B.V., niet per definitie ongewone voorvallen opleveren die tot melding nopen. Voorts voert de raadsman aan dat na 16.02 uur een volgende fase van het incident ingaat, onder andere de fase van het ventileren. Niet vast is komen te staan hoe laat deze ‘tweede fase’ is ingegaan, waardoor de tijdigheid van de melding niet getoetst kan worden en vrijspraak moet volgen. Subsidiair betwist de raadsman dat er sprake is geweest van opzet op het te laat melden nu Corus Staal B.V. eerst bezig was met het bestrijden van de brand. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen heeft er een brand gewoed op de afdeling [afdeling]. In dit proces-verbaal vermeldt de verbalisant dat volgens de heer [betrokkene 4] om 15.06 uur een melding is binnengekomen bij de milieuregistratie van Corus Staal B.V. De heer [betrokkene 4] gaf daarbij aan dat de eerste melding een explosie in de eindwals betrof en dat de regionale brandweer ter plaatse is. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat in de periode van 15.05 uur tot 16.02 uur sprake is geweest van meerdere, op zich zelf staande incidenten. Nu vast is komen te staan dat er omstreeks 15.06 uur een explosie heeft plaatsgevonden waarvoor de regionale brandweer ter plaatse moest komen, is er naar het oordeel van de rechtbank op dat moment sprake van een ongewoon voorval. Deze explosie en de daarop volgende gebeurtenissen beschouwt de rechtbank, anders dan de raadsman, als één feitencomplex. Dit ongewone voorval is door Corus Staal B.V. niet eerder dan om 17.10 uur aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland gemeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Corus sStaal B.V. het voorval derhalve niet ‘zo spoedig mogelijk’ gemeld. Nu Corus Staal B.V. bewust ervoor heeft gekozen eerst orde op zaken te stellen en daarna pas melding te doen van de brand, acht de rechtbank opzet op dit feit bewezen. Dit betekent dat het verweer wordt verworpen.

Feit 3 (parketnummer 15.995253-06)

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte het tenlastegelegde feit erkent voor zover het betreft de overtredingvariant. Verdachte vertrouwde op een nieuw beheerssysteem. De implementatie van dit systeem is kennelijk niet helemaal correct geschied. Verdachte wist niet van de fout, waardoor geen sprake is van enig opzet. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Vast staat dat het hoogovengassysteem, route 9, niet overeenkomstig de frequentie van 26 weken (die vermeld staat in het goedgekeurde inspectie- en onderhoudsplan) is geïnspecteerd. Verdachte stelt niets van dit feit te hebben geweten en ontkent in die zin het opzet op dit feit. Door blind te vertrouwen op een nieuw beheerssysteem en zonder verdere controle uit te gaan van de juistheid van het nieuwe systeem, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat een situatie als onderhavige zich voor zou doen. De rechtbank acht de opzettelijke variant van het tenlastegelegde feit bewezen. Derhalve wordt het verweer verworpen.

Feit 4 (parketnummer: 15.994721.07)

Uit het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] alsmede uit de verklaring van verdachte zoals ter terechtzitting afgelegd stelt de rechtbank vast dat het voor Corus Staal B.V. lastig is geweest om aan de BEES-A norm te voldoen. Desondanks heeft Corus Staal B.V. zich ingezet om een veilige en effectieve manier te vinden om conform de norm te kunnen meten. Corus Staal B.V. heeft daarbij de provincie Noord-Holland op de hoogte gehouden van haar ontwikkelingen. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder onderhavige omstandigheden niet gesteld worden dat Corus Staal B.V. opzettelijk niet heeft zorg gedragen dat de voorschriften bij of krachtens BEES-A werden nageleefd. De rechtbank acht Corus Staal B.V. echter wel schuldig aan het overtreden van de voorschriften gesteld bij of krachtens BEES-A nu vast is komen te staan dat Corus Staal B.V. metingen en berekeningen die in dit besluit zijn voorgeschreven niet heeft uitgevoerd volgens CEN-normen.

Feit 6 (parketnummer 15.994517-07)

De rechtbank stelt op grond van de verklaringen zoals afgelegd door [betrokkene 6] vast dat Corus Staal B.V. vooraf niet op de hoogte was van de omstandigheid dat de noodketels niet aan de BEES-A norm konden voldoen. Corus Staal B.V. heeft naar aanleiding van vragen vanuit de provincie Noord-Holland, bij meerdere leveranciers navraag gedaan naar een tijdelijke ketel die voldeed aan het BEES-A. Voorts heeft Corus Staal B.V. onderzocht of zij de reeds geplaatste tijdelijke ketels alsnog aan het BEES-A konden laten voldoen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen worden verklaard dat Corus Staal B.V. opzettelijk niet heeft zorg gedragen dat de voorschriften gesteld bij of krachtens BEES-A werden nageleefd. Evenals de officier van justitie meent de rechtbank dat Corus Staal B.V. in deze naar beste weten heeft gehandeld. De rechtbank acht Corus Staal B.V. echter wel schuldig aan het overtreden van de voorschriften gesteld bij of krachtens BEES-A nu vast is komen te staan dat de metingen en berekeningen die in dit besluit zijn voorgeschreven niet zijn uitgevoerd volgens CEN-normen.

Met de raadsman stelt de rechtbank vast dat het feit dat de firma [naam] niet geaccrediteerd is, op zich zelf niet per definitie leidt tot overtreding van artikel 30b, vijfde lid, van het BEES-A. Artikel 30b, vijfde lid, van het BEES-A bepaalt - voor zover van belang - dat:

“Het uitvoeren van afzonderlijke metingen, parallelmetingen en referentiemetingen geschiedt door een rechtspersoon die:

(a) voor deze verrichting is geaccrediteerd of

(b) voor deze verrichtingen de CEN-normen inzake de onafhankelijkheid en de competentie van het laboratorium aantoonbaar tot uitvoering brengt”.

Nu het dossier geen stukken bevat met betrekking tot de onder (b) genoemde mogelijkheid, kan niet zonder meer bewezen worden verklaard dat verdachte artikel 30b, vijfde lid, van het BEES-A heeft overtreden. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

De raadsman heeft met betrekking tot het onder feit 6 tenlastegelegde ontslag van alle rechtsvervolging betoogd, daar verdachte een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toekomt en er geen noodstoomketels op de markt zijn die voldoen aan de BEES-A. norm. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Blijkens de verklaring van [betrokkene 1], zoals afgelegd bij zijn verhoor door de rechter-commissaris, kunnen noodstoomketels in principe voldoen aan de eisen zoals gesteld in BEES-A. Gezien deze verklaring was het voor verdachte wel mogelijk de gestelde norm na te leven. Reeds om die reden verwerpt de rechtbank het verweer. Daar komt overigens bij dat ook voor het overige het verweer geen doel treft. Naar het oordeel van de rechtbank prevaleert in onderhavig geval het maatschappelijk belang, hetwelk de norm beoogt te beschermen, boven het belang van verdachte.

Het bewezenverklaarde is aldus strafbaar en levert op:

Feit 1 (parketnummer 15.995103-06)

Opzettelijke overtreding van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer

Feit 2 (parketnummer 15.995244-06)

Opzettelijke overtreding van artikel 17.2 (oud) van de Wet milieubeheer

Feit 3 (parketnummer 15.995253-06)

Opzettelijke overtreding van artikel 18.18 van de Wet milieubeheer

Feit 4 parketnummer: 15.994721.07

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer (oud), thans overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer

Feit 6 (parketnummer 15.994517-07)

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.44 van de Wet milieubeheer (oud), thans overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer

6. Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde feit ontslag van alle rechtsvervolging betoogd, daar verdachte een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling toe komt. De raadsman stelt daartoe dat verdachte het begrip ‘ongewoon voorval’ conform de revisievergunning en niet conform artikel 17.1 van de Wet milieubeheer heeft geïnterpreteerd. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Vast is komen te staan dat er omstreeks 15.06 uur een explosie heeft plaatsgevonden waarvoor de regionale brandweer ter plaatse moest komen. Bij deze brand zijn minerale oliën verbrand. Naar het oordeel van de rechtbank was er op dat moment zowel conform de revisievergunning als conform artikel 17.1 Wet milieubeheer duidelijk sprake van een ongewoon voorval. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

De raadsman heeft met betrekking tot het onder feit 4 tenlastegelegde feit eveneens ontslag van alle rechtsvervolging betoogd, daar verdachte een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling toe komt. De raadsman stelt daartoe dat verdachte, mede gelet op het intensieve overleg tussen haar en de provincie, kon menen dat zij juist handelde. Voor zover verdachte voor dit feit niet (partieel) is vrijgesproken, overweegt de rechtbank met betrekking tot dit verweer als volgt.

Blijkens de onder 4.3 genoemde bewijsmiddelen wist verdachte dat zij niet aan de gestelde norm voldeed, terwijl zij wel aan deze norm behoorde te voldoen. Verdachte kon naar het oordeel van de rechtbank op grond van die omstandigheid redelijkerwijs niet menen dat zij juist handelde. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Er is verder ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van de misdrijven zoals tenlastegelegd onder de feiten 1, 2 en 3:

Verdachte heeft er niet voor gezorgd dat de verspreiding van stof redelijkerwijs werd voorkomen. Het verspreiden van stof kan in die zin nadelige gevolgen hebben voor de omwonenden van Corus Staal B.V. Fijn stof kan schadelijk zijn voor de gezondheid van omwonenden, want leiden tot negatieve gezondheidseffecten op onder andere hart en longen. Maar ook grof vuil kan hinderlijk zijn, indien als gevolg daarvan goederen vervuild raken. De rechtbank acht gelet hierop, een geldboete van € 2500,- passend en geboden.

Verdachte heeft verzuimd een brand in de koudbandwalserij zo spoedig mogelijk te melden aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland. Bij deze brand zijn minerale oliën verbrand waarbij schadelijke stoffen kunnen ontstaan. Door een spoedige melding achterwege te laten heeft verdachte het bevoegd gezag de mogelijkheid ontnomen direct te kunnen acteren op de situatie. De rechtbank acht gelet hierop, een geldboete van € 1500,- passend en geboden.

Verdachte heeft het hoogovengassysteem, route 9, niet overeenkomstig de frequentie van 26 weken geïnspecteerd. Door het hoogovengassysteem niet binnen deze termijn te inspecteren heeft verdachte belangrijke veiligheidseisen niet in acht genomen. Hierdoor kunnen situaties ontstaan die gevaar voor personen en/of goederen opleveren, zonder dat dit door verdachte tijdig onderkend wordt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. De rechtbank acht gelet hierop, een geldboete van € 6000,- passend en geboden.

Ten aanzien van de overtredingen zoals tenlastegelegd onder de feiten 4 en 6:

Verdachte heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dermate ingespannen om op een deugdelijke en veilige wijze aan de normen en voorschriften van het BEES-A te voldoen dat de rechtbank, gezien de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, zal beslissen dat voor deze feiten geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van strafrecht, artikelen: 9a, 24 (oud), 57 (oud), 62

Wet op de economische delicten, artikelen: 1a (oud), 2, 6

Wet milieubeheer, artikelen: 8.44 (oud, thans 8.40), 17.2 (oud), 18.18

Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, artikelen: 3, 5, 30b

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet–ontvankelijk in de strafvervolging van het onder feit 4 tenlastegelegde feit, met betrekking tot de deelperiode 1 september 2005 tot 17 september 2005.

Spreekt verdachte vrij van het haar onder feit 5 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van de misdrijven onder feit 1, feit 2 en feit 3, zoals bewezen verklaard onder 4.2, tot een geldboete van € 10.000 (tienduizend euro).

Bepaalt dat ten aanzien van de overtreding onder feit 4, zoals bewezen verklaard onder 4.2,

geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Bepaalt dat ten aanzien van de overtreding onder feit 6, zoals bewezen verklaard onder 4.2,

geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.J. Hofstee, voorzitter,

mr. J.M.J. Vos-de Greeve en mr. E.P.W van de Ven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.S. Kikkert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 april 2009.

Mr. Vos-de Greeve is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.