Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2035

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
153389/2009-76
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Klachtbehandeling ex artikel 41a lid 5 Wet BOPZ.

Gelet op de verklaring van betrokkene ter zitting stelt de rechtbank vast dat betrokkene sinds 10 november 2008 op de hoogte was van de uitspraak van de klachtencommissie. De termijn voor indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 41a Wet BOPZ eindigde derhalve op 22 december 2008. Het verzoek is echter bij de rechtbank Amsterdam ingediend op 27 december 2008 (en bij de rechtbank Haarlem binnengekomen op 9 januari 2009). Hieruit volgt dat betrokkene haar verzoekschrift te laat bij de rechtbank heeft ingediend, zodat zij niet kan worden ontvangen in haar verzoek.

Dat de beslissing van de klachtencommissie pas aan betrokkene ter hand is gesteld in de tweede week van december 2008 leidt niet tot een ander oordeel, omdat volgens artikel 41a lid 1 Wet BOPZ de termijn van zes weken aanvangt op de dag waarop de beslissing aan betrokkene is bekendgemaakt. Ook de mededeling van de beslissing was dus voldoende om de termijn doen aanvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Civiel

Familie- en Jeugdrecht

Klachtbehandeling ex artikel 41a lid 5 Wet BOPZ

zaak-/rekestnr.: 153389/2009-76

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 31 maart 2009

in de zaak van:

[naam betrokkene],

wonende te [plaats],

verblijvende in psychiatrisch ziekenhuis [naam]

hierna mede te noemen: betrokkene,

advocaat mr. E.M. Hoorenman, kantoorhoudende te Hoorn.

1 Verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 29 december 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen van betrokkene;

- het faxbericht van de advocaat van betrokkene, met bijlage, van 27 februari 2009;

- het faxbericht van [naam], psychiater van betrokkene (hierna: de psychiater), van 27 februari 2009.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 maart 2009 in aanwezigheid van betrokkene, bijgestaan door mr. Hoorenman voornoemd. Daarnaast zijn ter zitting de psychiater van betrokkene de heer [naam] en mevrouw [naam], teammanager van GGZ inGeest ter zitting verschenen.

1.3 Ter zitting is betrokkene bijgestaan door een tolk in de Spaanse taal.

2 De vaststaande feiten

2.1 Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 23 september 2008, is ten aanzien van betrokkene een voorlopige machtiging verleend om haar in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van zes maanden.

2.2 Op 16 oktober 2008 heeft betrokkene zich tot de Klachtencommissie [naam] (hierna: de klachtencommissie) gewend met – voor zover thans van belang – een klacht tegen dwangbehandeling in de vorm van gedwongen toediening van medicatie.

2.3 Bij beslissing van 10 november 2008 heeft de klachtencommissie deze klacht van betrokkene ongegrond verkaard.

3 Het verzoek

3.1 Op 29 december 2008 is naar aanleiding van voornoemde beslissing van de klachtencommissie ter griffie van de rechtbank een verzoek ingediend in de zin van artikel 41a lid 5 van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (hierna: Wet BOPZ). Betrokkene heeft de rechtbank verzocht haar klacht betreffende het toepassen van dwangbehandeling in de vorm van gedwongen toediening van depotinjecties alsnog gegrond te verklaren. Daarnaast heeft betrokkene verzocht haar klacht tegen voortzetting van de dwangbehandeling gegrond te verklaren en GGZ inGeest te bevelen af te zien van toepassing van dwangbehandeling, onder verbeurte van een dwangsom van € 100 voor iedere keer dat betrokkene gedwongen medicatie wordt toegediend.

3.2 Betrokkene heeft bezwaar tegen dwangmedicatie, omdat zij zich daardoor aangetast voelt in haar persoon. Zij voelt zich lichamelijk ook niet goed als gevolg van de medicatie en komt aan in gewicht. Daarnaast slaapt zij slecht en verliest zij haar tanden. Ter zitting heeft betrokkene naar voren gebracht dat zij de voorkeur geeft aan het gebruik van klassieke homeopathische middelen. Deze alternatieven zijn volgens betrokkene echter nooit met haar besproken.

In verband met voorgaande bezwaren is volgens betrokkene van belang dat zij blijkens het behandelplan wilsbekwaam is, hetgeen naar haar mening impliceert dat er een strenge toets geldt voor het kunnen toepassen van dwangbehandeling. Verzet tegen behandeling van een wilsbekwaam persoon, dient in principe te worden gehonoreerd, tenzij er sprake is van een noodzakelijk ingrijpen. Volgens betrokkene is echter niet gebleken dat toepassing van dwangbehandeling volstrekt noodzakelijk was.

3.3 Ten aanzien van de ontvankelijkheid heeft de raadsman van betrokkene aangevoerd dat de beslissing van de klachtencommissie pas in de tweede week van december 2008 aan betrokkene ter hand is gesteld, zodat de termijn van indiening als bedoeld in artikel 41a lid 1 Wet BOPZ ten tijde van indiening van het verzoek nog niet was verstreken.

4 Het verweer

4.1 De psychiater heeft verweer gevoerd tegen de klachten van betrokkene. Hij heeft aangevoerd dat zij al langere tijd bekend is binnen de instelling in verband met schizofrenie van het paranoïde type. In het verleden heeft betrokkene antipsychotische medicatie voorgeschreven gekregen. Hiermee is zij in 2005 gestopt waarna zij in 2007 (opnieuw) psychotisch is geworden.

4.2 Betrokkene is inmiddels met een voorlopige machtiging opgenomen. Zij wenst geen antipsychotische medicatie te nemen. Met betrokkene zijn meerdere gesprekken gevoerd om haar te bewegen tot het innemen van medicatie. Een langdurig verblijf op een gesloten afdeling zal de psychose niet verminderen, zodat in overleg met de geneesheer-directeur [naam] besloten is te starten met dwangbehandeling. Volgens de psychiater is de behandeling met medicatie noodzakelijk om de toestand van betrokkene te verbeteren en een langdurige opname in een gesloten afdeling te voorkomen. De dwangmedicatie is daadwerkelijk aangevangen kort na de uitspraak van de klachtencommissie van 10 november 2008 en wel op 15 november 2008.

5 Beoordeling

ten aanzien van de ontvankelijkheid

5.1 De rechtbank dient te beoordelen of betrokkene ontvankelijk is in haar verzoek. Daartoe is het volgende van belang. Uit artikel 41a lid 5 Wet BOPZ juncto artikel 41a lid 1 Wet BOPZ volgt dat een klager die patiënt is, zelf een verzoekschrift bij de rechtbank kan indienen ter verkrijging van een beslissing over een klacht. Deze klacht kan door de patiënt worden ingediend in de situatie dat de klachtencommissie niet tijdig een beslissing heeft genomen of indien de beslissing van de klachtencommissie niet inhoudt dat de klacht gegrond is. Het verzoekschrift moet binnen zes weken, ingaande op de dag na die waarop de commissie uiterlijk had moeten beslissen, dan wel ingaande op de dag waarop de beslissing van de commissie aan de patiënt is bekendgemaakt, door de patiënt bij de rechtbank worden ingediend.

5.2 Uit het verslag van de hoorzitting bij de klachtencommissie van 10 november 2008 blijkt, dat voor de beslissing van de commissie over de klacht van betrokkene, de dag na de hoorzitting contact kon worden opgenomen met het ambtelijk secretariaat. De schriftelijke vastlegging van de beslissing zou later volgen. Betrokkene heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij op de dag van de hoorzitting op de hoogte is gesteld van de uitspraak van de klachtencommissie. Aan betrokkene is tijdens dit telefoongesprek medegedeeld dat geen van haar klachten – dus ook niet de klacht die thans nog aan de orde is – zou worden gehonoreerd. Kort nadien is bovendien naar aanleiding van deze uitspraak de dwangmedicatie daadwerkelijk toegepast, nadat die dwang eerder, in afwachting van de beslissing van de commissie, achterwege was gebleven.

5.3 Gelet op de verklaring van betrokkene ter zitting stelt de rechtbank vast dat betrokkene sinds 10 november 2008 op de hoogte was van de uitspraak van de klachtencommissie. De termijn voor indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 41a Wet BOPZ eindigde derhalve op 22 december 2008. Het verzoek is echter bij de rechtbank Amsterdam ingediend op 27 december 2008 (en bij de rechtbank Haarlem binnengekomen op 9 januari 2009). Hieruit volgt dat betrokkene haar verzoekschrift te laat bij de rechtbank heeft ingediend, zodat zij niet kan worden ontvangen in haar verzoek.

Dat de beslissing van de klachtencommissie pas aan betrokkene ter hand is gesteld in de tweede week van december 2008 leidt niet tot een ander oordeel, omdat volgens artikel 41a lid 1 Wet BOPZ de termijn van zes weken aanvangt op de dag waarop de beslissing aan betrokkene is bekendgemaakt. Ook de mededeling van de beslissing was dus voldoende om de termijn doen aanvangen.

6 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart betrokkene niet ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, als voorzitter en mrs. W.J. van Andel en R.A. Otter, als leden van deze kamer en in het openbaar uitgesproken van 31 maart 2009 in tegenwoordigheid van R.C.M. Gerritsen-Martens als griffier.