Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2020

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
148200 - JU RK 08-880
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek verlenging uithuisplaatsing.

De plaatsing in een neutraal gezinshuis door middel van een machtiging uithuisplaatsing is naar het oordeel van de kinderrechter op dit moment in het belang van [naam minderjarige]. Sinds maart 2008 wordt er in het kader van de ondertoezichtstelling tevergeefs gestreefd naar contactherstel om het hoofdverblijf van [naam minderjarige] bij de moeder te realiseren. De uithuisplaatsing van [naam minderjarige] heeft noch een verbetering hierin gebracht, noch de start van de nodige behandeling vergemakkelijkt. [naam minderjarige] verzet zich hevig tegen zijn uithuisplaatsing en zijn relatie met de moeder is nadien zeker niet verbeterd. Onduidelijk is in welk opzicht inwilliging van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing er toe kan bijdragen dat het in de afgelopen negen maanden niet bereikte doel van uithuisplaatsing wel wordt gerealiseerd, te meer nu [naam minderjarige]s verzet tegen de uithuisplaatsing zijn disloyaliteit naar de moeder lijkt te voeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

verlenging machtiging uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling

zaak-/rekestnr.: 148200 / JU RK 08-880

beschikking van de kinderrechter in meervoudige kamer van 14 januari 2009

naar aanleiding van een verzoek van

de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan,

gevestigd te Zaandam,

hierna te noemen: de Stichting,

strekkende tot verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige:

- [naam minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 1995 in de gemeente [plaats],

verblijvende bij Beter Met Thuis in [plaats],

kind van

[naam moeder], wonende in [plaats],

hierna te noemen: de moeder,

en

[naam vader],wonende in [plaats],

hierna te noemen: de vader.

Het gezag over de minderjarige wordt uitgeoefend door de ouders.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de tussenbeschikking van de kinderrechter van 18 december 2008 en de daarin vermelde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van 9 januari 2009.

1.2 De rechtbank heeft de aangehouden zaak verder behandeld op de zitting met gesloten deuren van 9 januari 2009. Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar raadsman mr. J.R. Laoût;

- de vader;

- de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw I. van der Most en de heer M. Zeldenrust;

- mr. V.J.M.H.Y. van Haaster, de raadsvrouw van de minderjarige.

1.3 De minderjarige [naam minderjarige] is in raadkamer gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw.

2 Standpunten van partijen

2.1 Ter zitting van 9 januari 2009 heeft de Stichting het (resterend) verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling gehandhaafd. De Stichting heeft in dat verband gepersisteerd bij de overneming van de conclusie van de FORA-rapportage, waarin plaatsing van [naam minderjarige] in een neutrale setting met behandelingsmogelijkheden wordt geadviseerd, de plaatsing bij de moeder (voorlopig) niet geïndiceerd dan wel haalbaar wordt geacht wegens de sterke negatieve gevoelens die [naam minderjarige] jegens moeder ervaart, en de plaatsing bij de vader wordt uitgesloten wegens vaders persoonlijke problematiek, zijn symbiotisch getinte relatie met [naam minderjarige], zijn gebrek aan inzicht in zijn eigen en [naam minderjarige] functioneren, zijn neiging om de problemen te ontkennen en de schuld buiten zichzelf te leggen en een mismatch tussen [naam minderjarige] opvoedingsbehoeften en hetgeen de vader kan bieden. Voorts zijn [naam minderjarige] forse loyaliteitsproblematiek (splitsing), de continuïteit van noodzakelijke therapie en de resultaten en ervaringen van [naam minderjarige] verblijf bij de vader contra-indicaties voor plaatsing bij de vader.

2.2 De Stichting is van mening dat [naam minderjarige] gebaat is bij plaatsing in een neutrale setting en zij verwacht dat er geen mismatch zal ontstaan tussen de opvoedingsbehoeften van [naam minderjarige] en het gezinshuis, gelet op het intelligentieniveau van [naam minderjarige] en zijn aanpassingsvermogen.

2.3 Deze plaatsing wordt als een noodzakelijke voorwaarde gezien om te komen tot contactherstel met de moeder, onder meer door medewerking van [naam minderjarige] en de ouders aan de systeemtherapie. De Stichting is op zoek naar een geschikte instelling, nu niet zeker is dat systeemtherapie bij de plaatsing bij de Hoenderloogroep realiseerbaar is. De Stichting heeft nog geen alternatief plan vastgesteld voor het geval dat een of meerdere betrokkenen niet aan de systeemtherapie zou meewerken of het contact tussen [naam minderjarige] en zijn moeder niet zou verbeteren.

2.4 Zoals reeds ter zitting van 11 december 2008 door de Stichting is aangevoerd, is bij aanvang van de ondertoezichtstelling geprobeerd om een bezoekregeling tussen [naam minderjarige] en de moeder vanuit de thuissituatie bij de vader op te starten. Het contactherstel is echter niet gelukt omdat [naam minderjarige] geen toestemming van de vader heeft gekregen. [naam minderjarige] is klem blijven zitten tussen de ouders. Tijdens het verblijf van [naam minderjarige] bij Beter Met Thuis is een positieve ontwikkeling in zijn sociale vaardigheden geconstateerd, met name in zijn omgang met leeftijdsgenoten. De school onderschrijft deze verbetering.

2.5 De moeder en haar raadsman hebben aangegeven dat zij achter het verzoek van de Stichting staan en de neutrale plaatsing van [naam minderjarige] noodzakelijk vinden, omdat het contact tussen [naam minderjarige] en de moeder door de vader constant wordt gefrustreerd en de vader, ondanks alle toezeggingen en rapportages, geen probleembesef of -inzicht heeft en geen stappen onderneemt met betrekking tot zijn persoonlijke problematiek. De moeder heeft ter zitting van 11 december 2008 aangegeven geen bezwaar te hebben tegen plaatsing bij de Hoenderloogroep. De moeder stelt het belang van [naam minderjarige] voorop en zij is gekant tegen plaatsing bij de vader, omdat dit volgens haar tot definitief verlies van haar contact met [naam minderjarige] zou leiden. Zij heeft weersproken dat zij [naam minderjarige] ooit heeft geslagen.

De moeder heeft bevestigd dat het verblijf bij Beter Met Thuis [naam minderjarige] goed heeft gedaan en dat ook de school vooruitgang heeft gemerkt in [naam minderjarige] contacten met zijn klasgenoten.

2.6 De vader heeft ter zitting van 9 januari 2009 zijn standpunt gehandhaafd dat [naam minderjarige] bij hem dient te worden teruggeplaatst. Hij is het niet eens met de conclusies van de Stichting en hij acht het uitgezette traject niet in het belang van [naam minderjarige]. [naam minderjarige] ervaart zijn plaatsing bij Beter Met Thuis als straf. De vader heeft verder aangegeven dat hij na de uithuisplaatsing geen positieve ontwikkelingen bij [naam minderjarige] heeft waargenomen. Hij weerspreekt hetgeen de Stichting daarover heeft gesteld. Hij heeft slechts kleine veranderingen gemerkt, zoals meer met elkaar praten.

2.7 De vader heeft voorts de contra-indicaties voor terugplaatsing van [naam minderjarige] bij hem bestreden. Hij heeft daarbij naar de FORA-rapportage verwezen, waarin niet aan zijn opvoedingskwaliteiten of -vaardigheden wordt getwijfeld. Hij heeft aangevoerd dat hij een goede en hechte band heeft met [naam minderjarige]. Deze band is volgens hem niet gelijk aan een vriendenrelatie. Van een te ver gaande, symbiotisch getinte relatie is geen sprake. De vader ontkent dat hij [naam minderjarige] nog met volwassenenproblematiek belast. De vader heeft zelf hulp gezocht in het vrijwillige kader en hij verklaart in het belang van [naam minderjarige] bereid te zijn om zijn volle medewerking te verlenen aan de geïndiceerde hulpverlening, zoals de therapie door de [naam], hoewel zijn voorkeur naar [naam] uitgaat. Hij ontkent het contact van [minderjarige] met de moeder te frustreren en zijn negatieve visie op de moeder en/of de hulpverlening ten behoeve van [minderjarige] over te dragen. Hij heeft verder zijn verontwaardiging over de werkwijze van de Stichting geuit, met name over het feit dat de Stichting aanvankelijk, ondanks vaders verzoeken daartoe, geen therapie nodig vond voor [minderjarige], om vervolgens verschillende therapieën te indiceren waarvan de uitvoering tot op heden is uitgebleven.

2.8 De raadsvrouw van [naam minderjarige] heeft ter zitting van 9 januari 2009 aangegeven dat het standpunt van [naam minderjarige] zeer duidelijk is. [naam minderjarige] wenst naar de vader terug te keren. De raadsvrouw vindt bezwaarlijk dat er, ondanks het FORA-onderzoek en het daarin vervatte advies, geen duidelijk toekomsttraject is uitgezet. De Stichting gaat ervan uit dat alle betrokkenen hun medewerking verlenen, maar er is/zijn geen concreet hulpverleningsplan en/of alternatieven vastgesteld. Tevens is onduidelijk of in het verleden ambulante hulpverlening is geboden en welke hulpverlenings- of begeleidingsmogelijkheden eventueel zouden kunnen worden geboden. Tot slot heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de geldigheid van het indicatiebesluit op 27 december 2008 is verstreken.

3 Beoordeling

3.1 Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen ter zittingen naar voren is gekomen, is de kinderrechter gebleken dat de situatie van [naam minderjarige] zorgelijk is. Hij ondervindt veel last van de strijd tussen zijn ouders en van zijn disloyaliteit naar de moeder. De situatie is dermate zorgelijk dat sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van [naam minderjarige]. Hulpverlening in het gedwongen kader is dan ook noodzakelijk en verleend. [naam minderjarige] is in dit verband vanaf maart 2008 bij Beter Met Thuis geplaatst. Gelet op de problematiek is systeemtherapie en therapie voor [naam minderjarige] zelf geïndiceerd. De reeds ingezette hulpverlening blijkt echter tot op heden geen vruchten te hebben afgeworpen: [naam minderjarige] blijft boos op zijn moeder, het contact met haar is niet verbeterd, [naam minderjarige] verzet zich tegen een andere plaatsing dan bij de vader en er is verder geen behandeling gestart.

3.2 Met betrekking tot [naam minderjarige] verblijfplaats zijn er thans drie plaatsingsalternatieven denkbaar: bij de moeder, bij de vader of in een neutrale setting door middel van een (verlenging) machtiging uithuisplaatsing. De Stichting heeft om onder 2.1 tot en met 2.4 genoemde redenen voor het derde alternatief gekozen. De kinderrechter zal deze mogelijkheden hieronder achtereenvolgens bespreken.

3.3 Bij de beschikking van deze rechtbank van 26 februari 2008 is het hoofdverblijf van [naam minderjarige] bij de moeder bepaald. Uit de FORA-rapportage blijkt echter dat deze plaatsing niet haalbaar wordt geacht, vanwege de sterke negatieve gevoelens die [naam minderjarige] jegens de moeder ervaart. Indien [naam minderjarige] bij de moeder zou worden geplaatst voordat het onderlinge contact is hersteld en de relatie is verbeterd en gestabiliseerd, zal [naam minderjarige] zich daartegen hevig verzetten. Dit kan leiden tot verdere verslechtering van de relatie met de moeder met mogelijke consequenties voor de relatie tussen [naam minderjarige] en zijn zusje. Het herstelproces zal geruime tijd in beslag nemen, zodat plaatsing bij de moeder pas op de lange termijn in heroverweging kan worden genomen. Plaatsing bij moeder kan dan ook niet in het belang van [naam minderjarige] worden geacht.

3.4 De plaatsing in een neutraal gezinshuis door middel van een machtiging uithuisplaatsing is naar het oordeel van de kinderrechter op dit moment evenmin in het belang van [naam minderjarige]. Sinds maart 2008 wordt er in het kader van de ondertoezichtstelling tevergeefs gestreefd naar contactherstel om het hoofdverblijf van [naam minderjarige] bij de moeder te realiseren. De uithuisplaatsing van [naam minderjarige] heeft noch een verbetering hierin gebracht, noch de start van de nodige behandeling vergemakkelijkt. [naam minderjarige] verzet zich hevig tegen zijn uithuisplaatsing en zijn relatie met de moeder is nadien zeker niet verbeterd. Onduidelijk is in welk opzicht inwilliging van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing er toe kan bijdragen dat het in de afgelopen negen maanden niet bereikte doel van uithuisplaatsing wel wordt gerealiseerd, te meer nu [naam minderjarige] verzet tegen de uithuisplaatsing zijn disloyaliteit naar de moeder lijkt te voeden. Daarbij is voorts van belang dat er, behalve de loyaliteitsproblematiek en daarmee samenhangende sociaal-emotionele problemen, van vrijwel geen kindsignalen zijn gebleken. Met name de leeftijd en de intelligentie van [naam minderjarige], zijn affectieve band met tenminste één ouder en zijn jongere zus, zijn goede functioneren op school en zijn redelijk op peil gebrachte sociale vaardigheden ziet de kinderrechter als beschermende factoren. Onder deze omstandigheden kan het onvermogen van [naam minderjarige] en de beide ouders om een normaal en goed contact met elkaar te onderhouden voortzetting van deze vergaande maatregel niet rechtvaardigen.

3.5 Vóór zijn uithuisplaatsing verbleef [naam minderjarige] bij de vader. Hoewel [naam minderjarige] en de vader aan deze plaatsing de voorkeur geven, is dit alternatief verre van optimaal. De vrees bestaat dat [naam minderjarige] in vaders thuissituatie wordt belast met volwassenenproblematiek en dat de vader zich niet als een verantwoordelijke ouder gedraagt, maar [naam minderjarige] gebruikt als vriend en ondersteuner van de vader. Aan de eerder uitgesproken bereidheid van de vader om de nodige hulpverlening te accepteren is geen uitvoering gegeven. De vader heeft het contact met de moeder niet gesteund, ondanks het feit dat hij er op is gewezen dat dit in het belang van een gezonde ontwikkeling van [naam minderjarige] noodzakelijk is. De disloyaliteit naar de moeder is door de vader niet expliciet afgekeurd. Een eerdere poging om het contact met de moeder vanuit vaders thuissituatie te herstellen is mislukt en aanleiding geweest voor de uithuisplaatsing van [naam minderjarige]. Ondanks het voorgaande acht de kinderrechter terugplaatsing van [naam minderjarige] naar de vader het meest in zijn belang. Dit gelet op het onder 3.4 overwogene en het feit dat de vader op dit moment zelf therapie volgt en bereid is mee te werken aan systeemtherapie.

Het bovenstaande in aanmerking genomen zal het verzoek van de Stichting worden afgewezen.

3.6 Gelet op de onder 3.3 aangehaalde FORA-conclusie met betrekking tot de plaatsing bij de moeder en op de hiervoor genoemde afwijzing van de verzochte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing, gaat de kinderrechter ervan uit dat [naam minderjarige] op dit moment naar de vader terugkeert, ondanks de bezwaren die ook daaraan kleven en die onder 3.5 zijn beschreven. Aldus krijgt de vader de kans om zijn houding naar de moeder en de hulpverlening te veranderen en om te laten zien dat hij zich inzet voor een verbetering in de communicatie met de moeder en de hulpverlening, zich onthoudt van diskwalificerende uitlatingen (verbaal en non verbaal) en bevordert dat de contacten tussen [naam minderjarige] en zijn moeder worden genormaliseerd.

3.7 De kinderrechter verwacht dan ook van de vader dat hij zijn ter zitting gedane beloften in daden zal omzetten en aldus zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de systeemtherapie en [naam minderjarige] therapie door [naam] verleent, zijn wens van positief contact tussen [naam minderjarige] en de moeder aan [naam minderjarige] kenbaar maakt en zijn instemming daarmee expliciet, overtuigend en zonodig bij herhaling op [naam minderjarige] overbrengt, [naam minderjarige] stimuleert in het onderhouden van contact met zijn moeder, hem daarbij ondersteunt en de contacten op een positieve wijze terugkoppelt richting zijn zoon. De kinderrechter verwacht voorts dat de moeder en [naam minderjarige] eveneens hun volledige medewerking aan de nodige hulpverlening verlenen en dat beide ouders, zo mogelijk in gezamenlijk overleg en tenminste in samenwerking met de Stichting, beslissingen zullen nemen met betrekking tot [naam minderjarige] en zijn toekomst. Tot slot wijst de kinderrechter partijen erop dat een gebrek aan medewerking gevolgen kan hebben voor de toekomst. De Stichting staat het vrij om op grond van gewijzigde omstandigheden of negatieve ontwikkelingen een nieuw verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in te dienen.

3.8 Overigens merkt de kinderrechter op dat het verzoek van de Stichting ook formeel gezien niet toewijsbaar is, omdat de geldigheid van het overgelegde indicatiebesluit d.d. 27 december 2007 op 27 december 2008 is verstreken.

4 Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Ayal, als voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. A. Roelvink-Verhoeff en M. Flipse, als leden van deze kamer, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken van 14 januari 2009 in tegenwoordigheid van A. Hausenblasová als griffier.

Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze aan hen op andere wijze bekend is geworden.