Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI1915

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
15-800483-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS; Vrijspraak namaken geld; Vrijspraak wederrechtelijk uitgeven echt geld; witwassen;

Verdachte wordt vrijgesproken terzake het namaken van geld (1 primair) en het wederrechtelijk uitgeven van echt geld (1 subsidiair). Ten aanzien van het primaire feit ontbreekt de bekendheid met de valsheid van de bankbiljetten. De tenlastelegging onder 1 subsidiair ziet op het wederrechtelijk uitgeven van echt geld. Nu door de Koninklijke Marechaussee is vastgesteld dat de 658 biljetten van 50,- euro vals zijn, kan verdachte zich niet schuldig hebben gemaakt aan het tenlastegelegde. Veroordeling voor witwassen (feit 2) tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een werkstraf voor de duur van 120 uren. Artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800483-08

Uitspraakdatum: 17 april 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 april 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats] (Goudkust),

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

primair

zij op of omstreeks 13 maart 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk 658, althans een hoeveelheid bankbiljetten van 50 Euro, die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen zij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

subsidiair

zij op of omstreeks 13 maart 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk muntspeciën en/of munt- of bankbiljetten, te weten 658, althans een hoeveelheid bankbiljetten van 50 Euro, welke bestemd waren om als wettig betaalmiddel in omloop te worden gebracht, in omloop heeft gebracht, althans, teneinde deze in omloop te brengen heeft ontvangen, zich heeft verschaft en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft vervoerd, ingevoerd, doorgevoerd en/of uitgevoerd;

2.

zij op of omstreeks 13 maart 2008, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 36.400 Euro, althans een (groot) geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geldbedrag van 36.400 Euro, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven telefoon wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende en dat de overige goederen verbeurd verklaard worden.

4. Oordeel van de rechtbank

4.1 Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. In de woning van verdachte is in een slaapkamer onder een bed een hoeveelheid valse bankbiljetten van 50,- euro aangetroffen. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte die bankbiljetten zelf heeft nagemaakt dan wel dat verdachte op het moment dat zij in het bezit is gekomen van de valse bankbiljetten van 50,- euro, bekend was met de valsheid van die bankbiljetten. Weliswaar heeft verdachte in haar eerste verhoor verklaard dat al het geld dat in de slaapkamer is aangetroffen van haar is en verdiend in haar winkel [1], maar de rechtbank is met de raadsman en anders dan de officier van justitie van oordeel dat deze verklaring aldus begrepen moet worden dat deze slechts ziet op het echte geld dat in drie losse enveloppen is aangetroffen en niet op het valse geld.

Naar het oordeel van de rechtbank is eveneens niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dat de tekst van de tenlastelegging onder 1 subsidiair is toegesneden op artikel 210 van het Wetboek van Strafrecht. In dit artikel is het wederrechtelijk uitgeven van echt geld strafbaar gesteld. Ook de tenlastelegging ziet op het wederrechtelijk uitgeven van echt geld. Nu door de Koninklijke Marechaussee is vastgesteld dat de 658 biljetten van 50,- euro vals zijn [2], kan verdachte zich niet schuldig hebben gemaakt aan het tenlastegelegde. Deswege dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.

4.2 Bewijs ten aanzien van feit 2.

Op 13 maart 2008 is de woning van verdachte aan de [adres] te Amsterdam in aanwezigheid van de rechter-commissaris doorzocht. Dit gebeurde in het kader van een onderzoek naar de zoon van verdachte. In de woning bleek een van de drie slaapkamers afgesloten door middel van een sleutel. Verdachte wist niet waar de sleutel was. Hierop is de deur met een breekijzer open gemaakt. In deze slaapkamer werd onder het bed een kleine afgesloten kluis aangetroffen. Verdachte beschikte niet over een sleutel van deze kluis. Ook werden drie enveloppen met daarin bankbiljetten met een waarde van in totaal 9.000,- euro en een tas met 658 valse biljetten van 50,- euro onder het bed aangetroffen [3].

Op 14 maart 2008 is het kluisje open gemaakt door medewerkers van de Koninklijke Marechaussee. Hierin bleken acht enveloppen met bankbiljetten te zitten, met een totale waarde van 36.400,- euro [4].

Door en namens verdachte zijn voorgaande constateringen niet weersproken.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij niet wist dat er een kluis in haar woning aanwezig was, dat zij niet weet waar het geld in de kluis vandaan komt en dat zij niet weet hoe deze kluis in haar slaapkamer terecht is gekomen.

De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig en stelt deze terzijde. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de slaapkamer bij haar in gebruik was als kledingkamer en dat zij deze altijd op slot deed [5]. Vooropgesteld dient te worden dat verdachte als hoofdbewoner van de woning en gebruiker van de slaapkamer, verantwoordelijk mag worden gehouden voor goederen die in die slaapkamer worden aangetroffen. Door en namens verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden naar voren gebracht die dat in de onderhavige situatie anders maken. Daar komt bij dat de kluis onder een bed is aangetroffen, alwaar ook losse enveloppen met bankbiljetten zijn aangetroffen. Verdachte heeft over deze enveloppen ter terechtzitting verklaard dat deze haar handelsgeld bevatten [6]. Ten slotte heeft verbalisant [verbalisant 4] verklaard dat verdachte tijdens de zoeking in haar woning en nadat de kluis was aangetroffen, heeft gezegd dat het kluisje van haar is [7]. Het vorenstaande in onderling verband en samenhang beschouwd, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van een kluis met daarin een groot geldbedrag in haar slaapkamer.

De rechtbank overweegt voorts dat noch uit de stukken van het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting de herkomst van het geld in de kluis is gebleken. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van 36.400,- euro in een kluis in een slaapkamer in haar woning. Voorts is niet gebleken dat verdachte een bron van inkomsten heeft die een dergelijk bedrag kan verklaren. Daar komt nog bij dat de kluis met het geld enigszins verstopt onder een bed is aangetroffen, met in de onmiddellijke nabijheid een tas met daarin een aanzienlijk bedrag aan valse eurobiljetten. Deze omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, leiden de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geld in de kluis van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte van deze illegale herkomst op de hoogte moet zijn geweest.

4.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2. tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op 13 maart 2008, te Amsterdam, een (groot) geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 2. meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

2.

witwassen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties en van overige beslissingen

7.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Het geld is aangetroffen in een kluis in een slaapkamer in de woning van verdachte. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Witwassen is bovendien een essentieel onderdeel van de georganiseerde criminaliteit.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ten voordele van verdachte rekening gehouden met haar gevorderde leeftijd en het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank verdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit vrijspreekt.

7.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 10 en 21-38, te weten een kluis, een notitie, een sleutel en bankbiljetten met een gezamenlijke waarde van 36.400,- euro dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het haar onder 2. tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van EEN (1) MAAND, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTWINTIG (120) UREN taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door ZESTIG (60) DAGEN hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uur taakstraf, subsidiair een dag vervangende hechtenis, in mindering wordt gebracht.

Beslagbeslissingen als vermeld in vonnis.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. van den Bos, voorzitter,

msr. M. Hoendervoogt en J.J.M. Uitermark, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. G. Drenth,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2009.

Noten:

[1] Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 14 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina 213-215), inhoudende – voor zover van belang – de verklaring van verdachte.

[2] Het ambtsedig proces-verbaal ivm onderzoek betaalmiddelen, d.d. 19 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] (dossierpagina 204-205), inhoudende de bevindingen van de desbetreffende verbalisant.

[3] Het ambtsedig proces-verbaal van doorzoeking, d.d. 14 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] (dossierpagina 194-196), inhoudende de bevindingen van verbalisanten.

[4] Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] (dossierpagina 206-207), inhoudende de bevindingen van de desbetreffende verbalisant.

[5] Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 april 2009, inhoudende – voor zover van belang – de verklaring van verdachte.

[6] Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 6 april 2009, inhoudende – voor zover van belang – de verklaring van verdachte.

[7] Het ambtsedig proces-verbaal van doorzoeking, d.d. 18 maart 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] (dossierpagina 197-198), inhoudende de bevindingen van de desbetreffende verbalisant.