Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI1010

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
353366-CVEXPL07-6559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Mesothelioom. Eindvonnis na tussenvonnis van 19 maart 2008 (LJN BI1004).

Eiser stelt dat blootstelling aan asbest bij zijn werkzaamheden bij Corus de bij hem geconstateerde asbestziekte mesothelioom heeft veroorzaakt. Volgens eiser is Corus verwijtbaar tekortgeschoten als werkgever, gelet op het bepaalde in artikel 7:658 BW, en is zij gehouden de door hem geleden en nog te lijden schade te vergoeden.

Bij tussenvonnis van 19 maart 2008 is Corus toegelaten tot het tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling van eiser dat hij tijdens zijn dienstverband bij Corus is blootgesteld aan asbest. De kantonrechter is van oordeel dat Corus niet geslaagd is in het leveren van tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 353366/ CV EXPL 07-6559

datum uitspraak: 1 april 2009

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. R.F. Ruers

tegen

Corus Staal B.V.

te IJmuiden, gemeente Velsen

gedaagde partij

hierna te noemen: Corus

gemachtigde: J.West

De procedure

De kantonrechter heeft op 19 maart 2008 vonnis gewezen. Overgenomen wordt wat daarin is overwogen en beslist.

Op 16 april 2008 hebben partijen een akte uitlating tegenbewijs genomen.

Op 11 juni 2008 heeft er een getuigenverhoor plaatsgevonden waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Op 29 september 2008 heeft een voortzetting getuigenverhoor plaatsgevonden waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Op 12 november 2008 heeft Corus een conclusie na enquête genomen.

Op 10 december 2008 heeft [eiser] een antwoord conclusie na enquête genomen.

Vonnis is bepaald op heden.

Verdere beoordeling van het geschil

Procespartijen

Blijkens de door eiser overgelegde verklaring van erfrecht is [nabestaande van eiser] zelfstandig bevoegd om over gelden en geldswaarden behorende tot de nalatenschap van [eiser] te beschikken en namens de rechtsopvolgers onder algemene titel in de nalatenschap van [eiser], die op 10 februari 2008 is overleden, op te treden. In dit vonnis zal de oorspronkelijke eiser verder als [eiser] worden aangeduid.

Het getuigenbewijs

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 19 maart 2008 Corus toegelaten tot het leveren van het tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling van [eiser], dat hij tijdens zijn dienstverband bij Corus in de periode van 31 mei 1965 tot 1 maart 1976 is blootgesteld aan asbest.

Corus heeft daartoe een tweetal getuigen doen horen te weten de heer [XXX], werknemer van Corus en de heer dr. J.G.M. van Rooij. Zij hebben verklaard overeenkomstig de processen verbaal die van die beide verhoren zijn opgemaakt.

Uitleg bewijsopdracht

Corus heeft allereerst betoogd dat de bewijsopdracht aldus moet worden uitgelegd dat het moet gaan om een relevante blootstelling aan asbest tijdens het dienstverband bij Corus. Zij verwijst daarvoor naar de achtergrondwaarde die op alle plaatsen (in verhoogde concentratie in stedelijke gebieden) aanwezig is.

[eiser] heeft daartegenover gewezen op het reeds vaststaande gegeven dat er ten aanzien van het mesothelioomrisico geen drempelwaarde is vast te stellen.

Hieromtrent is de kantonrechter van oordeel dat een redelijke uitleg van het probandum meebrengt dat Corus tegenbewijs moet leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat de blootstelling aan asbest tijdens zijn dienstverband bij Corus in relevante mate uitging boven de milieublootstelling zoals deze als gemiddelde waarde in de omgevingslucht in die periode aanwezig is.

Beoordeling van het tegenbewijs

Uitgaande van deze uitleg dient thans de vraag te worden beantwoord of Corus met de beide getuigenverklaringen het bewijs, zoals dat tot het eerdere tussenvonnis voorhanden was en door de kantonrechter bij zijn eerdere oordeel is betrokken en meegewogen, heeft ontzenuwd.

Naar het oordeel van de kantonrechter dient die vraag ontkennend te worden beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Aan de verklaring van [XXX], die in 1979 bij Hoogovens is komen te werken, kan voor zover het betreft de feitelijke omstandigheden waaronder [eiser] zijn werk verrichtte, de plaatselijke situatie, de wijze waarop reparatiewerkzaamheden werden verricht en de werkplek van [eiser] slechts beperkte betekenis worden toegekend nu vaststaat dat hij eerst 3 jaar na het vertrek van [eiser] daar werkzaam is geweest. In zoverre kan zijn verklaring niet afdoen aan de eerdere verklaringen van werknemers die wel in dezelfde periode aldaar werkzaam waren. Bovendien bevestigt hij op een aantal punten voor het voorshands geleverde bewijs van belang zijnde gegevens, zoals de asbesthoudendheid van de remmen van de kranen, het ter plaatse vervangen daarvan, de aanwezigheid van asbest in de motoren van de kranen en het schoonmaken van de walsen door het productiepersoneel met luchtdruk spuiten.

Vervolgens komt aan de orde de vraag of de getuigenverklaring van Van Rooij en de presentatie die van die verklaring deel uitmaakte tot de conclusie moet voeren dat het eerdere bewijsoordeel niet in stand kan blijven omdat het door die verklaring is ontzenuwd.

Het oordeel dat dat niet het geval is grondt de kantonrechter allereerst op de omstandigheid dat Van Rooij ook de opsteller is van het rapport getiteld “Retrospectieve beoordeling van blootstelling aan asbest, oud-werknemer S. [eiser] Hoogovens te Beverwijk”, en dat de inhoud van dat rapport in meergenoemd tussenvonnis bij de bewijswaardering is meegewogen en dat zijn verklaring en presentatie daar slechts in beperkte mate een toevoeging aan hebben gegeven.

De kantonrechter stelt voorop dat het rapport, alsook de aanvullende verklaring voor de conclusies, noodzakelijkerwijs uitgaat van een aantal aannames en schattingen die achteraf niet verifieerbaar zijn. Zo blijkt uit de verklaring van drs. Van Rooij (sheet 26) dat er slechts beperkte meetgegevens in de walserij beschikbaar zijn.

Die constatering weegt zwaar in het licht van de onder punt e. van de vastgestelde feiten genoemde Notitie van Speurwerk en Ontwikkeling Arbeids- en Milieuhygiëne van 24 oktober 1972. In deze notitie wordt aangenomen dat het stof dat zich op kranen onder de remschijven bevindt asbestvezels bevat en wordt aanbevolen dit stof door een betere monstername aan een nadere analyse bij TNO te onderwerpen. Niet gesteld of gebleken is dat aan die aanbeveling door Corus uitvoering is gegeven. Dat heeft tot gevolg dat de aannames die drs. Van Rooij blijkens zijn rapportage en zijn presentatie doet -noodzakelijkerwijs- van niet verifieerbare gegevens uitgaat. De kantonrechter wijst daartoe met name op de aannames van de wijze van ventilatie, de luchtstroom in de hal en de conclusie dat eventuele asbestdeeltjes niet op of bij de werkplek van [eiser] terechtkwamen vanwege het lage soortelijk gewicht. Niet proefondervindelijk is hiermee aangetoond dat de betreffende asbest deeltjes zich niet aan het aanwezige stof hebben kunnen hechten waardoor dat stof plaatselijk grotere concentratiewaarden bevatte dan in de rapportage aangenomen. Dat die meetgegevens uit de relevante periode niet voorhanden zijn (zie hieromtrent ook sheet 34 en de daarop gegeven aanvulling) komt voor risico van Corus gezien de omstandigheid dat in 1972 de gevaren van asbest onderkend werden en ook destijds nader onderzoek is aanbevolen.

Reeds het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verklaring van drs. Van Rooij niet het eerder voorshands geleverde bewijs heeft ontzenuwd.

Daar komt bij dat ook voor de aanname dat door de sterke ventilatie in de hal in verhouding tot de grootte daarvan, de blootstelling aan asbest door de aanwezige diffuse bronnen vergelijkbaar is met de concentratie in de buitenlucht ( 1.000 tot 10.000 vezels/m3) evenmin concrete meetgegevens uit de relevante periode voorhanden zijn die die aanname kunnen onderbouwen. In dit verband is van belang hetgeen de collega’s van [eiser] over het slechts in beperkte mate aanwezig zijn van ventilatie hebben verklaard. Deze verklaringen, voor zover betrekking hebbende op de feitelijke situatie in de betreffende periode, worden niet door het rapport weerlegd. Met name ook de omstandigheid dat de ventilatie in de hal niet constant was (zomer en winter) en dat ook lage concentraties of kortdurende blootstelling aan asbestvezels de kans op mesothelioom vergroten speelt hierbij een rol. De omstandigheid dat [eiser] als hardingwalser geen -rechtstreekse- werkhandelingen met asbest verrichtte weerlegt niet de stelling dat hij tijdelijk aan relevante grotere concentraties van asbest is blootgesteld dan de milieublootstelling bij en gedurende zijn werkzaamheden bij Corus. Voor het overige verwijst de kantonrechter naar hetgeen over de eerdere bewijslevering is overwogen en beslist in het eerdere genoemde tussenvonnis.

Uit het bovenstaande volgt dat Corus niet geslaagd is in het leveren van tegenbewijs.

De oorspronkelijke vordering tot het geven van een verklaring voor recht en schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet is derhalve voor toewijzing vatbaar, nu de kantonrechter het verweer ten aanzien van de toewijsbaarheid van schade nader op te maken bij staat reeds in het eerdere tussenvonnis van 19 maart 2008 heeft verworpen.

Ten aanzien van hetgeen Corus bij conclusie na enquête nog heeft gesteld met betrekking tot het geringere gevaar bij het gebruik van wit asbest merkt de kantonrechter op dat die stellingen niet tot een andere bewijsbeoordeling leiden. Verwezen wordt daaromtrent naar hetgeen daarover in het vonnis van 19 maart 2008 is overwogen.

Immateriële schade

Ten aanzien van het gevorderde bedrag ad € 50.000,00 ter zake immateriële schade overweegt de kantonrechter het volgende.

Uitgaande van het normbedrag van € 48.325,00 voor smartegeld dat per 1 januari 2006 bij het asbestconvent is vastgesteld komt het door [eiser] gevorderde bedrag niet onredelijk voor.

Niet betwist is dat de ziekteperiode in het onderhavige geval langer dan gemiddeld heeft geduurd –de diagnose is op 15 november 2005 gesteld- en voorts dient naar billijkheid met een zekere inflatie rekening te worden gehouden.

Hiermee rekening houdend is het gevorderde bedrag aan immateriële schade toewijsbaar, waarbij de kantonrechter nog in verband met de rechtsopvolging onder algemene titel van dit deel van de schade wijst op het bepaalde bij artikel 6:106 lid 2 BW.

Voor vergoeding van wettelijke rente vanaf 15 november 2005 is (naast hetgeen hierboven over de inflatie is opgemerkt) geen plaats. Terecht heeft Corus aangevoerd dat van een eerdere opeisbaarheid en verzuim dan vanaf de dag der dagvaarding niet is gebleken. Daarbij speelt ook een rol dat de immateriële schadevergoeding met name betrekking heeft op de ziekteperiode van [eiser] en niet (alleen) op het moment waarop de diagnose werd gesteld. De wettelijke rente zal derhalve worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding zijnde 18 juli 2007.

Buitengerechtelijke kosten

Ten slotte heeft Corus de hoogte van de buitengerechtelijke kosten ad € 7.805,94 bestreden als in strijd met de geldende richtlijnen hierover. [eiser] heeft voor een onderbouwing daarvan verwezen naar het overzicht dat als productie 3 bij de inleidende dagvaarding is overgelegd.

Uit het overzicht blijkt onvoldoende dat hier sprake is van kosten die ( in relevante mate) uitgaan boven de gebruikelijke kosten ter voorbereiding en instructie van de zaak. Hierbij speelt een rol dat niet uit het overzicht is gebleken dat er bijvoorbeeld sprake is geweest van intensieve schikkingonderhandelingen of andere daarmee gelijk te stellen werkzaamheden.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat reeds op 21 november 2006 een kort geding door [eiser] in deze kwestie aanhangig is gemaakt en dat vóór die tijd niet meer dan ca 4 uur is gedeclareerd voor eenvoudige correspondentie en telefoontjes. Toewijsbaar is derhalve ter zake van deze post het gebruikelijke bedrag van € 1.785,00 (inclusief btw).

Proceskosten

Corus zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij de proceskosten, die van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen, dienen te dragen.

Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat Corus jegens [eiser] verwijtbaar tekortgeschoten is en daardoor jegens hem schadeplichtig is geworden;

- veroordeelt Corus tot betaling aan [eiser] van € 50.000,00 ter zake van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 juli 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt Corus aan [eiser] te vergoeden de door hem geleden en nog te lijden materiële schade krachtens de artikelen 6:95 en 6:96 BW, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 juli 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt Corus om aan [eiser] te vergoeden de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.785,00 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 juli 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt Corus tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 84,31

vastrecht € 199,00

salaris gemachtigde € 3.000,00;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Udo de Haes en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.