Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI0843

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
15/740496-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2741, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord, liquidatie, medeplegen

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren met aftrek van voorarrest ter zake van medeplegen van moord, overtreding van de Opiumwet en meerdere overtredingen van de Wet Wapens en Munitie. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan moord op 13 februari 2007 op de parkeerplaats bij de A4 te Haarlemmermeer. Het slachtoffer is in koelen bloede geliquideerd, door hem van achteren in het hoofd te schieten. Het verweer ten aanzien van medeplegen wordt verworpen. Voorts heeft verdachte samen met anderen in een door zijn partner gehuurde woning en box voorhanden gehad ongeveer 851 gram springstof (TNT), zes slagpijpjes, 123 stuks munitie, vijf vuurwapens, zes munitiehouders, twee geluidsdempers en 31,7 kilogram XTC-pillen. Artikel 33, 33a, 47, 57, 63, 289 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2, 10 van de Opiumwet en artikel 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740496-07 en 15/669735-07 (ter terechtzitting gevoegd)

Uitspraakdatum: 10 april 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 maart 2009, 24 maart 2009 en 30 maart 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1947 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende te [adres],

thans gedetineerd (u.a.h.) in P.I. Flevoland - HvB Almere Binnen.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, in de ter terechtzitting gevoegde zaken tenlastegelegd dat:

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15/740496-07:

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 13 februari 2007 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] (meermalen) met een vuurwapen in en/of door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

SUBSIDIAIR:

[medeverdachte 2] en/of een of meer anderen op of omstreeks 13 februari 2007 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben [medeverdachte 2] en/of (een of meer van) zijn/haar mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] (meermalen) met een vuurwapen in en/of door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 2 juli 2007 te Schiedam en/of Rotterdam en/of Barendrecht en/of Hoofddorp en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn/haar mededader(s)

- zich op 13 februari 2007 in een (op naam van [medeverdachte 2] gesteld) vervoermiddel, te weten een Mercedes Sprinter ([kenteken]) begeven naar de parkeerplaats van het brugrestaurant/Van der Valkhotel aan de A4 in de gemeente Haarlemmermeer en/of

aldaar voornoemd vervoermiddel op 13 februari 2007 tussen ongeveer 17.00 uur en ongeveer 21.15 uur steeds dichter bij de auto van [slachtoffer] geparkeerd en/of

aldaar op 13 februari 2007 tussen ongeveer 18.30 uur en ongeveer 22.00 uur (meermalen) eten en/of drinken gehaald bij Kentucky Fried Chicken en/of

zich aldaar op 13 februari 2007 tussen ongeveer 20.15 uur en ongeveer 20.45 uur naar het brugrestaurant begeven en/of aldaar [slachtoffer] in de gaten gehouden en/of

aldaar met behulp van voornoemd vervoermiddel op 13 februari 2007 om ongeveer 22.15 uur de plaats des misdrijfs verlaten en/of

- in voornoemde periode een opslagruimte, te weten [naam opslagruimte] te Barendrecht, gebruikt en/of ter beschikking gesteld om een bivakmuts en/of handschoenen en/of schriftelijke bescheiden (waaronder een kassabon van de firma DUMP d.d. 13 februari 2007 van de aankoop van 3 zwarte poncho's en/of 4 paar handschoenen en/of 4 bivakmutsen en/of (een deel van) het kentekenbewijs van de Mercedes Sprinter [kenteken]) te verbergen en/of te bewaren en/of

- in voornoemde periode een woning, gelegen aan de [adres] te Schiedam, gebruikt en/of ter beschikking gesteld om een of meer vuurwapens en/of munitie en/of geluiddempers en/of een poncho en/of de afstandsbediening van [naam opslagruimte] te Barendrecht te verbergen en/of te bewaren en/of

- op 30 maart 2007 om ongeveer 23.00 uur te Rotterdam voornoemde Mercedes Sprinter schoongemaakt en/of goederen uit genoemd voertuig verwijderd.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15/669735-07:

1.

hij op of omstreeks 2 juli 2007 althans in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 2 juli 2007 te Barendrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer 31,7 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid, XTC pillen/tabletten in elk geval van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 02 juli 2007 althans in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 2 juli 2007 te Barendrecht in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapen(s) van categorie II onder 7, te weten zes slagpijpjes en/of ongeveer 851 gram springstof (TNT), zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft/hebben gehad;

3.

hij op of omstreeks 02 juli 2007 althans in of omstreeks de periode van 1 april 2006 tot en met 2 juli 2007 te Barendrecht in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk drie bankbiljetten van 500 euro, dat/die verdachte zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing verdachte, toen hij dat/die ontving, bekend was, met het oogmerk om dat/die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 12 juni 2007 althans in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 12 juni 2007 te Schiedam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zes munitiehouders en/of munitie van categorie III, te weten

- 20 volmantelpatronen van het kaliber 7.62 mm en/of

- 19 volmantelpatronen van het kaliber 7.62 mm en/of

- 27 patronen van het kaliber 5.6 mm long rifle en/of

- 26 patronen van het kaliber 9 mm en/of

- 1 patroon van het kaliber 7.62 mm en/of

- 20 volmantelpatronen van het kaliber 9 mm en/of

- 11 volmantelpatronen van het kaliber 9 mm,

voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 12 juni 2007 althans in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 12 juni 2007 te Schiedam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten twee geluiddempers, voorhanden heeft gehad;

6.

hij op of omstreeks 12 juni 2007 althans in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 12 juni 2007 te Schiedam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee wapens van categorie II, te weten

- een volautomatisch repeterend vuurwapen (machinepistool), kaliber 9 mm en/of

- een volautomatisch repeterend vuurwapen (machinepistool), kaliber 7.65 x 17

mm

en/of

drie wapens van categorie III, te weten

- een single action, semi-automatisch vuurwapen van het merk Heckler & Koch,

type VP 70 Z van het kaliber 9 x 19 en/of

- een vuurwapen van het merk Pietro Beretta, model 70, kaliber 7.65 en/of

- een vuurwapen van het merk Walther, type TPH, kaliber .22 inch long rifle,

voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1 Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 15/669735-07 onder feit 3 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

De in de tenlastelegging genoemde drie valse bankbiljetten van 500 euro zijn op 2 juli 2007 tijdens een doorzoeking aangetroffen in een zwart koffertje in een op een bedrijvenpark aan de Arnhemseweg te Barendrecht gelegen bedrijfsruimte, genaamd [naam opslagruimte].

Blijkens de Memorie van Toelichting bij de artikelen 208-211 van het Wetboek van Strafrecht levert het in voorraad hebben van (ver)vals(t)e bankbiljetten op zichzelf nog geen strafbaar feit op. Hiervan is eerst sprake indien de verdachte bij ontvangst daarvan bekend was met de valsheid of vervalsing en deze het oogmerk had om de bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft. Genoemde ‘bekendheid’ en ‘oogmerk’ maken het in voorraad hebben van (ver)vals(t)e bankbiljetten derhalve strafbaar.

De rechtbank is van oordeel dat aan de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting geen wettig bewijs kan worden ontleend dat verdachte bij ontvangst van die bankbiljetten bekend was met de valsheid daarvan en evenmin dat hij de bedoeling (oogmerk) heeft gehad om de valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zodat reeds om die reden vrijspraak van dit feit dient te volgen. Daarbij verdient nog opmerking dat het tenlastegelegde evenmin valt te rubriceren onder een andere strafbepaling dan die van artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 15/740496-07 primair tenlastegelegde feit en de onder 1, 2, 4, 5 en 6 in de zaak met parketnummer 15/669735-07 tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Ten aanzien van parketnummer 15/740496-07:

PRIMAIR:

hij op 13 februari 2007 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een vuurwapen in en door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Ten aanzien van parketnummer 15/669735-07:

1.

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 2 juli 2007 te Barendrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 31,7 kilo XTC pillen/tabletten van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 2 juli 2007 te Barendrecht tezamen en in vereniging met anderen wapens van categorie II onder 7, te weten zes slagpijpjes en ongeveer 851 gram springstof (TNT), zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

4.

hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 12 juni 2007 te Schiedam tezamen en in vereniging met een ander zes munitiehouders en munitie van categorie III, te weten

- 20 volmantelpatronen van het kaliber 7.62 mm en

- 19 volmantelpatronen van het kaliber 7.62 mm en

- 27 patronen van het kaliber 5.6 mm long rifle en

- 26 patronen van het kaliber 9 mm en

- 20 volmantelpatronen van het kaliber 9 mm en

- 11 volmantelpatronen van het kaliber 9 mm,

voorhanden heeft gehad;

5.

hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 12 juni 2007 te Schiedam tezamen en in vereniging met een ander wapens van categorie I, onder 3, te weten twee geluidsdempers, voorhanden heeft gehad;

6.

hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 12 juni 2007 te Schiedam tezamen en in vereniging met een ander twee wapens van categorie II, te weten

- een volautomatisch repeterend vuurwapen (machinepistool), kaliber 9 mm en

- een volautomatisch repeterend vuurwapen (machinepistool), kaliber 7.65 x 17

mm

en

drie wapens van categorie III, te weten

- een single action, semi-automatisch vuurwapen van het merk Heckler & Koch,

type VP 70 Z van het kaliber 9 x 19 en

- een vuurwapen van het merk Pietro Beretta, model 70, kaliber 7.65 en

- een vuurwapen van het merk Walther, type TPH, kaliber .22 inch long rifle,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan verdachte meer of anders in de zaak met parketnummer 15/740496-07 primair en onder 1, 2, 4, 5 en 6 in de zaak met parketnummer 15/669735-07 is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.3 Bewijsmiddelen ten aanzien van het feit op de dagvaarding met parketnummer 15/740496-07

3.4 Bewijsoverweging en bewijsverweren

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte heeft op 13 februari 2007 de witte Mercedes bestelbus, die op naam van medeverdachte [medeverdachte 2] stond, bestuurd. Verdachte heeft samen met deze [medeverdachte 2] eerst in Rotterdam [medeverdachte 1] en vervolgens in Amsterdam een onbekend gebleven vierde persoon opgehaald, waarna hij naar het parkeerterrein van het aan de oostzijde van de rijksweg A4 in de gemeente Haarlemmermeer gelegen brugrestaurant is gereden. Gedurende een periode van ruim vijf uren heeft verdachte samen met de hiervoor genoemde personen in de bus verbleven.

Tussen verdachte, [medeverdachte 1] en de onbekend gebleven vierde persoon is in het Antilliaans gesproken.

Op een gegeven moment zijn vanuit de zijkant van de bus via een schuifdeur twee personen voorzien van bivakmutsen en ten minste één vuurwapen naar buiten gegaan en in de richting van de aldaar op korte afstand van die bus nabij zijn auto aanwezige [slachtoffer] gelopen, op het moment dat deze alleen naar zijn auto liep. Er is een korte worsteling gevolgd, waarna [slachtoffer] door één van beide personen - waarschijnlijk van achteren - met een opzetschot in het hoofd is geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Direct na dit schieten zijn voornoemde twee personen teruggelopen naar de bus, zij zijn ingestapt en de bus is vervolgens met verdachte als bestuurder weggereden. Verdachte heeft [medeverdachte 1] en de onbekend gebleven vierde persoon daarna afgezet bij een treinstation. Voorafgaand aan de schietpartij heeft verdachte de bus een aantal keren verplaatst, waarbij die bus uiteindelijk in de directe nabijheid van de auto van het latere slachtoffer [slachtoffer], kwam te staan. Verder heeft verdachte op het parkeerterrein bij het brugrestaurant eenmaal de bus verlaten, hij is het brugrestaurant ingelopen, waar hij bij het tegenkomen van het latere slachtoffer en twee in diens bijzijn verkerende mannen, zijn gezicht heeft afgewend en naar de bus is teruggekeerd. Op grond van het aantreffen van de aankoopbon in een mapje met persoonlijke spullen van [medeverdachte 2] stelt de rechtbank vast dat op de dag van de schietpartij, ’s middags om 14.58 uur, bij de firma D.U.M.P. aan de Korte Hoogstraat 9 te Rotterdam, vier bivakmutsen, soortgelijk aan die waarvan het prijslabel later op de vloer voor in de bus is aangetroffen, vier paar handschoenen en drie poncho’s zijn aangeschaft. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze spullen misschien zelf wel heeft gekocht. Daarnaast is er met een telefoonnummer dat aan verdachte kan worden gerelateerd op 13 februari 2007 twee keer, namelijk om 9.48 uur en om 15.08 uur, uitgebeld naar een telefoonnummer waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de gebruiker is.

Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte zich lange tijd, te weten meer dan een jaar, op zijn zwijgrecht heeft beroepen en dat hij pas een verklaring over de schietpartij waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen, heeft afgelegd nadat medeverdachte [medeverdachte 2] dit had gedaan.

Daarbij komt dat verdachte ook nu nog slechts in beperkte mate openheid van zaken wenst te geven over hetgeen er zich op 13 februari 2007 heeft afgespeeld alsmede over zijn eigen rol daarbij.

Zo heeft verdachte verklaard dat hij weet dat [medeverdachte 1] degene is die [slachtoffer] heeft doodgeschoten, maar wenst hij geen antwoord te geven op onder meer vragen als wie de vierde persoon in de bus is geweest en wat er in de bus voor- en na de schietpartij is besproken.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte bovendien ongeloofwaardig waar het betreft de door hem opgegeven reden voor zijn ruim vijf uur durende aanwezigheid op de parkeerplaats die bewuste middag en avond. Zo heeft verdachte hieromtrent verklaard dat het zijn bedoeling was [bijnaam medeverdachte 1] (lees: medeverdachte [medeverdachte 1]) te laten praten met een persoon genaamd [naam], in wiens gezelschap het latere slachtoffer [slachtoffer] zich die dag bevond. Verdachtes bedoeling valt zonder nadere uitleg - die hij kennelijk niet kan geven of wenst te geven - ook moeilijk te rijmen met de aanwezigheid van [naam] in het brugrestaurant zonder dat deze op enig moment door [medeverdachte 1] is benaderd, het op het parkeerterrein blijven wachten van verdachte en de andere personen toen deze [naam] en het latere slachtoffer aan het begin van de avond het parkeerterrein hebben verlaten en het meermalen verplaatsen van de bus door verdachte, waardoor die bus uiteindelijk in de nabijheid van de auto van het latere slachtoffer kwam te staan.

Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien leidt de rechtbank af dat:

- het medeverdachte [medeverdachte 1] is geweest die het slachtoffer heeft doodgeschoten;

- medeverdachte [medeverdachte 1] dit met voorbedachten rade heeft gedaan;

- medeverdachte [medeverdachte 1] dit in bewuste en nauwe samenwerking met verdachte en de onbekend gebleven vierde persoon heeft gedaan.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd - kort samengevat - dat het niet de bedoeling was van verdachte dat iemand zou worden doodgeschoten, dat het verdachte niet bekend is of de schutter tevoren reeds van plan was [slachtoffer] dood te schieten maar dat diens handelingen erop lijken te duiden dat het doodschieten van [slachtoffer] niet de bedoeling was. De verdediging concludeert dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van dan wel medeplichtige aan de moord dan wel doodslag op [slachtoffer], aangezien bij verdachte de wetenschap vooraf ontbrak over wat er ging gebeuren, hij zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en hij voorts ook niet de mogelijkheid had zich van het doodschieten van [slachtoffer] te distantiëren.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Uit de hiervoor door de rechtbank vastgestelde feiten in combinatie met de wijze waarop het slachtoffer is doodgeschoten (één enkel opzetschot op het achterhoofd van het slachtoffer) en de korte tijdsspanne waarbinnen één en ander is gebeurd, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat medeverdachte [medeverdachte 1] die voorzien van een bivakmuts met een vuurwapen, waarin tenminste één kogel zat en dat daarmee gebruiksgereed was, op het slachtoffer [slachtoffer] is toegelopen en vrijwel direct nadien [slachtoffer] heeft doodgeschoten, niet in een opwelling heeft gehandeld, maar dat zijn daad kennelijk het gevolg is van een enige tijd tevoren genomen besluit en dat medeverdachte [medeverdachte 1] in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering daarvan tijd had zich te beraden over het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dit levert kalm beraad en rustig overleg ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 1] op, zoals in zijn zaak is bewezen verklaard.

Uit de hiervoor genoemde omstandigheden volgt verder dat vanaf het moment dat verdachte - naar de rechtbank aanneemt - ’s middags kort na 15.00 uur met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gebeld om hem op te halen tot het moment dat [slachtoffer] wordt doodgeschoten, steeds sprake is geweest van een gezamenlijk optreden van verdachte met zijn medeverdachten. Ook nadat het slachtoffer was doodgeschoten, duurt dit gezamenlijk optreden nog voort. Verdachte vervulde bij dit gezamenlijk optreden ook een onmisbare rol. Hij is immers degene die bivakmutsen heeft aangeschaft, die de medeverdachten heeft opgehaald, hen al die tijd in de bus heeft laten verblijven en de bus steeds heeft verplaatst, waardoor de bus uiteindelijk dichtbij de auto van het latere slachtoffer is komen te staan, die poolshoogte is gaan nemen in het brugrestaurant en die na afloop van het doodschieten van [slachtoffer] met de medeverdachten is weggereden en hen onderweg bij een treinstation heeft afgezet. Op grond van al die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet alleen passief bij de levensberoving van [slachtoffer] aanwezig is geweest, maar dat hij daarbij betrokken was in die zin dat zijn aanwezigheid voorwaarde is geweest voor de uitvoering van het feit.

Verder leidt de rechtbank uit voornoemde omstandigheden af dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen daarvan heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dit levert op de voorbedachte raad die ten aanzien van verdachte bewezen is verklaard. Een en ander vindt ook bevestiging in de wijze waarop het slachtoffer is doodgeschoten en in de omstandigheid dat verdachte zich na het schieten niet om het slachtoffer heeft bekommerd maar met de medeverdachten is weggereden en hen heeft afgezet.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, te weten het medeplegen van moord, heeft begaan. Dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet tot in detail duidelijk is geworden wat er zich in de periode voorafgaand aan het doodschieten van [slachtoffer] heeft afgespeeld noch een duidelijk motief voor het doden van het slachtoffer naar voren is gekomen, doet daaraan niet af. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat verdachte om hem moverende redenen geen openheid van zaken wenst te geven over zaken die wel vragen om een (nadere) verklaring. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken.

De rechtbank overweegt tot slot dat zij mede redengevend acht voor het bewijs dat verdachte medepleger is van de moord op [slachtoffer], de omstandigheid dat verdachte geen verklaring heeft kunnen of willen geven die de redengevend voor het bewijs van vorenstaande bewijsmiddelen dat hij als mededader betrokken is bij de opzettelijke levensberoving met voorbedachten rade van [slachtoffer], ontzenuwt.

3.5 Bewijsmiddelen ten aanzien van de zaken opgenomen in de dagvaarding met parketnummer 15/669735-07

3.6 Bewijsverweren

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 15/669735-07 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten (aangetroffen goederen in [naam opslagruimte] in Barendrecht) bepleit dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, aangezien niet kan worden vastgesteld dat er bij verdachte sprake was van een zekere mate van bewustheid van de aanwezigheid van de in de box aangetroffen springstof en verdovende middelen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat zich in het dossier geen enkel technisch bewijsmiddel bevindt, zoals onderzoek van vingerafdrukken of DNA-onderzoek dat wijst in verdachtes richting. Daarbij komt dat de verboden goederen niet direct zichtbaar waren. Het feit dat in de box ook persoonlijke bezittingen van verdachte zijn aangetroffen doet daar niet aan af, nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat een ander deze goederen voor hem in één keer in de box heeft “gedumpt”. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat de springstof en de verdovende middelen al in de box lagen toen verdachte nog niet was aangehouden, aangezien bijna een maand na de aanhouding de spullen pas zijn aangetroffen. Daarbij komt dat uit het dossier ook blijkt dat andere personen belangstelling hebben gehad voor de box zodat de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij ten aanzien van de inhoud van de box de verantwoordelijkheid op zich neemt, behoedzaam zal moeten waarderen, waarbij de rechtbank verzocht wordt zich te realiseren dat twee voor verdachte zeer belangrijke personen, zijn partner [medeverdachte 2] en zijn neef, medeverdachten waren/zijn en dat verdachte hen helpt door de schuld op zich te nemen.

Ook ten aanzien van de onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde feiten (aangetroffen goederen in het perceel [adres] in Schiedam) heeft de raadsman betoogd dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken, aangezien ook hier geen technisch bewijs aanwezig is, het niet bekend is wanneer de verboden goederen in de woning zijn terechtgekomen, de goederen uit het zicht, verstopt lagen en de goederen pas acht dagen na de aanhouding van verdachte in de woning zijn aangetroffen. Bovendien hadden verschillende personen (naast verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], haar broer [broer medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 3]) een sleutel van de woning. Ook hier heeft de raadsman de rechtbank verzocht behoedzaam met de verklaring van verdachte om te gaan, nu die verklaring erop neerkomt dat hij de verantwoordelijkheid neemt ten aanzien van de verboden goederen in de woning, terwijl hij ook heeft verklaard niet van de goederen te hebben geweten.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog en overweegt in dit verband het volgende.

De in de tenlastelegging genoemde verdovende middelen (feit 1), de slagpijpjes en springstof (feit 2) zijn tijdens een doorzoeking op 2 juli 2007 aangetroffen in een op een bedrijvenpark aan de Arnhemseweg te Barendrecht gelegen bedrijfsruimte, genaamd [naam opslagruimte]. Tevens zijn in de box persoonlijke spullen aangetroffen, die zijn terug te voeren op verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2]. De in de tenlastegeleggging genoemde munitie en munitiehouders (feit 4), geluidsdempers (feit 5) en vuurwapens (feit 6) zijn tijdens een doorzoeking op 12 juni 2007 aangetroffen in een woning op het adres [adres] in Schiedam. Volgens vaste rechtspraak is voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde opzettelijk voorhanden en/of aanwezig hebben van deze goederen vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate van de aanwezigheid van die verboden goederen bewust was dan wel moet zijn geweest (zie bijvoorbeeld HR 26 januari 1999, NJ 1999/537 en HR 15 december 1998, NJ 1999/203).

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank het volgende gebleken. [betrokkene], eigenaar van de hiervoor genoemde [naam opslagruimte], heeft de box met ingang van 1 april 2006 verhuurd aan het bedrijf van de partner van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2]. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de box in 2006 bij hem en [medeverdachte 2] in gebruik is geweest voor de opslag van zijn gereedschap, dat [medeverdachte 2] beschikte over twee afstandsbedieningen waarmee toegang tot de box kon worden verkregen en dat hij, als hij in de box moest zijn, altijd bij [medeverdachte 2] een afstandsbediening haalde of dat ze er samen naartoe gingen. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is tevens gebleken dat de huur per 1 april 2006 contant door [medeverdachte 2] werd betaald en dat deze manier van betalen onveranderd is gebleven tot en met de betaling van 1 januari 2007. Toen verschenen zij en de zoon van verdachte, genaamd [zoon verdachte], op het kantoor van [betrokkene] en is het huurcontract op naam van [zoon verdachte] gezet. Vanaf 1 februari 2007 was [zoon verdachte] de nieuwe huurder van de box. [zoon verdachte] heeft verklaard nooit een afstandsbediening van de box te hebben gekregen en nooit de huur te hebben betaald. De betalingen voor de maanden erop werden wederom gedaan door [medeverdachte 2]. De maanden mei en juni 2007 zijn door een onbekende blanke man betaald met als reden dat [medeverdachte 2] op vakantie zou zijn. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij voor andere mensen – van wie hij de namen overigens niet wil noemen, omdat hij en die andere mensen anders in de problemen zouden komen – had geregeld dat zij van de box gebruik konden maken, dat hij denkt dat er een stuk of vier afstandsbedieningen in omloop waren waarmee toegang tot de box kon worden verkregen, dat hij er zelf misschien tien à twintig keer is geweest, dat hij alleen op de hoogte was van de vaten met mCPP-base olie en dat hij misschien gewoon niet wilde afweten van de andere goederen die daar zijn aangetroffen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voorgaande omstandigheden voldoende zijn om daaraan het wettig bewijs te kunnen ontlenen dat verdachte over deze opslagruimte een zekere beschikkingsmacht heeft gehad en hij zich van de aanwezigheid van de daarin aangetroffen verdovende middelen, slagpijpjes en springstof bewust is geweest dan wel had moeten zijn. Daarbij komt dat niet aannemelijk is dat een derde die de in die box aanwezige verboden goederen voorhanden heeft, deze spullen daar aanwezig heeft zonder degene die tot die box toegang heeft, zoals verdachte, te informeren over het verboden karakter van de door hem daar opgeslagen spullen.

Ook ten aanzien van de wapens en munitie die in het perceel [adres] in Schiedam zijn aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met zijn medeverdachte en partner [medeverdachte 2] deze wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte deze woning in de ten laste gelegde periode samen met medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bewoond. Verdachte heeft dit min of meer erkend en bleek bij zijn aanhouding ook in het bezit van een sleutel van de woning evenals zijn medeverdachte [medeverdachte 2]. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] hadden daarmee dus een zekere beschikkingsmacht over de woning. Gelet op het feit dat hij verder ter terechtzitting heeft verklaard misschien wel te hebben afgeweten van de in de woning aangetroffen wapens, is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte in ieder geval een zekere mate van bewustheid van de aanwezigheid van de wapens en munitie heeft bestaan. De rechtbank kent daarbij ook nog betekenis toe aan het gegeven dat van verdachte een dactyloscopisch spoor is aangetroffen op een in de woning aan de [adres] te Schiedam aanwezige tas waarin een vuurwapen zat. Voorts overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat anderen dan verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] en haar broer van wie niet aannemelijk is geworden dat hij als medepleger van de feiten 4, 5 en 6 kan worden beschouwd, over een sleutel van laatst vermelde woning beschikten.

Daarbij acht de rechtbank het tenslotte niet aannemelijk dat verdachte opzettelijk onjuist heeft verklaard, enkel en alleen om anderen (medeverdachten) uit de wind te houden.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten in de dagvaarding met parketnummer 15/740496-07:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde:

Medeplegen van moord.

Ten aanzien van de feiten in de dagvaarding met parketnummer 15/669735-07:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van de categorie II, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van de categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 6:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II , meermalen gepleegd,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van de overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de zaak met parketnummer 15/740496-07 gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit en ten aanzien van de zaak met parketnummer 15/669735-07 tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte voor al die feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 5.320,- en gevorderd de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte en zijn mededaders voor het toegewezen bedrag.

Ten aanzien van de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van de handschoen en de Nike pet en de teruggave aan verdachte van de Otrivin neusspray, Nexium tabletten, Viagra tabletten, Saridon, Ivagan tabletten, Zovirax tube, drie Durex condooms en een gouden condoom van het merk Toosh.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer].

Hiertoe is hij op 13 februari 2007, nadat hij tevoren bivakmutsen had aangeschaft, samen met anderen die hij daartoe tevoren had opgehaald in een bestelbus naar de parkeerplaats van het aan de oostzijde van de A4 in de gemeente Haarlemmermeer gelegen brugrestaurant gereden. Nadat zij gedurende een periode van ruim vijf uren in die bus hadden gewacht en verdachte die bus uiteindelijk in de nabijheid van de auto van het latere slachtoffer had geparkeerd, zijn twee mededaders, toen het slachtoffer [slachtoffer] alleen in de richting van zijn auto liep, vanuit de zijkant van de bus via een schuifdeur, voorzien van bivakmutsen en ten minste één vuurwapen naar buiten naar die [slachtoffer] gelopen. Na een korte worsteling is die [slachtoffer] door een van die medeverdachten met een opzetschot in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan hij terstond is overleden. Direct hierna zijn verdachte en zijn mededaders met de door verdachte bestuurde bus weggereden.

Hoewel de rechtbank door het stilzwijgen van verdachte en zijn aangehouden mededader geen inzicht heeft kunnen krijgen in de precieze achtergronden van deze moord, kan op grond van de voorbereiding en de uitvoering van de levensberoving van [slachtoffer], in het licht van de inhoud van het dossier wel worden vastgesteld dat het hier gaat om een kennelijk goed voorbereide kille afrekening, waarbij verdachte een voorbereidende en organiserende rol heeft gespeeld. Het slachtoffer is in koelen bloede geliquideerd, midden op een parkeerplaats, waarop meerdere personen aanwezig waren die daardoor getuige zijn geweest van een zeer beangstigende situatie.

Moord is een van de ernstigste delicten die ons Wetboek van Strafrecht kent. Dit misdrijf mede bezien in het licht van de wijze van uitvoering daarvan en de plaats waar dit heeft plaatsgevonden, veroorzaakt grote onrust in de samenleving.

Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededaders het slachtoffer het leven ontnomen en de nabestaanden van een hun dierbaar familielid beroofd.

Voorts heeft verdachte samen met een ander respectievelijk met anderen in een door zijn partner gehuurde woning en box voorhanden gehad ongeveer 851 gram springstof (TNT), zes slagpijpjes, 123 stuks munitie, vijf vuurwapens, zes munitiehouders en twee geluidsdempers.

De aangetroffen hoeveelheid vuurwapens, waaronder automatische vuurwapens, springstof, slagpijpjes en munitie, was zodanig dat die mede bestemd moet zijn geweest voor de handel. De illegale handel in en het gebruik van deze springstof, vuurwapens en munitie vormen een uitzonderlijk groot en onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving. De dreiging die uitgaat van het illegaal voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid vuurwapens niet alleen in het criminele milieu, waarvoor ze met name bestemd zullen zijn geweest, maar ook voor de samenleving als geheel, is zeer groot. Dat geldt nog meer voor de aangetroffen hoeveelheid springstof met slagpijpjes. De reeds in de samenleving heersende gevoelens van onveiligheid, worden hierdoor in ernstige mate versterkt.

Tevens heeft verdachte met anderen een grote hoeveelheid verdovende middelen, te weten 31,7 kilogram MDMA bevattende XTC-pillen, aanwezig gehad. Het betreft hier een gezondheidsondermijnend, verslavend en bewustzijnsbeïnvloedend middel, waar de wetgever (onder meer) de productie van en handel in heeft verboden.

Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij kennelijk zijn partner bij deze uitzonderlijk ernstige misdrijven heeft betrokken.

Ook strafverzwarend werkt dat verdachte, zoals blijkt uit het hem betreffend uittreksel van het Justitiële Documentatieregister van 9 april 2009, vele malen tot vrijheidsstraffen is veroordeeld wegens overtreding van de vuurwapenwetgeving, eerder is veroordeeld voor – naar kan blijken uit de opgelegde straffen – ernstige geweldsdelicten, in 2005 is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf voor een overtreding van artikel 2 van de Opiumwet en in datzelfde jaar tot een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur voor onder meer overtreding van artikel 3 van de Opiumwet.

Gelet op de ernst van de strafbare feiten en de achtergrond waartegen deze zijn gepleegd, zou de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 18 jaar passend en geboden zijn. De rechtbank dient echter op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening te houden met het feit dat verdachte inmiddels en na het plegen van de onderhavige misdrijven al is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden voor overtreding van de Opiumwet. De rechtbank zal daarom op de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf een jaar gevangenisstraf in mindering brengen.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.320,- ingediend tegen verdachte wegens im/materië¬le schade die hij als gevolg van het bij dagvaarding met parketnummer 15/740496-07 primair tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is vast komen te staan dat hij in deze strafprocedure als benadeelde partij kan worden aangemerkt, zodat de benadeelde partij niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een zwarte handschoen en een Nike pet, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat een deel van de bewezenverklaarde feiten met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47, 57, 63, 289 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 van de Opiumwet;

13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 15/669735-07 onder 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 15/740496-07 onder primair en in de zaak met parketnummer 15/669735-07 onder 1, 2, 4, 5 en 6 ten laste is gelegd, een en ander zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte in de zaak met parketnummer 15/740496-07 onder primair en in de zaak met parketnummer 15/669735-07 onder 1, 2, 4, 5 en 6 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVENTIEN (17) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.

Beslagbeslissingen als vermeld in vonnis.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.H. Steenmetser-Bakker, voorzitter,

mrs. R.E.A. Toeter en M. Hoendervoogt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J.H.J. van Leeuwen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 april 2009.