Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2009:BI0842

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
15/740656-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2740, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord, liquidatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest ter zake van medeplegen van moord en overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Het verweer ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachten wordt verworpen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan moord op 13 februari 2007 op de parkeerplaats bij de A4 te Haarlemmermeer. Het slachtoffer is in koelen bloede geliquideerd, waarbij verdachte een uitvoerende rol heeft gespeeld. Het slachtoffer is van achteren in het hoofd geschoten en is tengevolge hiervan overleden. Voorts heeft verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Artikel 36b, 36c, 47, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740656-08

Uitspraakdatum: 10 april 2009

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 maart 2009 en 30 maart 2009 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 februari 2007 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] (meermalen) met een vuurwapen in en/of door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 13 augustus 2008 te Rotterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Pietro Beretta, model 92 FS, kaliber 9 millimeter) en/of (bijbehorende) munitie van categorie III, te weten 15 stuks kaliber 9 millimeter volmantel rondneus patronen voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1 Bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

hij op 13 februari 2007 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een vuurwapen in en door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 13 augustus 2008 te Rotterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Pietro Beretta, model 92 FS, kaliber 9 millimeter, en bijbehorende munitie van categorie III, te weten 15 stuks kaliber 9 millimeter volmantel rondneus patronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsverweer ten aanzien van feit 1

Door de raadsman is op de in de pleitnota genoemde gronden betoogd dat verdachte van het hem onder feit 1 tenlastegelegde bij gebrek aan wettig en subsidiair bij gebrek aan overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken.

Hij heeft daarbij de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betwist en aangevoerd dat voor het overige al die objectieve bewijsmiddelen ontbreken die in zoveel andere uitspraken noodzakelijke bouwstenen zijn geweest voor een bewezenverklaring van moord.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de beoordeling van de waarde die aan de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan worden toegekend, stelt de rechtbank voorop dat zij die voor verdachte belastende verklaringen, nu die medeverdachten die pas hebben afgelegd in een heel laat stadium en zij bovendien omtrent hun eigen rol bij de moord op [slachtoffer] geen volledige opening van zaken hebben gegeven, met grote behoedzaamheid heeft beoordeeld.

De rechtbank acht die verklaringen - met inachtneming van hetgeen hiervoor is vooropgesteld - consistent en geloofwaardig, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat zij zich tijdens het verhoor onder ede van de getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ter terechtzitting een oordeel omtrent de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van die getuigen heeft kunnen vormen. De rechtbank acht die verklaringen dan ook bruikbaar voor het bewijs.

Daarbij heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat verdachte, geconfronteerd met die hem belastende getuigenverklaringen die redengevend zijn voor het bewijs dat hij opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, zowel in het voorbereidend onderzoek als ter terechtzitting geen enkele de redengevendheid voor het bewijs van die verklaringen ontzenuwende verklaring heeft kunnen of willen geven.

De rechtbank heeft daarbij voorts betekenis toegekend aan het gegeven dat in de telefonische contacten tussen een telefoon in gebruik bij verdachte en een telefoon in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] voorafgaande aan de bewezen verklaarde moord, een bevestiging van zijn aanwezigheid in het gezelschap van die [medeverdachte 1] ten tijde van de moord kan worden gevonden. Ook heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat uit het telecommunicatie onderzoek blijkt dat de telefoon in gebruik bij verdachte en de telefoon in gebruik bij [medeverdachte 2] zich op 13 februari 2007 voorafgaand aan de moord verplaatsen van Rotterdam naar Amsterdam, een route waarover [medeverdachte 2] heeft verklaard. Deze gegevens ondersteunen daarmee ook de betrouwbaarheid van hun verklaringen.

3.3 Bewijsmiddelen

3.4 Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

De medeverdachte van verdachte, [medeverdachte 1], heeft op 13 februari 2007 samen met [medeverdachte 2] met een witte Mercedes bestelbus eerst in Rotterdam verdachte en vervolgens in Amsterdam een onbekend gebleven vierde persoon opgehaald, waarna zij naar het parkeerterrein van het aan de oostzijde van de rijksweg A4 in de gemeente Haarlemmermeer gelegen brugrestaurant zijn gereden. Gedurende een periode van ruim vijf uren heeft verdachte samen met de hiervoor genoemde personen in de bus verbleven.

Tussen verdachte, [medeverdachte 1] en de onbekend gebleven vierde persoon is in het Antilliaans gesproken.

Op een gegeven moment zijn vanuit de zijkant van de bus via een schuifdeur verdachte en een medeverdachte voorzien van bivakmutsen en ten minste één vuurwapen naar buiten gegaan en in de richting van de aldaar op korte afstand van die bus nabij zijn auto aanwezige [slachtoffer] gelopen, op het moment dat deze alleen naar zijn auto liep. Er is een korte worsteling gevolgd, waarna [slachtoffer] door verdachte - waarschijnlijk van achteren - met een opzetschot in het hoofd is geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Voorafgaand aan de schietpartij heeft [medeverdachte 1] de bus een aantal keren verplaatst, waarbij die bus uiteindelijk in de directe nabijheid van de auto van het latere slachtoffer [slachtoffer] kwam te staan. Verder heeft [medeverdachte 1] op het parkeerterrein bij het brugrestaurant eenmaal de bus verlaten, hij is het brugrestaurant ingelopen, waar hij bij het tegenkomen van het latere slachtoffer en twee in diens bijzijn verkerende mannen, zijn gezicht heeft afgewend en naar de bus is teruggekeerd. Op grond van het aantreffen van de aankoopbon in een mapje met persoonlijke spullen van [medeverdachte 2] stelt de rechtbank vast dat op de dag van de schietpartij, ’s middags om 14.58 uur, bij de firma D.U.M.P. aan de Korte Hoogstraat 9 te Rotterdam, vier bivakmutsen, soortgelijk aan die waarvan het prijslabel later op de vloer voor in de bus is aangetroffen, vier paar handschoenen en drie poncho’s door [medeverdachte 1] zijn aangeschaft.

Daarnaast is er met een telefoonnummer dat aan de medeverdachte [medeverdachte 1] kan worden gerelateerd op 13 februari 2007 twee keer, namelijk om 9.48 uur en om 15.08 uur, ingebeld naar een telefoonnummer waarvan verdachte heeft verklaard dat hij de gebruiker is.

De rechtbank komt op grond van voormelde door haar vastgestelde feiten tot het oordeel dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en de onbekende man heeft schuldig gemaakt aan moord op het slachtoffer [slachtoffer].

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte met zijn medeverdachten op het parkeerterrein bij het brugrestaurant langs de Rijksweg A4 in de gemeente Haarlemmermeer lange tijd in een bestelauto, waarin zij bivakmutsen en een levensbedreigend vuurwapen aanwezig hadden, heeft gewacht - kennelijk op grond van de in het dossier gerelateerde bevindingen - tot het slachtoffer dat zich geruime tijd in het gezelschap van anderen op of in de nabijheid van dat parkeerterrein bevond, zich alleen in de richting van zijn auto heeft begeven en dat verdachte toen, voorzien van een bivakmuts en met een vuurwapen waarin tenminste één kogel zat en dat daarmee gebruiksgereed was, met een medeverdachte op het slachtoffer is afgelopen en vrijwel direct nadien met een opzetschot het slachtoffer [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte met zijn medeverdachten niet in een opwelling heeft gehandeld, maar dat hun daad kennelijk het gevolg is van een enige tijd tevoren genomen besluit en dat zij in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering daarvan tijd hadden zich te beraden over het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat zij over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad hebben nagedacht en zich daarvan rekenschap hebben gegeven.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Medeplegen van moord.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties en van de overige beslissingen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 5.320,- en gevorderd de benadeelde in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel alsmede hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte en zijn mededaders voor het toegewezen bedrag.

Ten aanzien van de onder verdachte in beslaggenomen voorwerpen heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van de bivakmutsen en de onttrekking aan het verkeer van het pistool, de munitiehouder en de munitie.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer].

Hiertoe is zijn mededader [medeverdachte 1] op 13 februari 2007, nadat deze tevoren bivakmutsen had aangeschaft, samen met verdachte en een ander die [medeverdachte 1] daartoe tevoren had opgehaald in een bestelbus, naar het parkeerterrein van het aan de oostzijde van de A4 in de gemeente Haarlemmermeer gelegen brugrestaurant gereden. Nadat zij gedurende een periode van ruim vijf uren in die bus hadden gewacht en zijn mededader [medeverdachte 1] die bus meermalen heeft verplaatst, waardoor die bus uiteindelijk in de nabijheid van de auto van het latere slachtoffer kwam te staan, zijn verdachte en een andere mededader, toen het slachtoffer [slachtoffer] alleen in de richting van zijn auto liep, vanuit de zijkant van de bus via een schuifdeur, voorzien van bivakmutsen en ten minste één vuurwapen naar buiten naar die [slachtoffer] gelopen. Na een korte worsteling is die [slachtoffer] door verdachte met een opzetschot in het hoofd geschoten, tengevolge waarvan hij terstond is overleden. Direct hierna zijn verdachte en zijn mededaders met de door [medeverdachte 1] bestuurde bus weggereden.

Hoewel de rechtbank door het stilzwijgen van verdachte en zijn aangehouden mededader geen inzicht heeft kunnen krijgen in de precieze achtergronden van deze moord, kan op grond van de voorbereiding en de uitvoering van de levensberoving van [slachtoffer], in het licht van de inhoud van het dossier wel worden vastgesteld dat het hier gaat om een kennelijk goed voorbereide kille afrekening, waarbij verdachte een uitvoerende rol heeft gespeeld. Het slachtoffer is in koelen bloede geliquideerd, midden op een parkeerterrein, waarop meerdere personen aanwezig waren die daardoor getuige zijn geweest van een zeer beangstigende situatie.

Moord is een van de ernstigste delicten die ons Wetboek van Strafrecht kent. Dit misdrijf mede bezien in het licht van de wijze van uitvoering daarvan en de plaats waar dit heeft plaats gevonden, veroorzaakt grote onrust in de samenleving.

Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededaders het slachtoffer het leven ontnomen en de nabestaanden van een hun dierbaar familielid beroofd.

Voorts heeft verdachte een voor levensberoving geschikt vuurwapen en 15 stuks munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen met munitie, zeker bezien in het licht van het hieraan voorafgaande onder feit 1 door de rechtbank ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit, vormt een zeer ernstige bedreiging voor de samenleving.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte, zoals blijkt uit het hem betreffend uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister van 19 augustus 2008, op 25 april 2005 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren ter zake poging tot doodslag en mishandeling, terwijl hij daarvoor in 1995 voor bedreiging en overtredingen van de Wet wapens en munitie is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf en in 1990 wegens doodslag tot 5 jaren gevangenisstraf.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de thans bewezen verklaarde strafbare feiten en gelet op het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor - blijkens de opgelegde straffen - ernstige geweldsdelicten, een zeer langdurige vrijheidsstraf van na te melden duur de enig passende sanctie is.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.320,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële en materië¬le schade die hij als gevolg van het bij dagvaarding met parketnummer 15/740656-08 tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is vast komen te staan dat hij in deze strafprocedure als benadeelde partij kan worden aangemerkt, zodat de benadeelde partij niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de in beslaggenomen voorwerpen, te weten een pistool, patroonhouder en 15 stuks munitie zomede de 2 bivakmutsen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 2 bewezen verklaarde feit met betrekking tot dat pistool, die patroonhouder en die munitie is begaan. Het ongecontroleerde bezit van deze in beslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang. Met betrekking tot de in beslaggenomen bivakmutsen overweegt de rechtbank dat deze zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het onder 1 bewezen verklaarde feit en dat die bivakmutsen geschikt zijn tot het begaan van een soortgelijk feit als onder 1 bewezen verklaard.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36b, 36c, 47, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht;

26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN (15) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.

Beslagbeslissingen als vermeld in vonnis.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.H. Steenmetser-Bakker, voorzitter,

mrs. R.E.A. Toeter en M. Hoendervoogt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J.H.J. van Leeuwen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 april 2009.